Zaterdag 24/07/2021

Meer dan een huis om op te bouwen

Leerrijke tentoonstelling in het Londense Design Museum belicht de productiefste Bauhaus-jaren

Luc Van De Steene

Schone liedjes duren meestal niet lang. Toch hebben de rare vogels van het Bauhaus (1919-1933) het veertien jaar lang weten uit te zingen. Zonder het ingrijpen van de nazi's had het wellicht nog langer geduurd. In het Design Museum in Londen loopt momenteel een leerrijke tentoonstelling over deze wellicht invloedrijkste cultuurbeweging van de twintigste eeuw.

Autoconstructeurs lijken nu zelfs de weg naar de kunst gevonden te hebben. Wie vorig jaar de Picasso-tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal bezocht, moest eerst voorbij iets wat sterke gelijkenissen vertoonde met wat in de branche een 'nieuw model' wordt genoemd, zijnde in dat geval een Picasso op vier wielen. Uzelf spiegelen aan een ander, om er zelf in de eerste plaats beter van te worden, zoiets. Noem het maar opportunisme of platte commercie. Een licht déjà-vu-gevoel overvalt u dan ook wanneer u rond deze tijd in de richting van het Londense Design Museum wandelt. Een embleem met cirkels - degelijk Duits, het kan niet anders - heet u deze keer welkom. Sponsored by staat er. Een poepchique bolide lacht u toe in een glazen kooi, alsof zonodig moest gezegd: kijk maar, aanraken kunt u niet, en betalen nog veel minder. Dat laatste geldt wellicht voor het leeuwendeel van de bezoekers van Bauhaus Dessau, de - vooral leerrijke en educatief opgevatte - tentoonstelling die er nog te zien is tot 4 juni. Industrieel, dus fabrieksmatig, design was wel één van de dada's van de Bauhaus-discipelen, althans, een dada is het geworden nadat Walter Gropius (1883-1969) met zijn manifest Idee und Aufbau des Staatlichen Bauhauses Weimar - zo heette het Bauhaus voluit - (1923) de (ambachts)man-van-het-eerste-uur, de ascetische, bijna mystieke Zwitserse leraar-schilder Johannes Itten op de vlucht had gejaagd. Als er dan toch enig inhoudelijk verband moet worden gevonden tussen Bauhaus en de desbetreffende sponsor, dan is het op het vlak van het industriële design.

De beginjaren

1919, amper een jaar na de grote brand. De oorlog mocht dan wel zijn uitgedoofd, de geesten stonden nog steeds in vuur en vlam. Het was een tijd van heftige emoties, van veel Ungeduld des Herzens, zoals later ook bleek uit de geschriften van Thomas Der Zauberberg Mann. Het pessimisme zat diep. De sociale en politieke ontreddering was groot. Een emotionele Franz Sieburg omschreef de geestelijke toestand heel treffend in Die Weltbühne van 27 september 1923: "Ook ik ben Hamlet", meende hij. "Mijn vader die vermoord werd, is de geest. Mijn moeder is Duitsland. Ze is met de moordenaar getrouwd." Eigenlijk voelden alle linksgeoriënteerde Duitse intellectuelen zich op dat ogenblik Hamlet-figuren. Niettemin zou op die puinhoop een Europese avant-garde rechtstaan, die in alle kunstdisciplines zijn sporen zou achterlaten. Een aantal kunstenaars liet namelijk de hoop niet varen ooit nog eens een bewoonbare wereld te zien ontstaan, wilde daarom ook resoluut breken met de in hun ogen oneerlijke 'salonkunst' in een oneerlijke wereld. Het was hun stellige overtuiging dat wanneer ze werkelijk tot een 'stijl' konden komen, tot een zuivere vormgeving, dat daarvan een zuiverende werking zou afstralen op de gehele samenleving. Ze wilden, in navolging van de gotische kathedraalbouwers, een 'metaforische kathedraal van de toekomst' bouwen. Veel meer dan om een stilistisch dictaat was het hen dus te doen om een gemeenschappelijke levens- en geesteshouding. Johannes Itten formuleerde het jaren later als volgt: "Door de verschrikkelijke gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog en een nauwgezette bestudering van Spenglers Untergang des Abendlandes was ik tot het inzicht gekomen dat we op een keerpunt van onze wetenschappelijk-technische beschaving waren aanbeland. (...) Ik zocht voor mijzelf en mijn werk naar een grondslag voor een nieuwe leefwijze."

Er werd rond die tijd ook verwoed strijd geleverd om hervormingen door te voeren in het Duitse kunstnijverheidsonderwijs. De strijd werd na veel vijven en zessen beslecht met een compromis: architect Walter Gropius werd door de Weimar-regering aangesteld als directeur van het nieuwe instituut dat ontstond uit de fusie van de twee bekvechters, de Groothertogelijke School voor Kunst en Nijverheid onder leiding van de Belg Henry van de Velde, en de Kunstacademie. Het was een werkbaar compromis, maar de interne tweespalt zou gedurende het hele Bauhaus-avontuur onderhuids blijven sluimeren. Gropius noemde zijn instelling 'Das Bauhaus', waarmee hij, niet toevallig, refereerde aan de middeleeuwse Bauhütten of steenhouwersgilden. Naar hun voorbeeld diende volgens Gropius immers de tegenstelling tussen kunst en ambacht te verdwijnen. In zijn manifest van 1919 klinkt de pessimistische Zeitgeist intussen mijlenver weg: "Laten we een nieuwe gilde van handwerklieden stichten, zonder het klasseonderscheid dat een muur van hoogmoed optrekt tussen kunstenaars en handwerklieden. Laten we gezamenlijk het nieuwe bouwwerk van de toekomst nastreven, bedenken en scheppen, dat architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst in één vorm zal omvatten en dat op een dag uit de handen van miljoenen handwerklieden tegen de hemel zal oprijzen als het kristallen symbool van een nieuw geloof." Als een kathedraal, staat er net niet. Met deze 'terug-naar-het-ambacht'-ideologie maakte Gropius een brug naar John Ruskin en William Morris, de vaders van de arts and crafts movement in Engeland, en naar Bruno Taut, die eind 1918 had gesteld dat een nieuwe culturele eenheid slechts kon worden bereikt door een nieuwe bouwkunst, waarbij elke discipline apart moest bijdragen tot de uiteindelijke vorm: het Gesamtkunstwerk. "Dan zullen de grenzen tussen toegepaste kunst, beeldende kunst en schilderkunst zijn weggevallen", schreef hij. "Alles zal één zijn: architectuur."

De eerste drie jaar van zijn bestaan werd het Bauhaus gedomineerd door Johannes Itten, die in het najaar van 1919 zijn intrede had gedaan. Drie jaar voordien had de charismatische Itten een eigen, door de 'leren-door-doen'-onderwijsmethode van Franz Cizek geïnspireerde, kunstacademie opgezet. Tot 1920, toen op Ittens verzoek de kunstenaars Oskar Schlemmer, Paul Klee en Georg Muche het Bauhaus kwamen versterken, gaf hij in zijn eentje naast de Vorkurs, of voorbereidende cursus, nog vier andere ateliercursussen. Dat Itten een anti-autoritaire aanpak voorstond - mijns inziens de enig mogelijke in het kunstonderwijs - mag blijken uit zijn antwoord op een enquête uit 1922 omtrent overheidssteun voor kunstenaars: "De geest staat buiten elke organisatie. Waar hij desondanks wordt georganiseerd (religie, Kerk), vervreemdt hij van zijn oereigenste wezen... De Staat dient ervoor te zorgen dat zijn burgers niet verhongeren, maar de kunst dient hij niet te ondersteunen."

Nieuwe stijl

Het Bauhaus sloeg een andere richting in toen ook de Nederlandse Stijl-adept Theo van Doesburg eind 1921 zijn intrek nam. De kloof tussen Gropius en Itten, die koppig bij het ambachtsstandpunt bleef, werd met de dag dieper. Terwijl Van Doesburg zich deed gelden als de man van de ratio, en aldus Gropius beïnvloedde, werd de laatste door de precaire sociaal-economische toestand verplicht om afstand te doen van de oorspronkelijke 'ambachtelijke' visie. Het betekende meteen de definitieve breuk met de wereldvreemde Itten. Gropius in 1923: "Het ambachtelijke onderricht van het Bauhaus moet de leerling voorbereiden op het ontwerpen voor de massaproductie." Exit Itten. Zijn plaats werd ingenomen door de Hongaar László Moholy-Nagy, die naast zeep en tandenborstel ook het Russische constructivisme van na 1917 in zijn valies had zitten. Vasili Kandinsky volgde zijn voetspoor. Met z'n tweeën zouden ze de basis leggen voor de strak-functionalistische stijl die meer en meer het handelsmerk van de gehele beweging werd, niet alleen van de architectuur, die per definitie altijd 'functioneel' is. De gebouwen die mensen als Adolf Meyer en Walter Gropius neerzetten, waren bedoeld als het Gesamtkunstwerk waarvan ze voordien slechts hadden kunnen dromen. Welke richting ze uit wilden, is onder meer af te lezen aan het artikel met de veelbetekenende titel Wohnhaus-Industrie, dat Gropius in de Bauhausbücher 3 publiceerde. Hun huizen waren een soort Wohnmaschine, een strak vormgegeven object, voorzien van de laatste technische snufjes, met allerlei spul dat was vervaardigd in de ateliers van het Bauhaus.

Vanaf 1923 schoof het Bauhaus nog verder op naar een extreem 'zakelijke' benadering, waarmee het alsmaar dichter in de buurt kwam van de Neue Sachlichkeit. Die verwantschap kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de bouw van de nieuwe Bauhaus-school in Dessau, naar een ontwerp van Gropius, en werd nog duidelijker na diens ontslag in 1928.

In 1926 begon het meubelatelier van Marcel Breuer met de vervaardiging van lichtgewicht tafels en stoelen van stalen buizen. Een jaar later barstte de industriële productie echt helemaal los: het Breuer-meubilair, de geweven stoffen van Gunta Stadler-Stölzl, de lampen en metalen objecten van Marianne Brandt enzovoort. Met de sobere opmaak (vrij van kapitalen) en de schreefloze letter van Herbert Bayer kwam ook de Bauhaus-typografie in die periode tot volle wasdom. Pas in 1927 werd de architectuurafdeling opgericht onder leiding van de Zwitser Hannes Meyer. Het was ook deze Meyer die, na Gropius' ontslag, aanstuurde op een meer 'maatschappelijk verantwoord' ontwerpprogramma in plaats van het louter esthetische van voorheen. Het Bauhaus kreeg vanaf dan vier afdelingen mee: architectuur, reclame, hout- en metaalbewerking en textiel.

Betekenis

Er zijn diverse redenen aan te stippen waarom het Bauhaus het niet langer dan veertien jaar heeft volgehouden. Intern raakte men het uiteindelijk niet eens over de vraag of er nog wel iets overbleef voor de kunst bij een dergelijk ten top gedreven functionalisme. Maar de genadeslag kwam van buitenaf. Het Bauhaus kon onmogelijk nog langer gedijen in het toenemende reactionaire klimaat in Dessau, en werd, ondanks de benoeming ter elfder ure van de patriarchale Mies van der Rohe, gedwongen uit te wijken naar een oude fabriek aan de rand van Berlijn. Op het ogenblik van de verhuis (oktober 1932) was het Bauhaus al reddeloos verloren. Negen maand later werd het door Goering als 'broeinest van cultuurbolsjevisme' opgeheven.

De twintigste eeuw was een eeuw van vele dingen; vanuit bouwtechnisch oogpunt was het een eeuw van staal, beton en glas, en van tal van nieuwe kunstvormen die mogelijk werden gemaakt door die nieuwe technische vindingen. Het Bauhaus heeft duidelijk gemaakt dat de geest bij dat alles de rol van creatieve waakhond op zich dient te nemen, zodat het zuivere technische kunnen in goede banen wordt geleid. Wat de Bauhaus-beweging nog steeds zo uniek maakt, is de perfecte harmonie die toen bestond tussen een maatschappelijk geëngageerd cultuurideaal en een sterk ontwikkeld technisch vernuft. Geen enkele beweging zou hen dat nog nadoen.

'De Staat dient ervoor te zorgen dat zijn burgers niet verhongeren, maar de kunst dient hij niet te ondersteunen' (Johannes Itten, 1922)

De tentoonstelling 'Bauhaus Dessau' loopt nog tot 4 juni in het Design Museum, Butlers Wharf, Shad Thames, SE1 in Londen. Metro: London Bridge of Tower Hill. Dagelijks van 11.30 tot 18 uur. Tickets: £5.25. Zie ook: www.designmuseum.org en www.bauhaus.de

GRATIS: wij vinden dat u zelf maar eens naar Londen moet, om de tentoonstelling te zien of gewoon om Londen nog eens te zien. En wat meer is: het kan gratis. Voor 5 x 2 lezers hebben we eersteklastickets klaarliggen waarmee u met Eurostar naar Londen reist. Voor één dag, voor een weekend, aan u de keus. Stuur een kaartje met het antwoord op de vraag 'Welke architect ontwierp het Dessauer Bauhaus?' naar De Morgen/Metro-Bauhaus, Postbus 1, 1070 Brussel. De winnaars krijgen elk twee formulieren in de bus, waarmee ze vervolgens hun tickets kunnen afhalen aan de balie in Brussel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234