Dinsdag 10/12/2019

Meesters van het doek

Acteur Vic De Wachter is de eerste in een reeks van tien bekende Nederlandstalige toneel- en filmgrootheden die hun hart uitstorten bij Margot Vanderstraeten. Fotograaf Stephan Vanfleteren zet de door de wol geverfde zestigplussers voor zijn lens.

Vic De Wachter: "Ik weet nog heel goed wanneer ik de smaak voor verhalen te pakken kreeg. Mijn grootvader is er verantwoordelijk voor. Hij woonde niet ver van ons vandaan, ik bracht met hem meer tijd door dan met mijn vader, die geen familieman was. We waren thuis met vier kinderen, ik ben de oudste.

"Mijn grootvader was mijn held. Hij trok met mij naar de bossen van Keerbergen en vertelde me verhalen, vooral over de oorlog. De Eerste Wereldoorlog had hij als kind meegemaakt, de Tweede als jongvolwassene. Alles wat hij zei, in Bonheidens dialect, prikkelde mijn verbeelding. Zoals zijn verhaal van een Pool die doodgeslagen werd door een Duitser. Hij had die moord zien gebeuren in een werkkamp in het Duitse Maagdenburg, waar hij naartoe was gestuurd. De man werd doodgeslagen omdat hij het gewaagd had een rat te vangen, die hij wilde opeten. Ik vond dat spannend en afgrijselijk tezelfdertijd, en stelde het me allemaal levendig voor.

"Later volgden andere verhalen, van een andere soort. Zoals die over mijn vader, die waarschijnlijk geen makkelijk kind is geweest; hij huilde vaak. Mijn grootouders gingen met hem naar een katholieke instelling ergens diep in het land. Daar spraken de paters gebeden boven hun zoontje uit. Dat bijgeloof, die zogenaamde duiveluitdrijving, vond ik zeer fascinerend. Ik kon erover blijven fantaseren.

"En natuurlijk waren er daarbovenop nog de typische familieverhalen die almaar groter werden. Zoals die over het stoere vechtersverleden van mijn grootvader. Hij dronk en vocht, de rijkswacht moest meermaals ingrijpen als hij in het café de boel op stelten zette. Het was niet iets om trots op te zijn, maar elke keer als dat verhaal de ronde deed, werd zijn heldendom nog groter."

U hoorde, met dat verhaal over de doodgeslagen Pool, van uw grootvader al een 'Ten oorlogje' in miniformaat.

(Shakespearebewerking van de koningsdrama's door Tom Lanoye, regie van Luk Perceval, eind jaren 90 legendarisch met Vic De Wachter als een van de meedogenloze koningen, red.)

"O, de mens voert overal zijn oorlogjes. Ik geloof niet in de goedheid van onze soort. Maar mijn zwartgalligheid gaat dan weer niet zo ver dat ik denk dat de mens de ander altijd bewust wil kwetsen. Het is het eigenbelang dat maakt dat hij de ander pijn doet, altijd dat eigenbelang, keer op keer, generatie na generatie.

"Ook mijn grootvader is mijn held niet kunnen blijven. Hij was erg goed voor mij. Maar niet voor mijn zussen, heb ik veel later van hen vernomen. Tegenover hen heeft hij grensoverschrijdend gedrag aan de dag gelegd, seksueel intimiderend ja, hij prutste aan hun lichaam. Ik kan je garanderen: als je zo'n nieuws verneemt, komt dat niet alleen aan als een klap, het slaat ook je mensbeeld aan diggelen."

U hebt geen helden meer?

"Op een handvol acteurs na. Ik bewonder hen om hun vak. Hoe ze als mens zijn, weet ik niet. Anthony Hopkins is de grootste, zelfs in het allerkleinste. Philip Seymour Hoffman, helaas overleden, behoort tot diezelfde categorie. Wat Daniel Day-Lewis neerzet, overstijgt het menselijke.

"Van mijn idealen van destijds is trouwens ook niet veel overgebleven. Ik wilde de wereld ten goede veranderen en dacht echt dat theater dat kon. Ik wil dat nog hoor, die wereld veranderen, maar ik weet nu dat het een illusie is. Heel, heel soms slaag ik erin, toegegeven. Maar die verandering duurt dan hooguit een voorstelling lang; de tijd dat, in het beste geval dan toch, acteurs de verbeelding van het publiek mee op sleeptouw nemen."

Blijft de verbeelding soms, in het beste geval, niet ook na de voorstelling nog doorwerken?

"Dat is heel mooi dan. Maar het is zeldzaam. Zeker in Vlaanderen. In Nederland zijn toeschouwers mondiger, daar wordt een voorstelling achteraf nog vaak uitvoerig besproken. Nederlanders zijn ontvankelijker voor een tekst, dat heb ik als acteur vaak mogen ervaren.

"Vlamingen zijn geen praters. Ik trouwens ook niet. In wezen ben ik een timide man. Ik vind het nog altijd moeilijk om ronduit mijn mening te zeggen. Vooral omdat ik de ander liever geen pijn doe. Maar dat is een drogexcuus, want door je mening niet te zeggen, kun je evengoed schade berokkenen. Misschien zit ik gewoon complex in elkaar. (lacht)

"Dat de Vlaming minder goed uit zijn woorden komt, is natuurlijk ook omdat hij zijn taal veel minder goed beheerst dan de Nederlander. Wij, Vlamingen, hebben ons, doordat we in een bad vol dialecten worden opgevoed, het Nederlands nooit eigen kunnen maken. Zelfs leerkrachten hoor ik dialect of met dialectische klanken spreken.

"En dus blijven we struikelen over het Nederlands, en streven we zelfs niet meer naar een goede beheersing ervan. Ook in de theaterwereld, een van de laatste vrijhavens waar onze taal nog met enige omzichtigheid wordt bejegend, wordt de taal nu verwaarloosd. Ik vind dat een enorm verlies.

"En het gaat snel hoor. Een tiental jaar geleden maakte ik met Hilde Uitterlinden het hoorspel De lifter, gebaseerd op een werk van Orson Welles. Ik hoor het Hilde nog zeggen aan de regisseur: 'Moet dat echt zo vervlaamst worden? Kan dat niet in het Algemeen Nederlands?' Hoor je een acteur van een jongere generatie dat vandaag zeggen?"

U zegt: het publiek laat zich 'heel soms' door een voorstelling meeslepen. Wat is er nodig om dit te laten gebeuren?

"Acteurs hebben het altijd over 'het moment'. Het moment waarop de adem van het publiek overgaat in die van de acteurs.

"Ik speel al veertig jaar. Ik heb ontzettend veel op het podium gestaan, in allerhande rollen, in zeer uiteenlopende producties. Dat moment waarop mijn lach de lach van het publiek wordt, waarop mijn verdriet het verdriet van het publiek wordt, is uiterst zeldzaam.

"Je kunt het tot stand komen van zo'n symbiose niet creëren of forceren. De omstandigheden moeten helemaal snor zitten, en die omstandigheden heb je nooit in de hand. Je kunt dus niet op voorhand weten of de voorstelling geslaagd zal zijn of niet. Dat houdt ons ook op de been, want juist die onzekerheid maakt dat je ook voor de honderdste keer nog de spanning van een eerste keer voelt. Want wie weet ontstaat de magie die avond wél.

"Ja, als acteur heb je je inzet in de hand. Je kunt alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat 'dit moment' bereikt kan worden. Maar zelfs de besten laten wel eens een steek vallen. In Londen heb ik ooit de grote, onder prijzen bedolven Britse film- en theateracteur Alan Bates zien optreden in Shakespeares Much Ado about Nothing. Bates was lazarus en bakte er niets van: wat een afgang, wat een teleurstelling, wat een ontgoocheling."

U hebt nooit dronken op een podium gestaan?

"Nooit. Maar ik heb al wel met dronken collega's gespeeld, groten en minder groten. Dat is niet prettig.

"Maar het omgekeerde kom je evenzeer tegen. Acteurs die in extreme omstandigheden zichzelf overstijgen. Onlangs nog vertelde mijn vriend Carry Goossens me dat hij ooit flauwgevallen is op een podium. Hij had een longontsteking, maar wilde absoluut optreden. Een acteur mag zo ziek zijn als je maar wil, hij zal alles op alles zetten om zich erdoor te slepen.

"Als ik eraan denk hoe ik ooit met verschrikkelijk pijnlijke aambeien - ik ben er nadien aan geopereerd - op de bühne heb gestaan! Ik speelde een jonge, energieke geneeskundestudent in Zomer van Edward Bond. Het was een rol waarbij ik veel moest opstaan en gaan zitten. Wat een marteling was dat. En die aambeien waren slechts bijzaak. Ik stond er met een veel grotere pijn. Daarom weet ik nog dat het 1984 was. We vernamen in deze periode - tijdens de eerste lezing van het stuk, om precies te zijn - dat Gilda (De Bal, ook actrice en partner van Vic De Wachter; red.) de ziekte van Hodgkin had, een vorm van lymfeklierkanker."

En toch moet je voluit gaan. Hoe moeilijk is dat, zelfs los van extreme persoonlijke omstandigheden, om elke avond opnieuw Oom Wanja van Tsjechov te zijn, of graaf Leinsdorf uit Musils 'Man zonder eigenschappen'...

"Er zijn rollen die zo ingrijpend zijn, dat je ze als speler mee naar huis neemt. Oom Wanja was er zo een: de eenzaamheid van de man, zijn frustraties, het feit dat hij door niemand begrepen wordt... Ik heb hem heel graag gespeeld, hij gaf me adrenaline, maar na elke voorstelling was ik kapot.

"Ik probeer, en dat leg ik mezelf op, om elke voorstelling weer met een fris en vernieuwend elan te beginnen. Ook als ik het stuk al honderd keer heb gespeeld, en - al is dat enige tijd geleden - die tourbus niet kan meer zien. Routine is de dood van ons vak.

"Weet je wat pas écht moeilijk is? Blijven spelen in een stuk dat je waardeloos vindt. Het is me niet eens zo lang geleden nog overkomen. In Ich bin wie Du, van Het Toneelhuis. Het stuk was slecht. Ik was slecht, hoezeer ik ook mijn best deed. En het publiek zag dat, wist dat, en ik moest doordoen, avond na avond, omdat de voorstelling nu eenmaal geprogrammeerd stond.

"De theatermaker, van Thomas Bernhard: nog zo'n stuk waaraan ik een hekel had, en dan niet omdat de tekst zo misantropisch is, dat had er niets mee te maken. Ik had de voorstelling, een monoloog van anderhalf uur, gezien in het Schauspielhaus van Bochum. Hij werd gespeeld door de fameuze Traugott Buhre. Fantastisch.

"Geleidelijk aan begon ik ook over een monoloog te denken, al ben ik een man van het samenspel. Anderen, collega's, moedigden me in diezelfde richting aan: 'Komaan Vic, je kunt dat. Je hebt nu de rijpheid voor zo'n solo'.

"Maar ik kreeg die rol niet onder de knie, ik raakte niet in dat personage. Ik heb De theatermaker nooit van mij kunnen maken. Ik kan niet zeggen hoe dat komt. Maar nog altijd heb ik nachtmerries over die voorstelling, die ik avond na avond heb gebracht, en waarin ik de hele tijd met angst zat. Angst dat ik de tekst niet kende. Angst dat ik verkeerd in het stuk zou staan. Angst dat ik niet zou weten wat ik daar kwam vertellen. Een marteling.

"Op zulke momenten zou je de handdoek in de ring willen gooien. Ik vind ook dat dit zou moeten kunnen. Dat je als acteur gewoon zegt: 'Sorry jongens, maar dit is niets en het wordt nooit iets. Toch niet met mij.' Maar je hebt gerepeteerd. Er zijn meerdere mensen bij de productie betrokken. Je wilt je bewijzen. En je hebt je plichtsgetrouwheid aan het publiek, aan Het Toneelhuis waaraan ik toen verbonden was, et cetera.

"Ik heb het in mijn loopbaan twee keer gedaan. Tegen het einde van de repetities - een stuk van respectievelijk Luk Perceval en Guy Joosten - gezegd: 'Ik doe dit niet, dit komt nooit goed'. Zulke voorvallen maken krassen op je ziel. Maar ik heb er geen spijt van. Ik kan die houding elke acteur aanbevelen. We mogen niet ophouden met na te denken. We moeten onszelf blijven onderzoeken."

Onderzoeken, zegt u. U bent wetenschapper van opleiding. U onderzoekt niet langer de Schelde, maar u peilt het innerlijk.

"Zo is dat. Ik heb scheikunde gestudeerd, en voor ik naar het conservatorium ging, heb ik zelfs een paar jaar in het loodswezen in Antwerpen gewerkt, waar ik veel op kantoor moest zitten en gelukkig af en toe met de boot dieptepeilingen in de Schelde mocht uitvoeren. Maar een passie hou je niet tegen. Via amateurtheater ben ik bij Luc Philips beland, die me lesgaf, en die me van Mechelen naar het conservatorium van Antwerpen stuurde.

"Ik denk liever niet terug aan die beginjaren. Het eerste decennium van mijn 'beroepscarrière' heb ik veel bullshit gespeeld. Ik speelde graag, maar wat ik speelde - bij het Reizend Volkstheater in Antwerpen, en daarna bij Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel, onder leiding van Nand Buyl - deed er niet toe.

"Mijn carrière is voor mij pas met Luk Perceval begonnen, eerst bij de Blauwe Maandag Compagnie, daarna bij Het Toneelhuis; ik was toen al een dertigplusser.

"In het Volkstheater en de KVS, waar ik samen met gevestigde coryfeeën als Senne Rouffaer optrad, heb ik niets geleerd. We speelden komedies - ik heb sindsdien komedies afgezworen. We voerden kunstjes op. Theater spelen werd gereduceerd tot de beheersing van techniek. We leverden papegaaienwerk. De stukken die we brachten, waren kopieën van succesvolle stukken in Parijs en Londen. Er was geen eigenheid. Niet van de acteurs, niet van de regisseurs, niet van de programmatie. Van enige magie of enige aanspraak op de eigen intelligentie was geen sprake.

"Ik neem het mezelf kwalijk dat ik in die beginjaren niet strenger voor mezelf ben geweest, dat ik het genoeg vond om me te amuseren, terwijl theater maken helemaal niets te maken heeft met 'je amuseren'."

De tijden waren toen anders.

"Ja, natuurlijk. Toen Nand Buyl een jonge acteur was, bracht de KVS tweewekelijks een nieuw stuk, stel je voor! En dus kun je het theater van de ene periode nooit vergelijken met dat van een andere. Nand Buyl was een zeer goed acteur. Hij bracht komedie op een geloofwaardige wijze. Dat was en is slechts weinigen gegeven. Maar als regisseur was hij - en dat was toen gewoon eigen aan de tijd - een verkeersagent: 'Dit is de tekst en als je die kent, ken je het stuk'.

"Eén vrouw heeft volgens mij een einde gemaakt aan deze periode en een hele generatie acteurs klaargestoomd om voor een breuklijn met de vorige generaties te zorgen: Dora van der Groen. Ze was natuurlijk in de eerste plaats actrice. Maar ze gaf ook les aan het conservatorium. En tegen mij zei ze: 'Iedereen zegt dat jij zo goed speelt, nietwaar Vic? Wel, ik zal je eens wat zeggen: je speelt helemaal niet goed.'"

Pets.

"Ja, dat kwam hard aan. Maar ze had gelijk. Dora van der Groen was de eerste die ons vroeg: 'Waarom speel je dit, waarom zeg je dat zo, wie ben jij?' Zij liet ons onszelf onderzoeken. Ze liet ons nadenken. 'Ons', dat is mijn klas, waar ook Lucas Vandervost, Johan Van Assche en Warre Borgmans deel van uitmaakten.

"Ik was ouder dan zij, omdat ik dus eerst andere studies had gedaan. Maar mijn klasgenoten hadden een intellectuele voorsprong, en daardoor ook meer lef. Dat heb ik altijd zo ervaren: dat ik door mijn scheikundige opleiding een achterstand heb opgedaan die ik nooit heb kunnen bijbenen. Ik wist niets van letterkunde of van toneelgeschiedenis. Ik had nog nooit een literaire tekst geanalyseerd. Ik had nog nooit echt nagedacht."

Denkt u dat iedereen die op een schoolbank zit, echt kan nadenken?

"Ik weet het niet. Ik heb dat gevoel altijd gehad. Op het conservatorium ben ik ook meteen verwoed beginnen te lezen. Die honger naar kennis is er nog steeds. Ik wil altijd meer weten, en misschien nog altijd omdat ik bang ben niet genoeg te weten in vergelijking met anderen, ja. Naarmate ik ouder word, lijkt die drang om te willen onderzoeken trouwens alleen maar toe te nemen. Daarom is het jammer dat oudere acteurs in dit land te weinig gewaardeerd worden.

"Ik ben nu 64 en freelancer. Dit hele jaar heb ik, en dat maakt me zot, geen enkele opdracht. Niets. Dus moet ik gaan stempelen. Een jaar lang. Daarna heb ik waarschijnlijk werk, want ik ben weer met een monoloog bezig, alleen mag ik daarover nog niets zeggen, hij moet nog geschreven worden. Maar ik kijk er enorm naar uit."

U hebt een inhoudelijk zeer rijke carrière in het theater, op het doek en op televisie. Weinigen van uw generatie kunnen terugblikken op zulke diverse en vaak ook spraakmakende rollen. Toch praat u alleen maar over dat wat volgens u niet goed verliep.

"Gilda, zonder wie ik niet zou kunnen leven, zegt me dat altijd: 'Ge zijt ne sombere mens'. Zij kent me. Ik zie het negatieve altijd scherper dan het positieve. Ik heb dat van mijn vader. Hij is een bitter man. Ik probeer erover te waken om niet ook bitter te worden. Ik heb de kiem in mij, dat staat vast.

"Maar als het dan toch moet: het liefst van al kijk ik terug op de grote theaterproducties die we, zowel met de Blauwe Maandag Cie als met Het Toneelhuis, hebben gemaakt, zoals Ten oorlog, Zomergasten, De man zonder eigenschappen... Dat was zeer mooi, zeer waardevol. Theater is voor mij ook de moeder van ons vak. Daar begint alles mee. Ik vind die kern heel belangrijk.

"We maken nu de tweede generatie acteurs mee die van het conservatorium meteen de stap naar film of tv zetten. Ik ben daar wat bang voor. Ik vrees dat deze werkwijze wel tot een grotere oppervlakkigheid móét leiden. Je moet je fundamenten kennen, weten waar je wortels liggen. Anders kun je niet afdalen."

De wortels van de jongere generaties zijn misschien niet langer dezelfde als die van uw generatie?

"Toch voel ik een gemis aan fundamenten bij die acteurs die nooit op een podium hebben gestaan. Het podium staat symbool voor wekenlang repeteren, voor samen spelen, voor verdieping, voor improviseren, want alles wat fout gaat, moet meteen rechtgezet worden, en liefst zonder dat het publiek iets heeft gemerkt.

"Het podium houdt ook de confrontatie met een levend publiek in, met een publiek dat niet gemakzuchtig voor de televisie plaatsneemt, dat betaalt om je te zien, dat voor jou de deur uitgaat, aanschuift in de rij... Ik denk dat een kennismaking met al deze facetten van het vak je als acteur sterker maakt."

U was elf jaar lang enig kind, daarna kwamen er nog drie, van dezelfde vader en moeder. Dat was, zeker in die jaren, een ongewone gang van zaken.

"Er moet iets zijn gebeurd, we weten niet wat. Thuis werd veel gezwegen, en als er werd gesproken, werd er daarom nog niet veel gezegd, als je begrijpt wat ik bedoel. Het was er ook nooit gezellig. Waarschijnlijk daarom dat ik zo veel mogelijk buiten speelde, ik ben altijd een speelvogel geweest en gebleven, ik moest en moet kunnen uitstijgen boven de dagelijkse realiteit.

"Mijn broer, het tweede kind, is vermoedelijk een softenonkind. Vermoedelijk, want we zullen het nooit weten. Hij is geboren met een onvolgroeid armpje. Ook daar werd thuis met geen woord over gerept. Niet over zijn arm, niet over waar die afwijking vandaan kwam, niet over het feit of mijn moeder dat medicijn al dan niet had genomen. Het woord 'gehandicapt' mochten we thuis niet in de mond nemen.

"Soms, op naargeestige dagen, kan ik het betreuren dat ik van thuis uit geen culturele bagage heb meegekregen. En geen emotionele. Ook dat zorgt voor een achterstand."

Het zou ook voor een extra drijfveer kunnen zorgen.

"Dat is mogelijk. Ik blijf, en dat zal u niet verbazen, het omgekeerde denken.

"Maar ik ben wel trots op de grote sprong die ik heb gemaakt. Tussen waar ik vandaan kom, en waar ik me bevind, gaapt een kloof. Ik heb die overbrugd. Inhoudelijk, maar ook economisch. We waren thuis arm. Mijn vader was metser. Mijn moeder huisvrouw. Op de muren in ons huis stond schimmel. Vaak moesten we wachten op de uitbetaling van het kindergeld om onze schulden in de winkels te gaan afbetalen. Maar honger hebben we nooit gehad.

"Mijn acteursleven heeft me niet financieel rijk gemaakt, maar ik leef er goed van. En ik heb geen eigen kinderen, al beschouw ik Gilda's dochter uit een vorig huwelijk wel als 'ook een beetje dochter-van-mij'."

Is het applaus een bad dat deze kloof, en de eenzaamheid die daarmee gepaard gaat, eventjes dicht? Of anders gezegd: zalft het applaus uw ziel?

"Dat hangt van het applaus af. En hier is mijn schaduwkant weer: een beleefdheidsapplaus is een nachtmerrie. De mensen klappen, en je weet dat ze dat doen omdat het nu eenmaal zo hoort, niet omdat ze het echt menen. Nadat het doek drie keer is gevallen - drie keer groeten is in Vlaanderen de standaard, in Nederland krijg je er nog een staande ovatie bij - rep je je naar je kleedkamer, en daar val je in een diep en donker gat, in een enorme eenzaamheid. En toch moet je er de volgende avond weer staan.

"Maar oprecht applaus is een medicijn, en als je meer dan drie keer wordt teruggeroepen, krijg je van al dat geklap mentaal zo'n opkikker dat je het stuk bij wijze van spreken onmiddellijk weer zou kunnen spelen, ook al ben je helemaal uitgeput. Je vergeet die uitputting. Je drinkt de energie die het publiek je uit dankbaarheid schenkt. Je weet weer waarvoor je het doet."

Volgende week: Leah Thys

---

Journaliste Margot Vanderstraeten en fotograaf Stephan Vanfleteren maakten voor De Morgen eerder al 'Schrijvers gaan niet dood', een alom bejubelde reeks portretten van oudere auteurs als Mulisch, Geeraerts, Vandeloo en Vinkenoog. De interviews en foto's verschenen ook in boekvorm.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234