Zaterdag 26/11/2022

'Men wordt niet graag verlost door buitenlanders'

De sjiitische wieg van Fouad Ajami stond dan wel in Libanon, hij noemt zichzelf 'een buitenlander in de Arabische wereld'. Sinds hij de invasie in Irak 'nobel' noemde, ontbiedt president Bush hem regelmatig als hij advies nodig heeft. Het nieuwste boek van de 'cheerleader van de regering-Bush' is een verslag van zes reizen naar Irak na de val van Saddam Hoessein.

Door Jeroen Schuiten

Enkele weken voor de invasie in Irak citeerde Dick Cheney een gerespecteerde Arabische autoriteit. "De Midden-Oostendeskundige professor Fouad Ajami voorspelt dat de straten van Basra en Bagdad na de bevrijding in vreugde zullen uitbarsten", pronkte de Amerikaanse vicepresident. Het getuigt van moed om de invasie in het hart van het Midden-Oosten nog altijd als 'nobel' te omschrijven, zoals de professor aan de Johns Hopkinsuniversiteit in Washington doet. Zeker nu Amerikaanse soldaten een vierde hete zomer in Irak doorbrengen, de legertop een burgeroorlog vreest en een meerderheid van het thuisfront de oorlog het vechten niet meer waard vindt.

Maar Fouad Ajami heeft zijn mening nooit onder stoelen of banken gestoken. In de ogen van de Midden-Oostenkenner bood de invasie van de Amerikaanse supermacht een uitweg uit de eeuwenoude verboden, tekortkomingen en fobieën die de regio in hun greep hadden. Een overtuiging waarmee Ajami algauw het luisterende oor van president Bush vond. Ook Condoleezza Rice ontbiedt de man met enige regelmaat naar haar ministerie van Buitenlandse Zaken voor advies.

Fouad Ajami is zeker geen kamergeleerde. Zijn nieuwste boek, The Foreigner's Gift. The Americans, the Arabs, and the Iraqis in Iraq, biedt een mooi geschreven reisverslag van zes bezoeken aan Irak na de val van Saddam. Hij portretteert de wisselende stemmingen, de hoop, de angsten en de desillusies onder Irakezen en beschrijft een onverwachts bezoek aan ayatollah Ali al-Sistani. Bovenal hekelt Ajami de Arabische intelligentsia en de leiders in de regio, die het Amerikaanse geschenk, de omverwerping van een dictator, niet wilden ontvangen en de kans op een nieuwe start aan zich voorbij lieten gaan.

Ajami's sjiitische wieg stond in het zuiden van Libanon in het dorp Arnoun, tegenwoordig een broeinest voor de Hezbollah. Hij groeide op in Beiroet, maar zocht net als vele tijdgenoten zijn professionele heil in de VS. Naar eigen zeggen is hij er "een vreemdeling in de Arabische wereld" door geworden.

Het boek schildert zijn haat-liefdeverhouding met het Midden-Oosten. Arabieren omschrijft hij als "cynisch", "vol valse trots", "stikkend in hun eigen woede" en "verknocht aan een slachtofferrol". Gedrag dat in zijn ogen door hun leiders versterkt wordt. Met de nodige wanhoop concludeert Ajami dat het van hen zal afhangen of "deze nobele oorlog" tot een "nobel succes of nobel falen" zal leiden.

The Foreigner's Gift begint en eindigt met het gedicht 'The Song of Rain' van Badr Shakir Sayyab. Wat vertelt dat gedicht over uw boek?

Fouad Ajami: "Als je Irakezen vraagt wie hun favoriete dichter of wat hun favoriete gedicht is, dan noemen ze 'The Song of Rain'. Het belichaamt het gevoel in Irak dat de belofte van voorspoed, van een normaal leven, slechts een dag verwijderd is. In dit geval kwam de verlossing vanuit Amerika. Het 'cadeau van de vreemdeling' was de omverwerping van het regime van Saddam. Maar mensen worden niet graag verlost door buitenlanders."

U omschrijft uzelf als een man van 11 september die in de oorlog in Irak verstrikt raakte.

"Ik werkte aan een boek over de aanslagplegers van 11 september. Mijn obsessie was Al-Zawari, Al Qaida's tweede man. Als jonge man werd hij ooit na de aanslag op Anwar Sadat gearresteerd door de Egyptische politie. Ik heb alle politieverslagen van zijn verhoor bemachtigd. Al-Zawari was in mijn ogen een symbolische figuur, een man uit de Egyptische aristocratie, die streed tegen de autocratie van Hosni Moebarak. Ik was ervan overtuigd dat de woede van de jongens van 11 september niet zozeer tegen de VS gericht was, maar tegen hun eigen leiders die zij zagen als marionetten van Amerika.

"Toen we Irak binnenvielen, verplaatste mijn aandacht. Ik kon iets doen wat westerse en Amerikaanse schrijvers niet konden. Zij hadden geen toegang tot ayatollah Ali al-Sistani, konden niet naar Najaf of de gedenkplaats van Iman Ali. Ik sprak de taal, kende de cultuur en begreep waar een dichter als Sayyab vandaan kwam. Vandaar dit boek."

Het boek is een kroniek van de oorlog, maar volgt vooral Irakezen. U bezoekt het land regelmatig. Hoe gaat het met hen?

"In het boek citeer ik een vrouw die zei: 'Onder Saddam leefden we in een grote gevangenis, nu leven we in de wildernis.' Ze voegde eraan toe: 'Ik leef liever in de wildernis.' Hoe gaat het met de Irakezen? We weten voorlopig alleen dat ze de Saddamgevangenis verlaten hebben."

U lijkt ervan overtuigd dat Irakezen voorbij het huidige geweld kijken en daar een divers politiek landschap met een verkozen parlement zien. Arabieren in de regio zouden daarom jaloers naar Irak kijken. Wie dagelijks de verschrikkelijke beelden uit Bagdad op tv ziet, moet uw waarneming wel in twijfel trekken.

"Onlangs sprak ik mijn goede vriend Ahmed Chalabi en citeerde ik een uitspraak van de burgemeester van Bagdad uit 2005: 'Leiders in de regio zijn nerveus, het volk in de regio is jaloers.' Ook ik vroeg Chalabi: 'Denk je nog altijd dat Arabieren met jaloezie naar Irak kijken, naar de autobommen, het geweld en de sektarische spanningen tussen soennieten en sjiieten?' Persoonlijk vind ik het nog altijd een nobele oorlog. Maar ik denk dat niemand nog jaloers is. Is er de belofte voor een betere Iraakse toekomst? Ik geloof het wel.

"Tijdens mijn laatste bezoek verbleef ik in de groene zone in Bagdad bij viceminister-president Barham Salih, een in het Westen opgeleide Koerd. Hij bespeurde mijn behoefte aan bemoediging. Salih zei: 'Ondanks het geweld om ons heen wordt iets fatsoenlijks geboren in Irak. Het groeit, ondanks een vijandige Arabische regio die Irak liever ziet falen en elk mogelijk obstakel op de weg gooit. Het land is met geweld doorweekt, maar we hebben een parlement, een vrije pers en een levendig politiek klimaat. Wij zijn hier wat aan het opbouwen.'

"Moeten Arabieren buiten Irak daar jaloers op zijn? Ik zou Egypte en Irak met elkaar willen vergelijken. Als je vandaag in Caïro een taxi van het vliegveld naar het Sheratonhotel neemt, dan is dat een vredig ritje. Je hoeft niet bang te zijn voor een ontvoering of een bom langs de weg. Maar als je mij vraagt welk land de grootste kans maakt om de Arabische autocratische traditie achter zich te laten en te ruiken aan pluralistische politiek, dan zet ik mijn geld op Irak. Moebarak heeft het leven in Egypte vergiftigd. Ik verkies de chaos en belofte van Irak boven de verschrikkelijke stabiliteit van Egypte."

U noemt de oorlog in Irak 'nobel'. Maar zoals u al aangeeft in uw boek: 'De rechtvaardigheid van een zaak is geen garantie voor een succesvolle afloop.'

"Kijk, iedereen rent momenteel hard weg van deze oorlog. Zelfs aanvankelijke voorstanders. Deze oorlog kwelde mij vanaf het begin, maar ik loop er niet van weg. Mijn adoptieland, de VS, trok ten oorlog en ik volgde in de strijd. Nogmaals, ik denk dat het een nobele oorlog is. We weten niet of het een nobel succes of een nobel fiasco wordt."

De VS hoeven zich tegenover de Arabische wereld niet te verontschuldigen voor de invasie?

"Amerika hoeft zich nergens voor te verontschuldigen in de Arabische wereld. Kijk naar de staat van dienst van de Arabische Liga, kijk naar de morele medeplichtigheid van Arabische staten ten tijde van de terreur van Saddam, naar de stilte in de Arabische wereld toen Saddam de sjiieten en Koerden bruut onderdrukte. De staat van dienst van de Arabische intellectuele en politieke elite tegenover Irak is absoluut verschrikkelijk. Zij hebben de pijn nooit gedeeld. Terwijl de dictator massagraven in Zuid-Irak volgooide, riepen Palestijnen Saddam uit tot een bevrijder. Geloof me, de Iraakse woede jegens de Arabische wereld is grenzeloos.

"Ik ben erg patriottistisch en een dankbaar Amerikaans burger. Ik sta achter de aannames van deze regering en geloof niet in schuldgevoel. Wat hebben we de Arabieren aangedaan, waarom hebben we hen zo teleurgesteld en waarom haten ze ons zo? Je kunt daar op twee manieren naar kijken. Wat is er mis met ons, of wat is er mis met hen? Ik hang de tweede leerschool aan."

Uw mening wordt in het Witte Huis op prijs gesteld. Het is algemeen bekend dat president Bush zijn oor maar bij een select gezelschap te luister legt. Wat kunt u over die ontmoetingen vertellen?

"Ik zal vertellen waarom 'de machtigen' je laten opdraven. Mensen in de regering willen meer weten over mannen als Al-Sistani, Hamoudi en Chalabi. Zij zijn zich ervan bewust dat hun kennis over die wereld niet adequaat is. Ik heb de president ontmoet, heb regelmatig contact met vicepresident Cheney en met Condoleezza Rice.

"Maar maak je geen illusies. Zij laten je alleen toe tot hun wereld als ze een vermoeden hebben dat je welwillend tegenover hen staat. Geen enkele president, of het nu Clinton of Bush is, verspeelt tijd met iemand die het volledig oneens is met zijn beleid. Deze regering weet dat ik hen steun, de oorlog tegen het terrorisme steun en dat ik me geen zorgen maak over de behandeling van gevangenen in Guantánamo. Amerika's veiligheid is mijn zorg."

U wordt regelmatig als een 'cheerleader' van de huidige regering neergezet. Uw pro-Israëlhouding heeft u al de bijnaam 'Rabbi Ajami' opgeleverd.

"Mijn zonde is dat ik Israël als een gewone staat in de regio zie. Ik gun het land bestaansrecht en gebruik het niet als een excuus voor elke plaag onder de zon. Laten we eerlijk zijn, de Arabische wereld gebruikt Israël als een fantastisch alibi voor alles wat er mis is in dat deel van de wereld. Ik geloof er niet in en neem er niet aan deel."

Uw vriend en The New York Times-columnist Thomas Friedman vindt het onderhand tijd voor de Verenigde Staten om de handdoek in de ring te gooien.

"Jammer genoeg beginnen steeds meer mensen het 'CYA-spel' te spelen: Cover Your Ass. Ik ben nogal fatalistisch. De oorlog zal wel voortsudderen tot de dag des oordeels. Hebben we dan verloren, of zijn we dan in staat gebleken er iets goeds uit te slepen? Ik heb de moed nog niet opgegeven. Het antwoord blijft een goed opgeleid Iraaks leger, een degelijke politiemacht en steun voor Irakezen die op zoek zijn naar een politiek centrum. Iraaks patriottisme en nationalisme wordt momenteel zwaar getest."

De meeste Amerikanen blijken ook oorlogsmoe. U beschuldigt ze van 'spijt na aankoop'.

"Wellicht is dat de Arabier in mij, niet de Amerikaan. Zaken zijn zoals ze zijn. Velen die nu vraagtekens zetten bij deze oorlog houden er een theorietje op na: als we nu dit of dat gedaan hadden, meer soldaten gestuurd hadden... Ik ben daar nooit aan begonnen. We trokken richting Irak tegen de achtergrond van een angstig Amerika. Men was ervan overtuigd dat er een Arabische dreiging loerde. Het land gaf president Bush met overweldigende meerderheid groen licht voor deze oorlog. Een ruime meerderheid in het Congres gaf de goedkeuring voor een invasie.

"Het wordt interessant te zien hoe conservatief Amerika gaat reageren. Ook zij zijn verbijsterd en gefrustreerd over Irak. Zij zijn boos dat de nalatenschap van Bush door Irak overschaduwd wordt en niet door Binnenlandse Zaken gedomineerd zal worden."

In uw boek citeert u een voormalige student van u, kolonel Stephen Ganyard, die tijd en geduld preekt voor een finaal oordeel over Irak. 'Vertel me over twintig jaar hoe de oorlog is afgelopen, want het zal zo lang duren voordat de oogst zich zal tonen', betoogt hij. Bent u het met hem eens?

"Ook ik geloof daarin, maar het is een vorm van escapisme. Je ontloopt een evaluatie uit angst voor de conclusie."

Een van uw helden in het boek is generaal David Petraeus. Zijn favoriete gezegde is: 'Vertel me hoe dit eindigt.' Hebt u onderhand enig idee?

"Nee. Het is heel goed mogelijk dat Irak onze harten gaat breken. Ik ben een kind van Beiroet. Wie herinnert zich niet de zelfmoordaanslag op de Amerikaanse mariniers. Ook nu voeren we oorlog in een land dat we niet goed kennen. Vanaf de dag dat de kanonnen op Bagdad begonnen te schieten, was er een voorgevoel, een angst dat men liever geen Amerikaanse soldaten in Arabische steden ziet. De mantra van Petraeus, 'Vertel me hoe dit eindigt', is helemaal juist. We weten het niet. (Met wanhopige stem) Het kan mislukken, het kan mislukken."

The Foreigner's Gift. The Americans, the Arabs, and the Iraqis in Iraq, Free Press, New York

Amerika hoeft zich nergens voor te verontschuldigen in de Arabische wereldIk denk dat in Irak een nobele oorlog gevoerd wordt. Maar we weten niet of het een nobel succes of een nobel fiasco wordt

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234