Zaterdag 16/01/2021

'Mensen met principeszijn mensen met krukken'

'Ik heb jaren gedacht dat je als acteur nooit ergens gaat aankloppen. Nu denk ik dat mensen die een productie maken misschien blij zijn dat jij als acteur zegt: potverdomme, wat jij maakt, vind ik heel tof, als het zo uitkomt, wil ik graag meedoen''Eigenlijk wou ik het liefst de stempel cabaretier krijgen, maar dat lukte niet. Dat was het moeilijkst, beseffen dat ik niet het talent had om de mensen naar huis te laten gaan met de indruk: we hebben gelachen, maar het was wel clever'

Betty Mellaerts praat met Johny Voners

Foto's Tim Dirven

Het is vroege herfst. Op weg naar een try-out laat ik me vertellen dat er weinig covers bestaan van de nummers van Aznavour omdat ze zo moeilijk te zingen zijn, maar dat is wat Johny Voners die avond wil uitproberen. In alle eenvoud begint hij aan 'Dis-moi que tu m'aimes'. De gedreven oprechtheid, de stem, de zegging, dit komt van heel diep.

'Onzekerheid heeft me tweeëndertig jaar doen wachten om met Aznavour te beginnen. Angst dat 'men' zou zeggen: je moet toch nogal pretentie hebben om die liedjes te willen zingen. Ik heb zoveel respect voor Aznavour dat ik dat natuurlijk zelf denk. Mijlen ligt hij op mij voorop. Hij heeft de nummers geschreven, hij is een zeer grote tekstschrijver. Geen poëet, vind ik, omdat hij geen metaforen gebruikt, hij is heel concreet. Hij schrijft een uitzonderlijke taal, heeft het Frans uitgedragen in de wereld. Al vijftig jaar spreekt hij op duizend manieren over dé liefde, maar hij is nooit banaal. Hij zingt ook ontegensprekelijk beter dan ik, anders was ik nu wereldberoemd en speelde hij mee in De Kampioenen. Dat kan ik allemaal zeggen, maar ook: ik interpreteer misschien wel beter. Aznavour is een zakenman die heel goed weet welke snaar hij moet bespelen waarvoor anderen in katzwijm vallen, ik ben als mens 'echter', denk ik. Gisteravond zong ik in het piepkleine theatertje van Leen Persijn. Na afloop kwam een mevrouw naar mij toe. Ze sprak me aan in het Frans en zei: 'Vous avez les mêmes yeux de biche que Aznavour, mais vous êtes beaucoup plus chaleureux.' Eigenlijk was dat een enorm compliment.

"Echt zijn heeft niks te maken met de 'naturel' van de acteur want dat betekent niet zoveel. Natuurlijk doen is ersatz. Echt zijn gaat veel verder en dieper. Ik probeer het nu al een aantal jaren bewust te zijn. Dat is gekomen door een regie van Warre Borgmans. Hij heeft het stof van mijn schouders geblazen en ik heb me daar gretig aan overgegeven. Negen weken hadden we gerepeteerd en negen weken heb ik er niets van begrepen. Ik was altijd wel met mijn rol en het stuk bezig, heel cerebraal, maar emotioneel werkte het niet. Warre zei: niet liegen, uzelf zijn. Hoe moest ik de rol spelen van iemand anders en tegelijk mezelf zijn? Door Warre ben ik gaan beseffen dat je maar één kop hebt, twee handen, twee voeten en je eigen manier van reageren en praten. Daar moet je het eigenlijk mee doen. Als je probeert een pastoor te imiteren, ben je bezig met reconstrueren. Uiteindelijk bestaat een personage niet. Het is geschreven door iemand en die schrijver maakt fouten. Niemand kan een mens op papier zetten. Je wilt een logica in een personage brengen, maar zo is het leven niet. Mensen met principes zijn mensen met krukken. Je kunt heel erg veranderen door iemand die je ontmoet, niemand is altijd rechtlijnig. Zo begin ik toneelspelen nu te bekijken.

"Het was heel pijnlijk om dat op mijn 52ste pas te ontdekken. Ik was de oudste van de groep en ik zei tegen mijn jongere collega's: ik kan het niet, ik moet van nul opnieuw beginnen. En toch voelde ik hun respect, terwijl ik me zo klein voelde. Ik stond verbaasd hoe jonge mensen in stilte naar me opkeken en blij waren dat ze met mij iets mochten doen. Waarschijnlijk was dat de ideale balans: hun gevoel tegenover het mijne, dat klikte in elkaar. Ik vond het fantastisch dat ik me zo diep kon laten gaan.

"In De Kampioenen hebben we gedurende al die jaren een bepaalde stijl ontwikkeld. Die kan ik niet verbreken, maar ik kan niet meer dé komiek zijn. Duizenden mensen heb ik doen lachen met stukken waarin je de deur tegen je neus krijgt of schrikt van het personage dat toevallig een bril en een pruik op had en dat eigenlijk je eigen vrouw is, maar je had het niet gezien zogezegd. Daarin kan ik niet meer geloven. Dat is ouder worden, rijper, bezadigder. Ik heb er geen spijt van en omdat ik het niet meer kan opbrengen vind ik het genre daarom niet minderwaardig, maar die stommiteiten zie ik mij op mijn leeftijd niet meer doen."

"In 1964 ben ik voor het eerst naar Aznavour gaan kijken, in de Ancienne Belgique in Brussel. De hele avond heb ik op een leuning moeten staan met een paal in mijn armen want ik had geen zitplaats. Toen viel mij zijn intensiteit op, wat ik nu niet meer terugvind, hij beschouwt het optreden meer als: ik ga werken. Denk ik, want zo goed weet ik het allemaal niet. Omdat ik mijn lagere school in het Frans heb gedaan, begreep ik alles wat hij zong. Het ging over graag zien en graag gezien worden. 'Avant Aznavour, le désespoir était impopulaire', zei Jean Cocteau. Dat was het voor mij. Ik leefde met de wanhoop dat ik nooit een vrouw zou kunnen krijgen omdat ik vond dat ik er niet goed uitzag en niet interessant genoeg was. Ik wou ze lokken met andere dingen, hen laten lachen. Dus sta je altijd de zot uit te hangen en praat je niet over je verdriet. Dat is wat ik me herinner van het jongetje van twaalf, vijftien, zelfs achttien jaar dat ik was.

"Eigenlijk ben ik daar nog niet zo lang anders in geworden, maar nu kan ik al eens een hele dag niets zeggen. Ik durf ook tonen dat ik een serieuze droogstoppel kan zijn. Als je de anderen alleen maar met humor op je hand wilt krijgen omdat je binnenin een verdrietige natuur hebt, ben je thuis niet spraakzaam. Dat vond ik voor Janine niet meer te doen, ze wist te weinig van mij. Ik ben in therapie gegaan om te leren hoe ik moet tonen wat er in mij omgaat en om niet alles op te lossen met humor. Zwijgzame mensen hebben het gevoel dat de anderen hen niet moeten hebben. Ik heb ingezien dat de anderen dat ook over jou denken: hij wil met ons niets te maken hebben, ga er niet naartoe want hij heeft het niet graag. Dat versterkt alleen maar het gevoel dat niemand je wil hebben. Ik besefte dat ik naar de andere toe moet stappen om hem te vragen: 'Hoe is het? Tof dat ik je zie, ben je gelukkig of scheelt er iets?' Zo creëer je een opening en begint de andere te babbelen. Meer is het niet.

"Zo heb ik ook jaren gedacht dat je als acteur nooit ergens gaat aankloppen. Dat doe je niet, bedelen voor werk. Nu denk ik dat mensen die een productie maken, de schrijver, regisseur, producer, misschien heel blij zijn dat jij als acteur zegt: potverdomme wat jij maakt, vind ik heel tof, als het zo uitkomt, wil ik graag meedoen. Je toont interesse voor hun werk en laat weten: ik wil erbij horen. Daar gaat het tenslotte om. Terwijl ik altijd dacht dat ik ze moest doen lachen tot ze erbij omvielen. Ik had niets anders. Ik had niet leren communiceren. In mijn tijd zeiden vaders niet: jongen, ik zit in de put. En waarom zou je dat niet kunnen zeggen? Zo toon je je aan je kind."

"Ik ken mijn vader door hoe hij met anderen omging. Daardoor zag ik wat een toffe, fijne man hij was. Tegenover mij was hij gesloten. Een werkmens. Niet filosofisch aangelegd, maar een echte zwanzer. Hij was slachter en beenhouwer en als kind stond ik in de vakantieperiodes om vier uur met hem op om met de camion koeien uit de wei halen en naar Sint-Truiden, Ciney of Anderlecht naar de beestenmarkt te brengen. Op andere dagen van de week vervoerde hij vlees naar de beenhouwerijen. Dat wereldje is heel apart. Laat mij het zeggen zoals het is: die lachen om een stront, één grote zwanspartij. Wij woonden in Tienen in de Slachthuisstraat, tegenover Racing Tienen, en vijftig meter verderop was het café van mijn grootvader. 's Zondags vielen daar de supporters binnen, ook een heel aparte sfeer. Als mijn vader binnenkwam, moest iedereen lachen. Ik vond dat fijn. Van meet af aan voelde ik de manier van mijn vader om overal welkom te zijn heel goed aan, en om ook graag gezien te worden, kende ik maar één middel: anderen doen lachen. Dat is de basis waarom ik op een scène sta: zie mij graag. Daar is het applaus een surrogaat voor.

"Bij mijn vader kon ik op een goed blaadje staan als ik hem imiteerde. Mijn moeder stimuleerde mij in het 'verkleden' en liet me op familiefeestjes als vrouw de French cancan dansen. Ze had liever een meisje gehad. Ik had krulletjes en op foto's sta ik met bijna-meisjeskleren. Ik was eigenlijk wel een beetje een meisje, denk ik soms.

"Er is zoveel geweest dat ik wou zijn. In de eerste plaats clown, dat heeft lang stand gehouden. Grock, een Zwitser, was de koning van de clowns, zei men. Van hem had ik een tekenverhaal. Hoe hij als kind begon met handstand op twee stoelen die ongelijk op elkaar gestapeld stonden. Ik deed dat allemaal na. In Tienen ging ik naar het circus voor de Gentse clown Pietro, die een onwaarschijnlijke uitstraling had. Als hij nog maar in de piste verscheen, bestierf mijn vader het al. Dan had hij nog niks gedaan. Ik vond dat zo geweldig. Begin jaren negentig ben ik hem gaan zoeken, Pierre Demeyer heette hij. Ik heb zijn zoon gevonden, hij was intussen overleden. Ik wou hem zeggen: meneer, u bent het, en niemand anders, die aan de basis ligt van het feit dat ik nu Xavier ben in De Kampioenen.

"Daarna wou ik de Woodpeckers zijn, een tenor, klassieke pianist, dirigent, toen ik vijftien was Aznavour en vier jaar later Toon Hermans. Hij was een openbaring omdat hij in één show babbelde, zong, van alles nadeed. Dat vond ik geweldig. Ik ging naar het cabaret, Malingenkolder, Mam'sel, maar ik kon ik niet zijn omdat ik teksten zei en zong van anderen. Dat ik geen zanger zou worden, had ik toen al besloten. Het is mijn eeuwigdurende frustratie: ik kan het niet zelf schrijven. Wat er in mij omgaat, is niet interessant genoeg voor de anderen. Ik ben te ongedurig, heb het gevoel dat ik niets goed genoeg doe. En terwijl ik aan iets bezig ben, denk ik al aan wat ik straks zou kunnen doen om het de andere in mijn omgeving zo aangenaam mogelijk te maken. Heel diep in mij wil ik te veel constant mijn best doen, aan de ander tonen: ik ben bezig, hoor. Alsof je niet rustig aan een tafel zou mogen zitten en schrijven.

"Het altijd goed willen doen, heb ik van mijn moeder. Zij wou dat ook, waardoor ze verschrikkelijk zenuwachtig was. Ze geeft haar leven voor mij, dat weet ik heel zeker en ze was constant bezig voor mij, maar dat is verstikkend.

"Als mijn vader thuis was, sliep hij, want hij was moe van het vroege opstaan. Van een vader zag je destijds pijpenrook omhoog kringelen achter een krant. Het was de man die in het donker ging kijken of er geen onraad was. Mijn vader werkte keihard, heeft nog een winkel gehad van messen en koelkasten, verkocht op een bepaald moment ook vloeibare zeep. Daar moest hij facturen voor maken, maar paperassen gingen hem niet af. Dat was voor mij ook zo. School, studeren, het lag mij absoluut niet. Ik had goede punten voor opstel en voordracht, had veel aandacht voor taal, maar al de rest mislukte. Ik had er geen zin in, ik studeerde niet graag. Maar over hun gevoelens praten, dat deden die mensen niet.

"Intussen is mijn vader gestorven. Ik heb een flamencogitarist naar het crematorium laten komen omdat hij zo graag naar de zon ging en er maar een keer naartoe is gereisd. De gitarist heeft heel subtiel gespeeld en ik heb naast de kist moppen staan tappen die mijn vader altijd vertelde, hoe flauw ik sommige ook vond. Zwanzen ter afscheid. Hij is nu nergens, denk ik. Voor mij is er niks na de dood. Maar nu je die vraag zo stelt, hoop ik, voor de eerste keer, dat hij toch nog ergens is."

'Langs moederskant waren we foorreizigers en we hadden een vijftal jaar autoscooters. Dus moest ik een tijdje op internaat en in het weekend reed mijn grootvader mij dan naar 'de kermis', waar mijn ouders waren. Dat was enorm. In de vakantie reden we in colonne naar een stad om er alles op te stellen. Dat aankomen op die grote markt of het plein en al die mensen die komen kijken alsof je zigeuners bent, het zoeken naar elektriciteit en water, dan voelde ik me altijd geweldig. Ik had werkkledij aan, zoals de anderen, en iedereen kon zien hoe ik erbij hoorde. De vloer van de scooters was een legering van lood op een planken geraamte en woog ook als lood. Ik mocht mee dragen, hard geholpen door mijn vader en oom, maar al die gasten en meisjes die aan de kant stonden te kijken, zag je denken: amai, dat is een sterke. De kermis ging open en dan was je mooi gekleed. Een hemd met in de hals een zwart touw met een metalen sluitstuk op je borst, een kokarde. Het was de tijd van Frankie Avalon, Paul Anka, Elvis Presley, de haren gekamd in het eendengat, achteraan samen komend in één streep.

"De grootste attractie voor mij was tussen die autootjes lopen om de kaartjes op te halen, want jetons bestonden nog niet. We droegen zwarte lederen, hoge bokserspantoffels om onze voeten te beschermen. Dan sprong je achter op de rijdende auto en moest je goed weten hoe je je moest houden terwijl ze botsten of je lag met je kop tussen de benen van de bestuurder, of bestuurster. Ze uit de hoek halen waar ze zich hadden vast gereden, vooral de meisjes. 'Voet van de pedaal', het stuur overnemen. Dat was prachtig.

"Intussen luisterde ik familie- en schoolfeesten op, speelde clown, stond in het cabaret. Ik begon net op te treden in zalen. Op een keer stonden we in Aarschot op de kermis. Jules Nijs, de eerste impresario van Rocco Granata, baatte er De Witte Molen uit. Mijn vader ging met zijn rechterhand, René Ingelberts, praten. Hij zei: laat uwe kleine eens komen en hij trok met mij naar Nand Buyl, die met Schipper naast Mathilde op tournee was door Vlaanderen. Ik zou Nand mijn kunsten tonen in café De Waltra, rechtover de KVS. Ik liet een imitatie zien van Georges Ulmer, een Deen die in Frankrijk woonde. Op de Nederlandse televisie had ik zijn komisch nummer gezien over hoe mannen van verschillende nationaliteit reageren als ze hun portefeuille niet blijken bij te hebben op restaurant. Nand Buyl, die even gesloten is als mijn vader, zei kort: 'Ja, er zit wat in die kleine, laat hem naar het conservatorium komen.' In 1964 ben ik begonnen. Eén keer heb ik meegedaan aan het examen en ik had mijn eerste prijs. Dat vind ik fantastisch, maar Jean-Paul Belmondo is op het conservatorium van Parijs buiten gegooid omdat hij geen talent had. Wat is het waard?"

"De jaren zestig zijn over mij heen gegaan, daar was ik niet rijp voor. Ik was met mezelf bezig. Tienen was een provinciestadje. The Beatles waren er doorgedrongen, maar verder was er niet veel te beleven. Ik ging naar Brussel, ik was student aan de Conservatoire Royal d'Art Dramatique Flamand de Bruxelles. In mijn achterhoofd voelde ik me toch verheven. Ik zag mezelf al op televisie, in het theater, in Hollywood. Brussel gaf me het gevoel van heel ver te komen. Alsof ik nu naar New York zou gaan, een wereldstad. Jaren later ben ik met Janine naar Parijs gegaan, na een paar uur zijn we er weer vertrokken. Ik ben bang in een grote stad. Ik heb er het gevoel helemaal alleen te zijn, nummer 12.766.725. Als ik wolkenkrabbers zie, al die glazen ramen, denk ik: ik kan hier niemand aanspreken, ik hoor niet bij hen, ze willen me niet. In de grootstad ben ik Mister Nobody en dat zegt ook iets over mijzelf. Dus kende ik in Brussel alleen de weg van het station naar het conservatorium, maar daar stapte ik een trapje hoger. Tot dan was ik een fantaisist geweest. Ik deed van alles maar zonder veel inhoud. Een acteur was edeler en ik had toch te maken met Nand Buyl. De schipper. Een vedette. Nand ging de hoofdrol spelen in Axel Nort en hij vroeg mij als Dirk Talboom, een gast die altijd achter Nort aanliep. Ik mocht met hem spelen in een feuilleton! Ik reed met de trein naar Brussel, nam daar de tram tot aan de Ninoofsesteenweg in Dilbeek, waar Nand woonde, en wachtte op de hoek van de straat tot mijn leraar buitenkwam, onberispelijk glad geschoren, zo proper, tiré à quatre épingles zoals ze in het Frans zeggen, en hij rook altijd zo lekker. Ik gebruik ook nog altijd dingen om lekker te ruiken, dat is me zo bijgebleven. Dan stapte ik met hem in de auto; hij had toen een Ford Taunus. Hij was zwijgzaam hoor. Maar naast hem zitten, samen gaan filmen... Ik was in Hollywood. Af en toe vroeg ik op mijn sloefen iets aan hem. Hij antwoordde kort. Maar hij hield van mij. Heel veel. Hij zag in mij een beetje zijn opvolger. Hij heeft op mij ook een hele zware stempel gedrukt. En nu ik alles zo op een rijtje zet, krijg ik het gevoel dat ik altijd maar iemand anders wou zijn, maar nooit mezelf. Door te doen alsof ik iemand anders was die al iets betekende, kreeg ik zijn allure.

"Onder de vleugels van Nand speelde ik in hetzelfde theater. Ik had een veilig gevoel: hij zal wel voor mij zorgen, een oogje in het zeil houden. Ik heb met volle inzet gerepeteerd en gespeeld. Ik was een vinnige acteur, maar theater spelen was niet echt wat ik gekozen had, het was toeval. Ik wou een allround artiest zijn. De theaterdirectie koos mij uit voor komische rollen. Ik geef toe dat ik meer te kennen had moeten geven: eigenlijk hou ik daar niet zo van, maar toen had ik dat niet door. Ik wou succes hebben, daarvoor was ik acteur geworden, maar ik heb een tweedelig karakter. Sommigen moeten zelfstandig zijn, kunnen niet werken onder toezicht en gezag of ze gaan van binnen kapot. Anderen moeten iedere maand hun loon hebben en duidelijk weten wat ze moeten doen. Dat zijn twee fundamenteel verschillende mensen. Ik heb de twee. Theater en televisie. Het zekere voor het onzekere, waardoor alles voort blijft kabbelen. Ik ben niet spectaculair mijn eigen weg gegaan. Ik ben ook jaren een jaknikker geweest, geen moeilijke, weet je. Ze vragen mij om een drol te spelen en dan doe ik dat maar, ik heb mijn loon. En om niet opstandig te zijn, zal ik daarbuiten mijn ding wel doen. Dat ben ik.

"Het heeft me een breed palet opgeleverd, ik kan veel in mijn vak, maar ik heb geen bewuste keuzes gemaakt, ben geen duidelijke richting ingeslagen. Capiau en Urbanus waren duidelijk. Voners, wat is dat? Eigenlijk wou ik het liefst de stempel cabaretier krijgen, maar dat lukte niet. Dat was het moeilijkst, beseffen dat ik niet het talent had om de mensen naar huis te laten gaan met de indruk: we hebben gelachen, maar het was wel clever. Verrassend zijn, verfrissend, fantasierijk. Het is nooit gelukt. Dat verwerk je door maar te blijven aanmodderen en te zoeken naar de momenten waarop men zegt: nu was je goed! Ik ben ook vaak bejubeld maar in mijn achterhoofd zat altijd: ja, maar ik heb het niet geschreven of bedacht, ik ben geen intellectueel en ik zou het zo graag zijn. Waarom hoor ik er niet bij? Dat was de vraag. Het is misschien vulgariserend gezegd, maar volgens mij ben je een intellectueel vanaf het moment dat je nadenkt over de existentiële vragen. Ik kan misschien niet zulke verschrikkelijk cerebrale gesprekken voeren, maar ik ben toch veel met de wereld bezig.

"Ik heb het aanvaard, maar begin nu weer te twijfelen. Waarom lees ik niet? Waarom die onrust? Omdat ik nog zoveel te doen heb, druk bezig ben met scoren, met mijn best doen voor de anderen. Het gaat al veel beter. Ik kan ook al eens zitten of slapen en niets doen, maar helemaal veranderen zal ik niet."

'Vandaag denk ik: mijn leven is in de plooi gevallen. 2000 is mijn geluksjaar geweest. Aan het begin ervan vroeg ik aan mezelf: zeg binnen de seconde wat je dit jaar het allerliefste zou willen doen. Het antwoord kwam automatisch: met een pianist liedjes zingen van Aznavour, al is het voor drie of vijf man. Dat was het, zonder twijfel. Ik heb het gedaan en nu bloeit het programma stilaan open. Het zingen maakt me gelukkig. Bovendien heeft het toeval gewild dat Roger van Ransbeek een theaterprogramma heeft geschreven voor Janine en mij dat ons past als een handschoen. Psst! ... Bischops vs Voners, een non-stopbabbel met het publiek. De mensen rollen niet onder de stoel van het lachen, het is niet plat of vulgair, maar menselijk. Ik wil emotie doorgeven, het publiek ontroeren en ja, ook doen lachen. En eindelijk sta ik na jaren in de coulissen Janine te bewonderen, ik ga er niet weg, kijk naar haar en denk: zie ze godverdomme twintig minuten met het publiek bezig zijn. De voorbije jaren had ik altijd het gevoel dat ze niet geloofde in wat wij samen zouden kunnen doen omdat onze stukken vis noch vlees waren, niet echt cabaret, niet echt een ontspanningsprogramma. Eigenlijk is het nooit voor honderd procent gelukt. Nu staan we op de planken en komen de mensen na afloop zeggen dat ze een fijne avond gehad hebben. Dat is jaren geleden.

"Dat we beiden acteur waren, is een handicap geweest omdat ik Janine jarenlang wou helpen. Ik stond haar met raad en daad bij waardoor ik haar verstikte. Dat ben ik ook maar de laatste jaren gaan inzien. Als Janine nu een potje jam uit de koelkast pakt, zeg ik niet meer: wil ik het opendoen, schat? Ze zal het zelf wel doen en als het niet lukt, zal ze mij wel vragen om een handje toe te steken. In het verleden was ze heel dikwijls kwaad op mij, zei: jij kunt altijd alles beter en ik kan niks, behalve als je er niet bij bent. En ze had gelijk. Mijn frank is gevallen door een Turk die naast mij woonde en drie jaar was toen ik hem leerde kennen. Op een dag kwam hij bij mij zitten aan de voordeur. Hij had sportschoenen aan met drie sluitingen in klittenband die je door een gleuf moet steken en dichtklappen. Die kleine van drie jaar heeft gewerkt als een paard om de zes sluitingen dicht te krijgen, je hoorde het aan zijn ademhaling. Vanuit zijn ooghoeken keek hij of ik het wel allemaal zag. Maar ik heb hem niet geholpen, alleen maar gekeken. Toen zijn schoenen dicht waren, had hij de borst van een gorilla gekregen: die oude meneer heeft me niet geholpen, en hij liep de straat op om te gaan spelen. Ik dacht: zo moet ik dat met Janine doen. En met iedereen. Ik neem de anderen te veel de verantwoordelijkheid uit handen zogezegd om hen te helpen maar eigenlijk zeg ik: jij bent te stom om te helpen donderen. Dàt is de vertaling."

Aznavoners van 20 december 2000 tot 6 januari 2001 in de Zwarte Zaal van het Fakkelteater in Antwerpen. Telefoon: 03/232.14.69.

Psst! ... Bischops vs Voners vervolgt vanaf 20 januari zijn tournee door Vlaanderen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234