Maandag 06/07/2020

Mes amis

François Truffaut - ik hoop dat u hem nog kent - heeft ooit eens gezegd dat het hem opviel dat kleine jongetjes er wel eens van dromen om brandweerman te worden, of piloot, of ridder, maar dat hij er nog nooit eentje tegengekomen was dat beweerde dat hij later criticus wou worden. Dat komt, denk ik, omdat criticus zijn een enigszins oneigenlijk beroep is, eentje waar je het bed moet beschrijven waarin anderen de liefde bedreven hebben terwijl je zelf aan je sjarlowieke zit te snokken.Ik ken wel wat critici van dichtbij. Sterker nog: ik ben zelf ooit een van hen geweest en ik kan u met de hand op het hart verzekeren dat de meesten onder hen geen gelukkige mensen zijn. Ze staan per definitie aan de kant - hoe betere critici het zijn, hoe beter ze dat beseffen - en ze doen niet mee, nooit. Ze denken dat ze van de literatuur zijn, van de film, van het theater of van het voetbal, maar dat zijn ze helemaal niet. Ze staan aan de wal en mogen van daar hun mening schreeuwen. Soms doen ze dat met brio, vaak met veel middelmaat en soms zelfs onverschillig of helemaal liefdeloos. Eén ding hebben ze ook gemeen: critici kunnen slecht tegen kritiek.Toch zitten er bijzondere mensen bij. Zo is mijn bewondering voor Humo’s Rudy Vandendaele eigenlijk zonder grenzen en hing ik in de prachtige jaren tachtig al wel eens gaarne aan een Amsterdamse toog met de briljante Hans Beerenkamp, de toenmalige filmman van NRC, die met zoveel passie over film kon praten dat ik op zijn aanraden blindelings naar een Albanese documentaire over oorwurmen zou gaan kijken zijn. En dan was er ook nog Pol Arias, op Radio 1. Een zachte man met een fluwelen stem die altijd erudiet en onbevangen over de toneelspelende mens berichtte en ook in het vaak voorkomende geval dat het wat minder was zeer beschaafd kon blijven.Ik mis de stem van Pol Arias écht sinds hij met rust is en daarom was ik laatst ook blij toen ik hem op de stadstelevisie over de dezer dagen ongemeen drukke Josse De Pauw hoorde spreken. Pol zei, na enige bedenktijd, dat wat hem altijd bij zou blijven het merkwaardige feit was dat hij Josse nog nooit in een slechte voorstelling had zien staan. Ik tastte na die getuigenis mijn hersenen even af en kon niet anders dan tot dezelfde conclusie komen. Hoe dat eigenlijk zo kwam, had ik bij een andere gelegenheid eens aan de gevierde theatermaker zelf gevraagd.“Dat komt”, zei Josse rustig, “omdat een mens de som is van al zijn keuzes.” Waarop een stilte volgde die duidelijk uitnodigde om daar maar eens over na te denken. Ik kon niet zo meteen een diepzinnig antwoord bedenken en mompelde dan maar dat ik het een eer vond dat onze artistieke paden mekaar een keer of vijf gekruist hebben. Al waren we er niet echt goed aan begonnen. Lang geleden, in mijn allereerste film zelfs, had ik een rol voor hem geschreven, maar op een bepaald moment had ik die ook weer geschrapt. Wat ik hem nooit echt duidelijk gemaakt had omdat ik in zulke dingen nu eenmaal een laffe kaffer ben. Toch wilde ik hem desondanks bij die film en heb ik hem één schrale scène aangeboden. Josse aanvaardde dat magere cadeau en zette de scène natuurlijk met brio neer, ook al was het toen uitgerekend zijn allereerste dag op een filmset, maar vanwege mijn hoge onervarenheid heb ik die scene zo snel en slecht gedraaid dat velen ze zich wellicht niet meer herinneren.Als wiedergutmachung en met het oog op een groter stuk Josse in een volgend project sprak ik kort daarna met hem af voor een ochtendkoffie met croissant in een Brussels café. Tien uur, hadden we gezegd, en ever the gentleman zat hij al op mij te wachten toen ook ik daar even te vroeg aankwam. We praatten en we praatten en beslisten tegen de middag dat het geen kwaad zou kunnen om ergens een stukje te gaan eten. We verplaatsten ons naar de bovenstad, waar in die dagen nog een restaurant bestond dat De Serre heette en dat vele kwaliteiten had, waaronder de aanwezige spijzen en de drank, de glimlach van de gastvrouw en ook het feit dat het gewoon het enige restaurant was waar ik me ooit écht op mijn gemak gevoeld heb. Die dag lunchten wij er uitgebreid, en we bezondigden ons ook aan te veel pousse-cafés, en toen de zaak om drie uur weer dicht ging bleven wij gewoon zitten tot ze om zes uur weer openging. Toen gingen wij nog eens door het menu en namen we weer pousse-cafés en begonnen we stapsgewijs en navenant te lallen op volgens ons nog wel aanvaardbaar niveau.Op de terugweg naar de benedenstad overwogen we langs de Place Jourdan te passeren om daar nog een frietje te gaan steken Chez Antoine, maar we besloten toch maar te opteren voor een voorlaatste glas in het café waar we vele uren eerder aan onze odyssee begonnen waren.We hadden het die dag, zoals bijna altijd, vooral véél over vrouwen gehad en bij wijze van afscheid vatte ik de geziene stof samen tot de niet geheel onsterfelijke woorden : “Joske, eigenlijk zou ik graag een vrouw zijn!” Waarop de intussen beroemde acteur/auteur plechtig tot mij sprak : “Mij goed, Marquito, maar besef dan wel dat ge een héél lelijk wijf zou zijn!”Waarna ik richting Kanaal vertrok met de bedoeling mij erin te gooien. Omdat ik onderweg mijn voordeur tegenkwam besloot ik toch maar onder de wol te kruipen.Brussels by night: iemand zou er eens een film over moeten maken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234