Dinsdag 22/09/2020

Mes amis (part deux)

Molenbeek was ook toen al een no-gozone. Ik heb het nu over 1970 en ik heb het over mij. Mijn ouders hadden sinds de dag van Koning Boudewijns troonbeklimming domicilie gekozen in de veeleer groene buurt rond het Jubelpark. Toen ik jaren later aan het grote avontuur dat ‘het leven’ heet moest beginnen, ben ik - een rebel zonder kousen - gewoon drie straten verder gaan wonen. In de Toulousestraat, om precies te zijn.Een straat zonder geschiedenis of toekomst, die ik in mijn prille jeugd wel eens doorkruist had aan boord van Brussels enige trolleybus, lijn 54. Een logge machine, waar uit allerlei openingen voortdurend sulfer en damp leek los te breken en waarop ik mij, ik weet niet waarom, altijd een beetje in San Francisco of Chicago waande. Mythische plekken, waar ik toen redelijk vertrouwd mee was vanwege het voortdurend bekijken van een schijf in mijn vaders viewmaster, een nu redelijk zeldzaam geworden object waarmee wij prille babyboomers toen onze beeldhonger moesten stillen.Nu, tot vandaag de dag toe ben ik al vaker bewust in San Francisco en Chicago geweest dan in Molenbeek, en ken ik in beide Amerikaanse grootsteden ook zeer zeker beter mijn weg.Maar ik had het dus over 1970. Op een dag van dat jaar werd bij mij, rond de middag, scherp aangebeld. Op zich niet echt iets om over in de krant te schrijven, denkt u terecht, maar deze keer dus wel. Ik deed de deur open - waarop ik bij wijze van pseudoniem op de bel en de brievenbus de naam Marc Varkens had laten aanbrengen (ja, het waren dolle tijden!) - en daar stond de vrolijke dochter van een goede, wat oudere vriend van me, met aan haar hand hangend een wat slome, slecht geschoren en vooral schuchtere jongen die ze voorstelde als haar Raymond.Hij wilde later muzikant worden, zei hij, al was hij dat toen eigenlijk al. Hij zei verder niet zoveel, die hele middag, dronk af en toe wat van zijn thee, die ik getrokken had uit een zakje dat ik al twee keer eerder had gebruikt, omdat we toen behalve dom en gelukkig ook nog eens erg arm waren. Hij was met zijn smalle vingers door mijn schrale platencollectie gegaan en dat had wat goedkeurend gebrom met zich gebracht, maar ook de kritische vaststelling dat Randy Newman en Gram Parsons of Dillard & Clark, die hij toen al wel kende, er niet bij zaten.Toen Raymond en Eva - zo heette dat meisje, dat later ook het onderwerp van een mooi liedje zou worden - tegen dat het donker werd het pand verlieten, vertrouwde hij me licht mompelend toe dat hij het fijn zou vinden als ik binnenkort eens kwam kijken naar een optreden van Johan Verminnen, bij wie hij toen gitaar speelde. Het concert zou een week later plaatsvinden, in een achterstraat van Molenbeek, ver over het kanaal, waar ook toen dus nooit iemand kwam. Behalve ik dan, op die avond in 1970. Om Johan Verminnen, die overigens uitstekend was, te gaan beluisteren en bekijken, dacht ik, maar ik zag en bewonderde toch vooral zijn toenmalige sidekick Raymond van het Groenewoud, die vanuit mijn standpunt voor rechtsachter speelde en dat op een waarlijk spectaculaire manier deed.Half Pete Townshend, half Keith Richards, half Ray Davies, half John Lennon maar samen toch ook - zelfs ik weet dat dat rekenkundig niet kan kloppen, maar toch is het zo - ook voor de volle 100 percent Raymond van het Groenewoud.Het zat ’m in zijn hele houding, zijn aangeboren attitude, zijn lenige lichaamstaal, die toen al zei van: ‘Kijk, nu sta ik hier maar straks sta ik dáár.’ En met dáár’ bedoelde hij ontegensprekelijk het centrum van het podium, waar hij 40 jaar later nog altijd staat, een keer of drie per week. En in gedachten gaan iedere avond nog alle jongens met zijn ‘Bleke Lena’ mee.Kort daarop werden we vrienden, en ik ben blij en trots dat ik mag zeggen dat we dat nog altijd zijn. Alleen is hij een veel trouwere vriend dan ik. Bovendien heeft hij me nog nooit iets gevraagd (tenzij, als hij toevallig eens door mijn straat loopt, of hij aub mijn wc mag gebruiken), terwijl ik hém in al die tijd al een keer of drie lastiggevallen heb met mijn hersenspinsels.Zo herinner ik goed dat ik op de dag waarop ik in de voormiddag de Rock Rally had uitgevonden na schafttijd niet goed wist wat gedaan en dus maar een toneelstuk schreef. Het heette Verschrikkelijk verstandig en was niet echt een hoogtepunt van de dramatische literatuur. Ik durf met enig historisch recul zelfs te zeggen dat het een van de slechtste stukken was uit de hele geschiedenis van het westelijke halfrond. Maar er waren toch ook een paar lichtpunten aan verbonden. De affiche bijvoorbeeld, die ontworpen was door Ever Meulen, gaf blijk van veel talent en dito goede smaak. De acteurs, onder wie de prille Luk De Koninck en het jonge veulen Marleen Merckx, zetten hun beider allerbeste benen voor en ook het hoofdpersonage werd op kinderlijk ontroerende wijze, avond na avond, neergezet door Raymond van het Groenewoud.Hij had zijn toen al heel erg goed lopende carrière gewoon even ‘on hold’ gezet om mij ter wille te zijn. Vijf jaar later deed hij dat weer, om de filmmuziek bij mijn eerste film te componeren, en nog vijf jaar later alweer, toen hij mijn derde, Sailors Don’t Cry zijn fraaie titelsong schonk.Ik vond dat altijd maar normaal en ik denk niet dat ik hem er ooit, zeker niet in de juiste bewoordingen, dank voor heb gezegd.Misschien moet ik dat nu maar eens doen, en dan in druk.Waar zo’n gazet allemaal goed voor is, bedenk ik dan, terwijl ik de aardappelen begin te schillen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234