Zondag 17/10/2021

'Melancholie maakt mij gelukkig'

'Het is nog altijd mijn grote droom om ooit 'De houten prins' van Bartók te dirigeren, maar ik heb helaas te weinig techniek om voor een negentigkoppig orkest te kunnen staan''Ik kan geen compromissen sluiten en ik kan niet tegen hypocrisie. Net zomin als ik kan werken met musici met wie ik geen eerlijke relatie heb. Ik moet ze in de ogen kunnen kijken''Ik besef maar al te goed dat ik met iets elitairs bezig ben en dat ik verdomme geluk heb dat te mogen doen''Ik ben niet aan familie gebonden en dat is wederzijds. Maar ik zou morgen te voet naar een intieme vriend op de Seychellen vertrekken als hij me nodig had, begrijp je?

Foto Stephan Vanfleteren

We drinken wodka in het kleine Russische café om de hoek. Aan de toog wordt het gesprek over de culturele rol van Rijsel volgend jaar met ieder rondje geanimeerder. Paul Van Nevel, stichter en dirigent van het Huelgas Ensemble, luistert geamuseerd, genietend van de heilzame drank en zijn Cubaanse sigaar. De oude Franse stad ligt hem na aan het hart. Eeuwen geleden leefden zijn geliefkoosde componisten in dit melancholische noorden. Het stille landschap bepaalde hun muziek, die voor Van Nevel gemaakt lijkt te zijn. 'Melancholie heeft tegenwoordig een sentimentele bijsmaak', zegt hij, 'maar mij maakt ze gelukkig.'

'Toen ik elf was, is mijn vader overleden. Tot mijn moeder dement werd - ze stierf een jaar of vijf geleden, zesennegentig jaar oud - begon ze, telkens als je de voornaam van mijn vader noemde, te wenen. Ik heb nooit zo'n verliefd koppel gezien als mijn ouders, zelfs na zes kinderen.

"Mijn broers en zussen zijn allemaal veel ouder dan ik, die waren bij de dood van mijn vader de deur uit, en ik bleef alleen achter met een treurende moeder. Jarenlang heeft ze 's middags nog de tafel gedekt met een bord voor hem, terwijl wij met zijn tweeën aan tafel zaten. Zoiets moet onbewust invloed hebben op een kind. Van toen af is mijn melancholische ziel naar boven gekomen, die naarmate ik ouder werd alleen maar is gegroeid. Melancholie heeft tegenwoordig een sentimentele bijsmaak, maar mij maakt ze gelukkig. Ik put er kracht uit. Men vraagt me wel eens waarom ik voor een concert niet wat vaker luchtige Franse liedjes uitkies, maar oppervlakkigheid of taartengooierij maakt mij net triest. Ik heb ook een grote hang naar romantiek, met die typisch negentiende-eeuwse verzuchting om 'iets' te ontdekken. Aan het conservatorium in Maastricht zei mijn leraar: 'Als Van Nevel niet in de oude muziek was terechtgekomen, dan was hij op zoek gegaan naar piramides'.

"Door de situatie thuis was mijn puberteit helemaal blijven stilstaan. Ik had absoluut geen interesse voor het andere geslacht. Pas op mijn achttiende ben ik voor het eerst op mijn bromfiets met een meisje van de nonnekesschool naar het kanaal gereden, niet wetende wat ik moest doen. Ik leefde in een droom, schiep voor mezelf een heel utopisch maatschappijbeeld waarin ik al het grijze en negatieve opzijzette, veel poëzie las en me in mezelf opsloot. Een elitaire wereld. Ik leefde van dag tot dag, altijd met mijn hoofd in de wolken. Op de middelbare school heb ik twee keer een jaar moeten overdoen, ik ben pas opengebloeid toen ik in Maastricht studeerde.

"Naar muziek luisterde ik niet zoveel, maar ik ben er wel mee opgegroeid. Mijn vader was violist, en alle kinderen bespeelden een instrument. Mijn vader noemde mijn broers en zussen het Hasselts Miniatuurensemble en hij bewerkte ouvertures van Wagner voor hen. Hij was gek van Wagner, ging elk jaar naar Bayreuth. Ik heb die oude programmabrochures nog, formidabel. Mijn zus vertelde me dat als mijn vader muziek maakte, ik als kleuter van een jaar of vijf in een hoek ging staan en begon te wenen. De melancholie zat er toen dus al in! Een paar jaar later ging ik op tafel staan om te dirigeren. Maar de grootse muzikale schok kreeg ik in 1958. Het huis was leeg, iedereen was naar de Wereldexpo in Brussel. Ik zat in mijn eentje voor de radio en hoorde voor het eerst het ballet De houten prins van Béla Bartók. Ik had nooit hedendaagse muziek gehoord, maar ik was gefascineerd. Achteraf kan ik zeggen dat ik het muziektechnisch een meesterwerk vind, heel poëtisch en sensueel, maar dat wist ik toen nog niet. Een week later zat ik in de bibliotheek de biografie van Bartók af te schrijven.

"Het is nog altijd mijn grote droom om ooit De houten prins van Bartók te dirigeren, maar ik heb helaas te weinig techniek om voor een negentigkoppig orkest te kunnen staan. Misschien is het beter als het gewoon een droom blijft, net als goed kunnen dichten. Ik heb eens een Introductie, variaties en finale op een grafschrift voor mijn goede vriend Luuk Gruwez geschreven. Een bundel met acht gedichten waar hij hartelijk mee gelachen had, zei hij. Een vriendelijke manier om me te zeggen dat ik naast mijn schoenen had gelopen. Ik heb wel net in twee maanden tijd een boek van me afgeschreven. Dertig jaar verslaafd aan Lissabon heet het en ik was blij dat het af was. Ik moet minstens een paar keer per jaar naar ginder kunnen gaan, dat is heel vreemd. Een volledig hoofdstuk heb ik gewijd aan de zes Lissabonse kerkhoven, al durf ik zelf niet aan doodgaan en ouder worden te denken, anders word ik ongelukkig. Ik heb altijd gezegd: als ik sterf, zal het niet aan mij liggen. Maar het houdt me wel bezig. Ik heb trouwens ooit eens gevreeën op een kerkhof. Op dat van de zusters van Heverlee. 's Nachts in een beetje nevel - heel erotiserend. Maar goed. Luuk zei me: 'Paul, dat boek moet je nu nog drie, vier keer herschrijven'. Daar had ik niet aan gedacht, maar dat ben ik nu dus aan het doen. Met de pen. Ik vind het zo leuk om te zien wat je de dag voordien niet goed vond en hoe je het veranderde, dat gewroet met de materie. Ik ervaar schrijven als een belangrijke creatieve daad. Ik heb ooit een computer gehad, hoor, met e-mail en internet, maar na een half jaar heb ik hem de deur uitgegooid en voor dat geld een Montblanc-pen gekocht. Ik heb een hele verzameling pennen, op dat vlak ben ik een fetisjist. De taal wordt anders op een computer, er is geen aandacht meer voor stijl, alleen maar voor de boodschap. Waar zijn we dan mee bezig? Als het zo verder gaat, krijgt over vijftien jaar niemand nog een mooie zin uit zijn pen, terwijl schrijven hetzelfde is als het moment suprême van de kok, die na urenlang werk in de keuken zijn schotel op tafel zet en iedereen ziet genieten."

"Veel van mijn kindertijd ben ik vergeten, alsof ik het heb weggedrukt. Maar op mijn negenentwintigste maakte ik een bijzondere ervaring mee. Tot dan had ik nog nooit gerookt. Toen bood een vriend me een sigaar aan. Je inhaleert niet, voor een sigaar geldt hetzelfde als voor wijn: le palais et le nez, de smaak en de geur. Ik trek aan die havanna, en had Nabokov nog geleefd, hij had er een verhaal over geschreven. Ik proefde vanille, cacao en kruidnagel en plots kwam me het beeld voor ogen van de kelder van onze buurman aan de Kuringersteenweg in Hasselt nummer 122. Hij was een kruidenverkoper en in die lange, smalle, gewelfde, bakstenen kelder bewaarde hij zijn kruiden in juten zakken, opgerold aan de bovenkant. Ik speelde er met mijn vriendje. Op onze driewielertjes reden we tegen de zakken aan. Dat gaf een plof, maar ook een explosie van geuren, dingen die ik totaal vergeten was. Wel, bij die eerste sigaar kwam dat beeld terug. Daar was ik zwaar door geëmotioneerd. Waarschijnlijk rook ik ze daarom nog, om mijn kindertijd weer op te halen. Maar als ik naar Bartók aan het luisteren ben, rook ik niet. Dat zijn twee emoties die niet te combineren zijn.

"Wat ik me wel nog goed herinner, is dat ik rond mijn twaalfde ben beginnen te zingen bij het koor van het Bisschoppelijk College in Hasselt, dat mijn broer dirigeerde. Hij nam me ook mee naar de weekends van de Halewijnstichting. Dat is voor muzikaal Vlaanderen een erg belangrijke organisatie geweest die de boer opging. Iedere tweede zondag van de maand kwam Hans Dirken naar Hasselt en al wie met hem wilde musiceren of zingen kon meedoen. Het was echt missionariswerk. Ik zong en leerde blokfluit spelen en algauw reed ik twee keer per week al liftend clandestien naar Mechelen om bij Mia Loosen les te volgen. Zij was de enige in Vlaanderen die in Duitsland professioneel blokfluit had gestudeerd.

"Toen trapte ik het in juni van het laatste jaar af op het college, ik heb dus geen einddiploma middelbare school. Ik was verwend, mijn moeder was zo met haar treurnis bezig dat ze weinig aandacht had voor mij en dus deed ik maar waar ik zin had. Mijn familie noemde mij een avonturier. Ik wilde iets met muziek doen. Blokfluit spelen. Dat betekende oude muziek, maar die opleiding bestond in België nog niet. Van alle buitenlanden was Maastricht het dichtste bij Hasselt. Mijn moeder stelde wel als voorwaarde dat ik in dat eerste jaar zou slagen.

"Ik trof er een fantastische leraar, Joannes Colette. Hij is echt een vader voor mij geweest. Ik heb alles aan hem te danken. Want ik zakte, voor solfège. Ik had dan wel zes jaar gedurende twee uur per dag in het koor gezongen, maar ik had nooit echt notenleer gevolgd. Die theorie was mijn zwakke punt. Mijn moeder hield woord: ik mocht niet verder studeren. Ik vertrok met vakantie, kwam weer thuis en plots was ze van mening veranderd. Twee jaar later pas ben ik te weten gekomen dat Colette 150 kilometer ver naar mijn moeder was gereden om haar ervan te overtuigen mij toch nog een jaar te geven. Wie zou zoiets nog doen?

"Colette bracht me de liefde bij voor de renaissancemuziek. Als je blokfluit studeerde met als bijvak klavecimbel kwam je automatisch in de barok terecht, en dat was iets wat mij niet lag. Het was mij te protserig en te burgerlijk. Jaren later heb ik op een dag eens al mijn sonates van Händel, Telemann en noem maar op naar het containerpark gedragen. Ik had ze ook kunnen verkopen, maar die symbolische daad moest ik stellen. We moesten in het conservatorium uiteindelijk wel baroksonates spelen, maar intussen was Colette voortdurend aan het zeggen: 'Vergeet niet, vóór de barok was er ook nog muziek'. En dat was een ontdekking. Ik weet het wel, renaissancemuziek speelde zich ook in de elitaire milieus af, maar het stoorde me minder dan het pruikengedoe uit de barok. Het is geen fastfood. Het gaat niet om de virtuositeit van hoe sneller hoe beter, maar over diepgang, met veel aandacht voor de tekst en voor onbekende partituren. Daar was toen amper iemand mee bezig, maar Colette zocht voortdurend naar oude partituren om zich vervolgens af te vragen waarop je die dan wel moest spelen. Hij had een prachtige verzameling authentieke instrumenten en als hij niet vond wat hij zocht, maakte hij ze zelf. Hij gaf altijd les in een blauwe kiel om zijn schroevendraaiers in te kunnen bewaren en gereedschap om je fluiten bij te schaven. Bij iedere nieuwe partituur die hij aanbracht, steeg er in de klas een gejuich op.

"Met mijn medestudenten praatte ik hele nachten door over muziek die we gevonden of gemaakt hadden. Op vrijdag hield Colette bijeenkomsten waarop alle leerlingen bij elkaar kwamen om discussiepunten naar voren te brengen en zijn mening te vragen. Wat hij daar allemaal gezegd heeft! Het drong toen niet allemaal tot me door, maar jaren later in de praktijk dacht ik meer dan eens: hier ging het toen om. Het waren onvergetelijke momenten. Zo zei hij op een keer: 'Een goed musicus moet zijn zoals een koorddanser, maar jammer genoeg hebben te veel muzikanten hun koord op de grond liggen'. Mooi, hé? Met zo'n vrijdagmiddag kon je een hele week verder. Die muziek werd een stuk van ons leven. Geen opleiding maar een filosofie.

'Na een jaar Colette had ik de microbe voor renaissancemuziek goed te pakken. Mahler heeft honderdtwintig man en anderhalf uur nodig om iets uit te leggen. In de oude muziek heb je dezelfde emotie met drie klanken, af en toe een dissonant en een terts. Het probleem is dat het voor hedendaagse oren heel moeilijk is om het compacte van die taal te vatten. Tussen al het geweld dat we auditief meemaken, zoek je niet gemakkelijk de stilte op, en renaissancemuziek is precies uit stilte ontstaan. Een pauze van twee seconden was in die tijd een compositorische daad, daar dacht men lang over na.

"Veel van die motetten uit de vijftiende en zestiende eeuw moet je zien als een uitleg, net zoals een schilderij een of ander heiligenleven verklaarde. De meeste zijn Latijnse bijbelteksten. Dat schept een afstand omdat we die taal niet meer begrijpen. Mijn partituurstudie bestaat voor zeventig procent uit het analyseren van de tekst. Helaas heb ik maar twee jaar Latijn gehad, ik beheers die taal dus niet volledig. Ik moet me wenden tot vertalingen van collega's of professoren. Dat vind ik nog altijd een zwak punt van mezelf.

"Uiteraard is die muziek religieus geïnspireerd, maar ik vecht al mijn hele leven tegen het idee dat ik katholieke muziek aan het verdedigen zou zijn. In deze maatschappij moeten we intussen toch al zover gekomen zijn dat een atheïst een even grote waardering voor de kathedraal van de Notre-Dame kan opbrengen als een katholiek? Ik probeer een zo groot mogelijke muzikale objectiviteit te bereiken en verdedig de artistieke waarde van de renaissancemuziek. Dat wordt me dikwijls niet in dank afgenomen hoor, maar dat stoort me niet. Wie deze muziek interpreteert, moet precies afstand kunnen nemen van het stof dat erop ligt.

"Er is ook vaak veel te doen om de authenticiteit van de uitvoeringen van die oude muziek. In de vocale muziek bestaat dat niet. Wie het tegendeel beweert, liegt. Je kunt geen zestiende-eeuws lijk uit de grond halen en vragen: zing nog eens. Je kent alleen het historische kader waarbinnen de muziek werd gecomponeerd en uitgevoerd, maar mensen waren kleiner, leefden in andere omstandigheden dan nu. De stem klonk dus ongetwijfeld ook anders. Ik ben ervan overtuigd dat de zintuigen van de renaissancemens veel beter ontwikkeld waren dan de onze. Men was erg opmerkzaam voor wat men zag en hoorde. Het ging om de sensuele ervaring van het zingen, in letterlijke zin. De alchemie, die niet op de partituur staat maar die je voelt en hoort en waardoor er zulke sterke emoties ontstaan. Soms zingen we een stuk dertig keer en toch vinden we er weer andere emoties in terug. Dat vind ik heel intens en diepgaand.

"Eigenlijk heeft poëzie dat ook en staat een opera tegenover oude muziek zoals een gedicht tegenover een roman. Begrijpen vraagt tijd en moeite. Een gedicht dat je onmiddellijk bij het lezen bevredigt, is niet goed. Daarom vind ik het veramerikaniseren van het begrip tijd zo verschrikkelijk. Dat de kwaliteit van tijd snelheid is geworden. Zo zit een mens niet in elkaar. Omdat deze muziek zo fragiel is, is het mij duidelijk geworden dat je heel voorzichtig moet omspringen met de niet-vanzelfsprekende dingen in het leven. Mijn muziek verdedigt de kwetsbaarheid in deze maatschappij. Misschien sluit renaissancemuziek daarom beter aan bij wie ik ben. Zo heb ik wel eens gezegd dat ik graag Cipriano de Rore had willen zijn, een zestiende-eeuwse componist. Uit wat ik kan afleiden uit de biografische gegevens die over hem bekend zijn en uit zijn muziek, die boekdelen spreekt, denk ik dat mijn emotie erg kort bij de zijne ligt. Hij was nogal passioneel, zeer melancholisch en gevoelig, maar dat viel niet direct af te lezen uit zijn houding. Hij moet geen gemakkelijke man geweest zijn, maar toch eentje met veel inkijkgaten. Hij kon het niet laten recht door zee te gaan en zijn eigen muziek te schrijven. Daaraan zie je maar weer eens hoe het in schuifjes opdelen van de muziekgeschiedenis alleen maar toedekt dat componisten van vlees en bloed waren en hun eigen karaktertrekken in de muziek legden. En zeggen dat ik nog plannen had om zijn verzameld werk op plaat op te nemen toen ik alles nog in eigen beheer deed! Gelukkig heb ik dat niet gedaan, of ik was nog failliet. Ik ging daarvoor sponsorgeld vragen bij de bank van Roeselare. Een week later werd ik opnieuw ontboden, ik dacht: dat is goed nieuws. Maar de directeur wilde mij persoonlijk zeggen dat hij de raad van bestuur niet had kunnen overtuigen. Die wilde toch liever de plaatselijke kermiskoers steunen. Dat is de laatste keer geweest dat ik zelf ergens geld ben gaan vragen. Dan ga je echt in korte broek naar buiten, hoor.

"Ik besef maar al te goed dat ik met iets elitairs bezig ben en dat ik verdomme geluk heb dat te mogen doen. Aan de andere kant: als je zeshonderd mensen in de zaal hebt zitten die met een goed gevoel naar buiten gaan, dan heb je toch ook iets bijgedragen, vind ik. We hebben echt iets te verdedigen, die zestiende-eeuwse polyfonie is een groot Europees cultuurgoed. Wij zijn geen koor zoals dat in de negentiende eeuw ontstond en waar iedereen tegen elkaars schouder leunt om zo uniform mogelijk te klinken. Wij hebben een akkoord over intonatie, tempo, tekstinterpretatie en uitspraak, maar de invulling daarvan moet ieder voor zich doen. Ik zeg altijd tegen mijn zangers: probeer niet precies hetzelfde te doen als degene die naast je staat. Blijf individualistisch. Daardoor is ieder optreden anders. Door de ruimte, het publiek, de alchemie, door ons. Je voelt heel goed of je een goed concert hebt gehad. Dan gaan we samen een pot pakken, want dan hebben we iets te vieren. Als het niet is wat we ervan verwacht hadden, trekken we ons afzonderlijk terug. Dat lijkt wel een ongeschreven wet. Tijdens de repetities en het concert vormen we een blok, maar onze privé-levens houden we strikt gescheiden. Ik houd me aan een van de laatste adagio's die Colette me heeft meegegeven: 'Van Nevel, nooit met vrouwen met wie je muziek maakt'. En dus ga ik naar mijn hotelkamer om te piekeren over het waarom en is de eenzaamheid groot. Als ik echt kapot ben, zap ik naar een televisieprogramma en hoop zo snel mogelijk in slaap te vallen. Maar meestal schrijf ik nog een brief aan een of andere vriend. Ik haat telefoneren en ik moet het toch allemaal even kwijt."

"In mijn laatste jaar Maastricht werd me gevraagd om lessen blokfluit te geven in het Lemmensinstituut in Leuven. Ik begon aan een woelige periode. Ik werd verliefd op een leerlinge, maar ze kwam uit een verschrikkelijk conservatief, katholiek milieu. Haar ouders hebben haar een maand van school en van mij weggehouden met het idee dat de verliefdheid dan wel over zou zijn. Ze wilden niet dat ze met me trouwde, ze vonden mij een te vrije vogel en te links. Dat laatste was niet zo: 1968 was geheel aan mij voorbijgegaan, ik las geen kranten, en ook geen Marx. Ik was niet met politiek bezig, het interesseerde me niet. Later wel, maar ook dan nog altijd met de nodige afstand. Eigenlijk was ik gewoon tegendraads, ik zei wat ik dacht.

"Wij trouwden toch, tegen het establishment in. Natuurlijk is dat de verkeerde reden. We kregen een zoon die ik - het kon voor hem ocharme niet slechter - Obrecht heb genoemd, naar een componist uit de vijftiende eeuw. Maar ik was niet rijp voor een kind en ik ben een slechte vader geweest. Ik heb Obrecht verlaten toen hij één jaar was. Ik kon niet tegen het wenen van een onschuldig kind. Ik was daar kapot van. Toen hij een jaar of zes was, ben ik teruggekeerd, maar we zijn - op vraag van mijn zoon - uiteindelijk toch gescheiden. Hij vond dat we beter uit elkaar konden gaan, terwijl wij te laf waren om dat in te zien. Hij heeft lang bij zijn moeder geleefd, maar ik heb een goede relatie met hem behouden en op zijn zestiende is hij weer bij mij komen wonen. Na wat omzwervingen studeert hij nu ook muziek. Een laatbloeier, net als zijn vader.

'Vanwege mijn huwelijk werd ik subtiel buitengezet in het Lemmensinstituut en daar stond ik, zonder inkomen. Via Colette hoorde ik dat de Schola Cantorum in Bazel een blokfluitleraar zocht. Ik deed mee aan de examens en slaagde. Daar zijn godzijdank mijn ogen opengegaan. Als assistent moest ik maar zes uur per week lesgeven, de rest van mijn tijd heb ik gebruikt om zelf te studeren. Hoe heeft de componist het oorspronkelijk opgeschreven? Dat wilde ik weten. Ik leerde naar authentieke manuscripten kijken. Tot dan had ik alleen maar op transcripties gestudeerd, maar dat is te vergelijken met een vertaling: je verliest altijd. Die componisten zongen ook zelf. Wat voor hen vanzelfsprekend was, duidden zij dan ook niet aan. Bij een hedendaagse transcriptie vul je je eigen interpretatie in van de ontbrekende gegevens. In die zin dring ik mijn visie op aan mijn ensemble, maar bij de eerste repetities heb ik altijd het origineel bij, zodat we kunnen controleren of alles klopt. Zodra je begint te zingen hoor je trouwens of het goed zit, en anders zoek je naar oplossingen. Daar kruipt veel tijd in. En ook in de tekstuitspraak, die kleur geeft aan de polyfonie. Gelukkig zijn er professoren die een heel leven gewijd hebben aan de vraag hoe het kerklatijn in de zestiende eeuw werd uitgesproken. Zo weet men dat het in Picardië helemaal anders was dan in Lille, om maar iets te noemen. Als dat eenmaal besproken is en de materie vastligt, begint de afwerking. De mathematische ritmiek en de vraag hoe ver we gaan in de emotie. Het mag niet te bombastisch naar een eindpunt groeien zoals in de barok. Dan zeg ik: 'Hou het iets meer Memling'. Je hoeft niet aan dissectie van de emoties doen, je moet het publiek de kans geven zelf dingen te vinden."

"In Bazel ben ik na twee jaar met ruzie weggegaan. Ik was het principieel niet eens met wat er gebeurd was, pakte mijn koffers en vertrok meteen. Ik kan geen compromissen sluiten en ik kan niet tegen hypocrisie. Net zomin als ik kan werken met musici met wie ik geen eerlijke relatie heb. Ik moet ze in de ogen kunnen kijken. Wij zijn voortdurend met emotie bezig, een chirurg is toch ook niet blind? "Door het bestuderen van de oorspronkelijke handschriften had ik er behoefte aan om zelf oude manuscripten te gaan bekijken. Ik vroeg een beurs aan bij de Belgische staat voor een studiereis. Ze werd toegekend en ik ben twee maanden naar Spanje getrokken. Het eerste handschrift dat ik onder ogen kreeg, was in het klooster van Las Huelgas, een van de centrale bronnen voor dertiende-eeuwse muziek. Het zijn cisterciënzerzusters, die toen nog heel gesloten leefden. Ik bel aan, het gordijn achter de tralies schuift open en ik denk: nu mag ik in de bibliotheek binnen. Maar het boek werd mij door de tralies heen gegeven en ik mocht er in het bezoekerskamertje in kijken. Een week heb ik er gezeten. Elke dag kwamen er meer nonnetjes kijken naar wat die vreemde meneer aan het doen was. Op de laatste dag vroegen ze me of ik er ook iets uit kon zingen. Dat heb ik gedaan, met een krop in mijn keel. Als herinnering aan die tijd heb ik mijn muzikanten het Huelgas Ensemble genoemd. Dat bestond toen al uit drie medestudenten van Maastricht en mezelf. Ik zou er nu niet meer aan beginnen, maar toen stimuleerde Colette me om door te gaan met mijn idee om een laboratorium op te richten dat zou uitzoeken wat het effect was van een origineel manuscript op muzikanten van onze tijd. Eerst speelden we nog op instrumenten en ik zong. Maar daar ben ik wijselijk mee gestopt na een vernietigende kritiek in De Standaard over mijn stem. Naast de onbekende oude muziek speelden we hedendaagse composities, waarvoor evenmin academische regels bestaan. Dat doen we nog, om de drie jaar of zo, om ons opnieuw wit te wassen en niet lui te worden, want dat vraagt weer heel andere oren.

"Dat zoeken naar de goede interpretatie is telkens ook een zoektocht naar mezelf. Het heeft me met mensen leren omgaan. Ik denk niet dat ik vroeger erg sociaal was. Ik heb me natuurlijk nooit in mijn leven om een of andere reden móéten aanpassen, ik was altijd alleen. Als oudste van zes zou mijn karakter wellicht anders zijn geworden. Niet dat ik niet soepel kan zijn, maar ik houd me aan principes. En van zulke beslissingen lig ik dan ook niet wakker. Eerlijk gezegd vind ik ze zelfs heel aangenaam. Zo werden we in de beginjaren van het Huelgas Ensemble, toen we nog niet bekend waren en nauwelijks een optreden konden sprokkelen, eens uitgenodigd voor een concert in Wenen. Ik sprong een gat in de lucht. De voorwaarde was echter dat we in pitteleer zouden optreden. Dat heb ik geweigerd. 'Dat is een uitvinding uit de periode van Johann Strauss', zei ik, 'maar toch niet uit de Renaissance.' Ik hoopte dat de organisator zou zeggen: 'Kom dan maar zoals je wilt', maar dat gebeurde niet en het concert ging niet door. Ja, dan niet."

"Dat ik alleen leef, is geen bewuste keuze. Het komt wel. Ik sta helemaal open voor een relatie en ik heb er al enkele achter de rug. Eentje is maar net afgelopen, ik zit nog in een rouwproces. Maar ik heb er wel een heel goede vriendin aan overgehouden. Dan is vriendschap eerlijk en onbevangen omdat het seksuele is weggevallen en er niet langer dubbelzinnige blikken in het achterhoofd zitten. Dat is een groot voordeel. Het ongeluk is: ik wil niet als de ander wil en omgekeerd. Ken je dat gevoel? Ik heb het inmiddels afgeleerd om doelgericht naar een liefde toe te leven, want dat werkt niet. Je moet ook niet proberen jezelf te veranderen om een liefde te winnen, want dat houdt geen stand. Dat heb ik tot mijn eigen schade en schande telkens opnieuw moeten ervaren. Ik val liever vier keer met mijn gezicht op de grond dan dat ik zou moeten zeggen: ik heb het niet gedurfd. Maar als ik val, heb ik een aantal goede vrienden die me opvangen. Vriendschap is enorm belangrijk. Het is jaren geleden dat ik mijn broers en zusters nog gezien heb, ik ben niet aan familie gebonden en dat is wederzijds. Maar ik zou morgen te voet naar een intieme vriend op de Seychellen vertrekken als hij me nodig had, begrijp je?

"Een les in vriendschap heb ik gehad toen ik bijna tien jaar geleden in Italië aangeklaagd werd wegens diefstal van manuscripten. Ik heb toen wel vreemd opgekeken - en ik wens het mijn ergste vijanden niet toe - van zogenaamde vrienden die redacties opbelden om te melden: we hebben Van Nevel in de schaar. Is dat niet triest? Ik had medelijden met hen.

'Dat de beschuldiging diefstal was, vond ik heel erg. Dat heb ik altijd ontkend en het is achteraf ook rechtgezet, ik ben alleen veroordeeld voor heling. Bon, ik ben naïef geweest, zo is het. Van in het begin zat het in mijn karakter ingebed dat ik eens tegen de lamp zou lopen door manuscripten te kopen waarvan ik wist dat ze waarschijnlijk gestolen waren. Toen ik ze op die markt in Bologna zag liggen, heb ik er een nacht over nagedacht. Het was een stapel, een schat aan materiaal. Als ik ze had laten liggen, had ik er mijn hele leven spijt van gehad. Dus heb ik ze toch maar gekocht en had ik het spek aan mijn been. Maar ik had nooit gedacht dat die gebeurtenis dergelijke allures zou aannemen. Het is met name voor de mensen met wie ik toen woonde helemaal niet prettig geweest. VTM belde aan de deur en stormde binnen om mijn bibliotheek te filmen. Dat doet denken aan stalinistische methodes. Ik ben toen veertien dagen naar het buitenland gegaan, ik wilde weg. En wat ik de kranten kwalijk neem, ook De Morgen moet ik zeggen, is dat ze natuurlijk wel grote sier gemaakt hebben met het feit dat ik veroordeeld was, maar als plots maanden later het vonnis in beroep mij vrijspreekt van diefstal, dan wordt dat ergens op bladzijde zes in het klein vermeld. Ach, het achtervolgt me niet echt meer en ik leef er niet mee. Wat geweest is, is geweest. Ik pas nu iets meer op en vraag een certificaat van herkomst als het over waardevolle boeken gaat, maar als ik datzelfde stapeltje boeken op een markt zou vinden, ik zou het opnieuw kopen."

Op 18 december geven het saxofoonkwartet Bl!ndman en het Huelgas Ensemble een kerstconcert in het Kaaitheater in Brussel. Info en kaartjes: www.kaaitheater.be en www.blindman.be. Een dag later ontvangt het Kunsterfgoed Festival Artuatuca Bl!ndman en het Huelgas Ensemble in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Tongeren. Info en reserveren van gratis tickets: www.artuatuca.be en 012/23.57.19.

En op 28 mei 2004 organiseert BOZAR, waar Paul Van Nevel artiest in residentie is, een concert van het Huelgas Ensemble in het Lunatheater in Brussel. Info en kaartjes: www.bozar.be.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234