Maandag 10/05/2021

Meer dan plaatjes bij praatjes

Van 11 tot 25 maart loopt de jeugdboekenweek. Naar aanleiding daarvan portretteert Annemie Leysen enkele illustratoren. Nooit eerder verschenen er zo veel prachtig uitgegeven, kunstig 'verluchte' boeken voor kinderen als de voorbije jaren. Prentenboeken worden almaar meer een eigen genre binnen de (kinder)literatuur. Ze zijn veel meer dan een praatje bij een plaatje of omgekeerd. Illustratoren van vandaag - en ze zijn talrijk - brengen met talent en vakmanschap hun eigenzinnige kijk op de wereld. Daarbij vertellen ze steeds vaker hun eigen verhaal.Een gesprek met de Engels-Brusselse Kitty Crowther. En portretten van de Vlamingen Kristien Aertssen en Klaas Verplancke en de Duitsers Rotraut Susanne Berner en Wolf Erlbruch.

Annemie Leysen

Kitty Crowther

"Met mijn tekeningen wil ik iets teruggeven van wat ik als kind in overvloed gekregen heb", zegt ze. "Dat ben ik al die kunstenaars die mij zo lang gezelschap hebben gehouden verplicht."

Kitty Crowther woont op de vierde etage van een oud pand, in de buurt van het park van Wolvendael in Ukkel. "Het licht in de lift doet het niet", waarschuwt ze in de parlofoon. In een donkere, zwoegerige lift naar boven dan maar. Van de lawaaierige stadse drukte naar een oase van rust. Twee poezen komen even poolshoogte nemen en zetten hun lome bestaan meteen weer verder, soezend tussen de potjes met verfkwasten en potloden op de werktafel van Kitty Crowther. De huiskamer doet dienst als werk- leef- en speelkamer. Overal grappige voorwerpjes, speeltjes op de grond, tekeningen aan de muur en het wat vale voorjaarslicht eroverheen. Het lijkt wel een bladzijde uit een van haar prentenboeken. Gezellig en veilig binnenskamers. Kitty Crowther, een klein vinnig mevrouwtje van dertig met een man en twee kleine zoontjes. Eerst wat timide en afwachtend, later een enthousiaste spraakwaterval. Ze slist een beetje. "Dat hield ik over aan de tijd toen ik nog slecht hoorde", legt ze uit. Door die gehoorstoornis begon ze maar op haar zesde echt te praten. Boeken en tekeningen waren haar communicatiemiddel, haar "telegrams" met de wereld in haar stille kinderjaren. Vandaar haar fascinatie voor het visuele, voor het beeld.

Ze groeide op in een internationale Brusselse omgeving. Haar vader was Engels, haar moeder is Zweedse. Spreken en vooral schrijven doet ze bij voorkeur in het Engels, haar moedertaal, "en zoveel muzikaler, economischer en efficiënter", zegt ze.

We hebben het over haar werk, dat bij de Brusselse uitgeverij Pastel wordt uitgegeven en waarvan Querido heel wat titels in vertaling uitbracht. Crowther ontwikkelde een heel eigen, wat minimalistische stijl: grappige en ook wel bedreigende personages in enkele pennenstreken neergezet tegen een veelzeggende achtergrond waarop allerlei symbolische details te zien zijn. Kleine nuances in houdingen en mimiek spreken boekdelen. De bijbehorende tekst vormt een kernachtige aanvulling van de prenten. Met een minimum aan vormgeving en taal roept Kitty Crowther een kinderlijk universum op waarin tedere humor en warmte, ontroerende eenzaamheid en verdriet en angstaanjagende woede en boosheid een plaats krijgen. Geen bedrieglijke, nostalgische rozige kinderwereld dus.

"Max en de Maximonsters van Maurice Sendak, de bizarre prenten van Tomi Ungerer en de geestige pentekeningen van Quentin Blake hebben me altijd al gefascineerd", vertelt ze enthousiast. "Ik wilde zelf altijd treurige of angstwekkende verhalen lezen waar ik om kon huilen. Verdriet, woede en schrik geven je tenminste het gevoel dat je leeft! Mijn kindertijd was niet echt rooskleurig. Er was niet alleen die doofheid, die het me moeilijk maakte om uit te drukken wat ik voelde, er was ook een wat onbehaaglijke sfeer in mijn ouderlijk huis, met een ambitieuze vader en een lastige moeder die hoge eisen stelden. Er zit dan ook veel van mijn opgekropte woede en verdrongen emoties in mijn boeken. Zelf was ik niet bepaald een doetje: rebels en tegelijk behaagziek, zo zou je het wel kunnen noemen. Ik teken dolgraag mensen met een rotkarakter. En kinderen vinden dat ook wel bijzonder, merk ik vaak. Volwassenen komen er in mijn boeken meestal niet zo voordelig uit."

In Mijn Koninkrijk (het relaas van de echtscheiding van Crowthers ouders) draait het allemaal om relatieproblemen. De kleine vertelster woont met een rits dieren in een klein huis, geprangd tussen de twee dominerende kastelen van haar ruziënde buren, koning Patrick en koningin Dominique. Die gooien elkaar pijlen, taarten en stenen naar het hoofd en proberen in het gevlei te komen bij hun buurmeisje. Moe getergd stelt de kleine heldin orde op zaken. Crowther vergrootte de twee volwassenen uit tot boosaardige karikaturen met enorme ogen, neuzen en lijven, haar middel bij uitstek om een en ander te dedramatiseren en om kinderen duidelijk te maken dat volwassenen het niet noodzakelijk altijd bij het rechte eind hebben

Met Mijn vriend Jim (1996) kwam de internationale doorbraak. Jack, een zwarte merel, en meeuw Jim ontmoeten elkaar en worden, ondanks de argwaan van Jims soortgenoten, onafscheidelijk. Voor de hele maritieme setting liet Kitty Crowther zich inspireren door het Zeeuwse stadje Veere, waar ze als kind vele vakanties doorbracht. "Ik hou wel van merels, ze zijn stil en discreet. Ik herinner me hoe mijn vader met ze converseerde. Dat vond ik geweldig! Dit is een verhaal over vriendschap die bestand is tegen vooroordelen. Ik wilde er beslist geen Hollywood-einde aan breien. Tenslotte wint de zwarte Jack het vijandige meeuwenvolkje voor zich doordat hij met zijn verhalen iets te bieden heeft wat er nog niet was: een vorm van cultuur, een meerwaarde. Ik weiger overigens expliciete boodschappen mee te geven in mijn boeken. Door de overvloed aan informatie waarmee kinderen overstelpt worden krijgen ze op den duur niet meer de kans om zelf na te denken. Betekenissen moeten ze zelf maar zien te vinden, die moet je niet inlepelen." Een prachtig prentenboek is dit, met betoverende kleine en grote aquarellen in een originele compositie.

Kitty Crowther heeft het niet begrepen op de meeste nieuwe Franse illustratoren: "Te geconstrueerd, te mooi vaak en technisch te af en daardoor niet echt uit het hart. Emoties zijn essentieel. Je moet kunnen geloven wat je ziet. Ik teken trouwens nooit met de computer. Je moet op papier tekenen, zo geef je je energie op het blad. Je moet nog kunnen merken waar je pen even is blijven rusten op je papier terwijl je zat na te denken. Dan wordt het veel echter. Met de computer zijn er geen vergissingen meer mogelijk, en dat is jammer."

Haar laatste boek, Ik en Niks, was veeleer als een grapje bedoeld. In twee dagen was het zo goed als rond. Kitty Crowther haalt haar schetsboek erbij. Het begon met een schets van een meisje met een te grote jas van haar vader om. De beweging van een arm om een denkbeeldige ander, suggereert het "imaginaire vriendje", de "Niks" in dit boek. "Ik weet nooit vooraf waar mijn verhaal naar toe loopt. Ik vertrek van een beeld dat me bezighoudt en dan zie ik wel. Een beetje zoals een kind dat nog niet precies weet wat het zal gaan spelen, zoiets." Ik en Niks werd dan ook bij toeval een verhaal over een eenzaam meisje en een even eenzame, trieste vader, allebei verweesd na de dood van de moeder. Gelukkig is er "Niks"." Een prachtig, ontroerend en authentiek geschreven en getekend verhaal.

Kitty Crowther laat me trots een boekje uit 1995 zien. Va faire un tour heet het en het werd helaas niet in het Nederlands uitgegeven. Merkwaardig, want zonder woorden en dus geen vertaling nodig. Een juweel! Een klein ventje(?) wordt door zijn moeder het huis uit gestuurd in afwachting van de maaltijd. Boos en zeer vast besloten gaat hij op stap, de armen op de rug. Tot in Oostende, de zee door tussen kwallen en krabben, dwars door Engelse tuinen en kastelen, voorbij nieuwsgierig toekijkende schapen en door het meer waar het monster van Loch Ness hem nakijkt. Alle continenten liggen op de route van het aandoenlijke Sempé-figuurtje. Tot hij weer thuis komt, waar de soep klaar is. Geestig detail op het eind: de vader leest LE SOIR met op de voorpagina een foto van het Loch Ness monster waarop nog net een stukje van de kleine stapper te zien is. In kleine gravures wordt een hele wondere wereld opgeroepen. Kitty Crowther kreeg voor een ingezonden illustratie uit wat later Va faire un tour zou worden de Prix du Jury 1992 van het Salon du Livre de Jeunesse in Montreuil.

Met Anna in de wolken wilde ze een "bijzonder boek over een bijzonder meisje" maken. En dat werd het ook: wild en teder tegelijk, en met een vreemde kinderlijke logica gecomponeerd. Alles is hier mogelijk. Anna vertrekt met vogel Toddel en haar magische wenskoffertje naar het Wolkenrijk. Daar regeert alweer een tirannieke koningin, die het toverkoffertje wil inpikken. De Barbapapa-achtige wolkenbewoners en de sukkelige koning behoeden Anna voor verder onheil.

"Je moet kunnen geloven wat je ziet." Kitty Crowther blijft het herhalen. Ik wil heel graag geloven wat ik in haar boeken zie. Het bijzondere, het tedere en ontroerende, het wrede en boosaardige van de wereld en zijn bewoners, het zit er allemaal in. En het is ongewoon mooi gemaakt.

BIBLIOGRAFIE (in het Nederlands uitgegeven boeken) Mijn koninkrijk, Van Goor,1994. Mijn vriend Jim, Querido, 1996. Eens komt mijn sprookjesprins (Tekst van Andréa Nève), Querido, 1996. Anna in de wolken, Querido, 1997. De grote Beer (Tekst van Carl Norac), Querido, 1999. Grote Oma's (Tekst van Bart Moeyaert), Querido, 1999. Meneer Bas maakt heel wat mee, Querido, 2000. Ik en Niks, Querido, 2001.

Kristien Aertssen

Kristien Aertssen (48) kent haar vak door en door. Ze studeerde grafische vormgeving en illustratie aan de Antwerpse Academie en aan de Art Center College of Design, Pasadena (USA). Nu leidt ze zelf toekomstige illustratoren op in Antwerpen. Met een twintigtal boeken bij Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen vestigde ze haar reputatie. Het experiment heeft haar duidelijk altijd al bekoord. Ze probeerde steeds nieuwe uitdrukkingsvormen uit, ook al blijft haar typische signatuur onmiskenbaar: uitbundig kleurgebruik, ontwapenende humor in het detail, een grote diversiteit van technieken op één prent, fladderige zwierigheid in de compositie, treffende uitbeelding van emoties, de verbeelding aan de macht. Ze illustreerde een aantal versjes- en liedjesboeken (onder meer voor Riet Wille en Geert de Kockere) en gaf daarbij vaak een eigen interpretatie mee. In 1999 verscheen Circus Bollebrood (Leopold), het eerste prentenboek waarvoor ze ook het verhaal bedacht en schreef. Het werd een feestelijk getekend verhaal, met een minimum aan tekst, over de kleine clown Bo die bij zijn dierenvrienden gezelschap vindt. Geestige warmte voert de toon in de fantasierijke, royale tekeningen. Met De papawinkel (Leopold) zette ze die toon door. Het vertelde verhaal is hier al heel wat consistenter. De illustraties vullen de tekst veelbetekenend aan. Een geslaagde mengeling van humor en ontroering, prachtig vormgegeven in een uitbundige waaier van grafische technieken.

Rotraut Susanne Berner

De Duitse illustratrice Rotraut Susanne Berner (53) raakte in ons taalgebied bekend met de meesterlijke tekeningen die ze maakte bij Mijn Vader van Toon Tellegen. Haar bizarre, geestige tekenstijl past perfect bij de al even ongewone verbeelding van Tellegen. De lange slungelachtige vader torent hoog uit boven het adorerende zoontje. Een zielsgenoot vond ze ook in Jürg Schubiger, met zijn surrealistische kijk op de wereld in Het meisje en het geluk en Toen de wereld nog jong was. Rommelig aandoende composities, vreemde perspectieven, een soms absurde vermenging van fictie en realiteit geven in haar illustraties een raadselachtig en poëtisch beeld van het kinderlijke universum. "Illustreren is niet zomaar een verpakking maken voor verhalen", zegt ze in een interview. Steeds wil ze zich het tekstmateriaal van anderen eigen maken, om het vervolgens naar haar eigen hand te zetten en het een nieuwe dimensie te geven. Haar tekenstijl is vrolijk en kleurig. Het ene beeld roept bij haar meteen een ander op, zo lijkt het wel. Zo krijgt de kleine jufferige fee-met-brilletje meteen een lampenkap als jurk mee, terwijl ze in Als ik eens een wens mocht doen uit het nachtlampje van haar beschermeling tevoorschijn komt. Dat associatieve maakt haar tekenwerk bijzonder ritmisch en zwierig. Ook in Sprookjestijd, een bewerking in stripvorm van een aantal bekende sprookjes, is dat het geval. In dat boek laat ze de tijd onbestemd, al laat ze zich in 'Roodkapje' wel even verleiden tot een drastische actualisering met landschappen vol auto's en vliegtuigen. De kinderen die ze tekent zijn aandoenlijk in hun mimiek en houdingen. Voor Haas en hond, een geestige familiesaga over hardnekkige vooroordelen, schreef Rotraut Susanne Berner zelf het geestige verhaal. De absurde woordspelingen vormen hier een ideale verwoording van wat op de grappige blauw-gele prenten te zien is. Vrolijk vakmanschap in woord en beeld.

Wolf Erlbruch

In de wondere wereld van de Duitse illustrator Wolf Erlbruch (53) valt veel te zien en te beleven. Net als de personages die hij tekent gaat hij eigenzinnig en hoogst origineel met de werkelijkheid om en nodigt hij zijn jeugdige en volwassen publiek uit om de wereld anders te bekijken. Meestal voert Erlbruch onhandige, soms groteske 'grote mensen' op, die met hun grote lijven veel plaats innemen. Vooral in zijn laatste verhalen laat hij de afloop monkelend in het midden. Zijn summiere teksten suggereren evengoed als zijn prenten. Grote boodschappen zijn er niet bij. Mevrouw Meijer, de merel vertelt over een tobberige, mollige huisvrouw, gekweld door onbenullige zorgen. Een uit het nest gevallen mereljong zorgt voor een doel in haar kneuterige bestaan. De oeverloze affectie waarmee ze de vogel opkweekt straalt uit heel haar wezen. Bij haar pogingen om het jong te leren vliegen, ontstijgt ze plots zelf haar eigen onderschatte mogelijkheden. Een prachtig , ontroerend boek. Erlbruch werkt vooral met collage- en assemblagetechnieken. Hij tekent of schildert zijn figuren op karton en zorgt dan voor een uitgebalanceerde scenografie op een gelige achtergrond. Er blijft heel wat lege ruimte over op de bladzijden, die door de verbeelding van de kijker kan worden ingevuld. Net als Hitchcock duikt Erlbruch zelf in zijn verhalen op. Als de kalende Meneer Meijer met het ronde brilletje, bijvoorbeeld, minzaam en geduldig met zijn piekerende wederhelft, in een eigen wereld van geknipte papieren poppetjes. Ook in Ik ruik kindervlees (op tekst van Valérie Dayre) loopt hij achteloos voorbij. Een prentenboek dat overigens nogal voor opschudding zorgde: een hongerige, wanstaltige dame is gulzig op zoek naar een kind om op te eten en verorbert uiteindelijk nietsvermoedend haar eigen zoontje. De surrealistische achtergronden, boordevol citaten uit werk van Rafael, Picasso en Velasquez maken het allemaal onwezenlijk en heffen meteen elke bedreiging op. Een kinderboek moet ook voor volwassenen interessant zijn, vindt Erlbruch. Dat is dan ook het geval voor alles wat hij maakt, en hij heeft er niet eens irritante 'knipogen' naar die volwassenen voor nodig.

Klaas Verplancke

Vorige week nog raakte bekend dat de Vlaamse illustrator Klaas Verplancke (35) , net zoals Jot, de held uit zijn nieuwste boek, dan toch echt beroemd zou worden. Hij ontvangt op 4 maart de Bologna Ragazzi Award 2001 in de categorie fictie voor 6 tot 12-jarige kinderen. En dat is niet niks. Die prijs krijgt hij voor zijn illustraties bij Ozewiezewoze (De Eenhoorn), een verzameling oude liedjes en rijmpjes bijeengebracht door Jan van Coillie. Een verdiende bekroning. Ga er maar eens aan staan: nonsensikale teksten uit een lang vervlogen verleden zinnig en eigentijds voor kinderen van vandaag in beeld brengen. Verplancke loste het magistraal op door telkens drie of meer versjes in één copieuze en grappige illustratie te 'verluchten'. De Mosselman, een kanjer van een mossel op spillebenen, "legt zakdoek" met het manteltje van Roodkapje die ergens "henen" gaat. Zoiets.

Verplancke is illustrator, grafisch ontwerper, organiseert tentoonstellingen en is de drijvende kracht achter de Vlaamse Illustratoren Club. Met meer dan negentig ontwerpen en geïllustreerde kinderboeken op zijn palmares is hij wel bijzonder productief. Ook hij hanteert diverse technieken: scraperboard, acrylverf, collage, fotografisch materiaal, pen en potlood en computer. De voorbije jaren ging hij steeds selectiever te werk bij het aanvaarden van opdrachten. Met zijn illustraties wil hij steeds een duidelijke stempel drukken op het boek, en wil hij meer zijn dan de obligate 'opsmukker' van het verhaal van een ander.

Ook op eigen benen, maakte hij recent een eerste boekje waarvoor hij zelf de tekst schreef en verzon. Jot vertelt in woord, beeld en typografie het verhaal van een onstilbaar verlangen naar roem en bekendheid. Het werd een grappig en aandoenlijk boek, waarin tekst en prenten het om beurten van elkaar overnemen. De soms wat overdadige details uit zijn vroegere werk zijn hier verdwenen. Alles is tot een sobere essentie in bedaarde kleuren herleid .

Illustratorendebat n.a.v. de opening van de Jeugdboekenweek op 11 maart om 19.30u in de Foyer van de Munt . Reserveren is nodig (Villa Kakelbont 03/202.83.6 elke weekdag tussen 10 en 12 uur)

Kitty Crowther: 'Met de computer zijn er geen vergissingen meer mogelijk en dat is jammer'

De tekenstijl van Rotraut Susanne Berner is vrolijk en kleurig

Klaas Verplancke ontvangt op 4 maart de Bologna Ragazzi Award 2001. En dat is niet niks

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234