Donderdag 21/11/2019

Meedogenloos opgewekt

Miniatuurtjes van Felicitas Hoppe

Herman Jacobs

Opgewektheid is toch al geen artikel dat in de literatuurwinkel onbeperkt voorradig is, maar de bijna baldadige, anarchistische opgewektheid die de Duitse schrijfster Felicitas Hoppe tentoonspreidt in haar debuut Kappers in het gras is wel heel zeldzaam. In de twintig zeer korte verhalen uit dit opmerkelijke boekje sleept ze je, aan de hand van de merkwaardigste figuren, een surrealistisch absurde, vaak wrede en toch komische wereld in.

Waar deze, hoe moet je ze noemen, kolderieke sprookjes?, over gaan is niet zo een, twee, drie duidelijk - in feite gaan ze ook niet zozeer ergens over. Ze delen in de eerste plaats zichzelf mee. Dat doet literatuur, en met name poëzie, natuurlijk altijd. Er valt iets voor te zeggen om Hoppes verhalen daarmee te vergelijken - een zich volgens een even raadselachtige als kennelijk vanzelfsprekende, droomgelijke logica ontwikkelende poëzie dan wel.

Neem het verhaal 'Het balkon'. Een jongen staat zoals elke dag ergens in de rij, nadat hij 's ochtends thuis de deur is uitgewerkt (en door zijn vader bont en blauw geslagen). In de rij krijgt hij dan weer slaag van de conciërge, "geheel volgens (diens) gewoonte". Om aan het gemep te ontkomen werkt hij zich verder naar voren in de rij, tot bij een tafeltje waaraan drie mannen zitten te kaarten en boterhammen met worst te eten. De jongen heeft honger en hij begint, in de hoop wat te eten te krijgen, een van de kaarters te helpen. Als de anderen dat in de gaten krijgen, willen ze hem een kopje kleiner maken. Als de bliksem kruipt hij onder de tafel, "vanwaar ik toekeek hoe dat drietal elkaar de nek omdraaide, wat een genoegen was", en hoe vervolgens de hele rij wachtenden elkaar te lijf gaat. Plots doemt de conciërge weer op. De jongen kan hem paaien door te beloven dat hij hem toegang zal geven tot het balkon van zijn tante.

(Dat balkon namelijk is zeer in trek, tante verhuurt het in de weekeinden per uur. Af en toe valt er iemand van af, waar steevast een menigte naar komt kijken, bij wie tante dan weer collecteert "voor de gevallenen". Die laatsten verpakt ze, in afwachting van de komst van de nabestaanden, in het elastiek dat de moeder van de jongen in voor het gezinsinkomen desastreuze hoeveelheden in huis heeft gehaald (reden waarom ze door de vader flink wordt afgerost).)

De jongen loodst de conciërge op een dag inderdaad het huis van tante binnen - de man laat er geen gras over groeien en bespringt haar onmiddellijk op de sofa - en gaat zelf een kijkje nemen op het balkon. Daaronder staat een massa mensen, onder wie zijn vader en moeder, zijn twee zussen en warempel zelfs zijn sinds jaar en dag verdwenen broer. Als hij wil horen wat ze tegen hem zeggen, buigt hij zich te ver voorover, dondert naar beneden, wordt door tante in elastiekband verpakt en ten slotte in de kist gelegd. Einde.

Typerend is dat nergens in het verhaal een reden voor wat dan ook wordt gegeven. Er wordt in de rij gestaan, gevochten, vader ramt erop los, moeder koopt, tante verhuurt en verpakt, klaar. De jongen stelt zich er absoluut geen vragen bij - niemand trouwens. Ook is hij helemaal niet boos op zijn vader of op de conciërge, hoe slecht die hem ook behandelen, noch is hij onthutst door het brute geweld dat in de rij losbarst. Psychologie of ethisch besef is in Hoppes vertellingen niet aan de orde - net zomin als in sprookjes (Hansje en Grietje zijn ook niet boos op de heks; ze willen alleen van haar af en vermoorden haar dus).

Om de vraag opnieuw te stellen: waar gaan deze verhalen dan over? Een paar algemene onderlinge gelijkenissen zijn er wel. Er is bijvoorbeeld erg veel sprake van ouders en kinderen, en altijd doen die ouders hun kinderen vervelende dingen aan. Een vader laat zijn kind ieder dag opnieuw kaalscheren omdat het rood haar heeft, een andere vader stopt zijn kind in een kooi en laat het optreden als dansende beer. Het gezinsleven valt in de wereld van Felicitas Hoppe niet erg knus uit.

Een andere constante is het ontbreken van emotionele verbondenheid. De personages hebben wel met elkaar te maken, maar niet met elkaar te doen, ze zijn niet bij elkaar betrokken. Vandaar ook het eigenaardig mechanische, emotieloze geweld dat in sommige verhalen oplaait, en dat inderdaad herinnert aan de grotesken van de in de achterplattekst genoemde Daniil Charms.

Het klinkt na het voorgaande misschien vreemd, maar toch zijn deze verhalen tegelijk niet zelden kolderiek. Dat ligt niet alleen aan de buitengewoon curieuze, vaak compleet waanzinnige gebeurtenissen die worden verteld, maar minstens evenzeer aan de manier waarop: volstrekt laconiek, licht, ja - het woord viel in de aanhef van dit stuk al - opgewekt. Je zou Hoppes humor sardonisch kunnen noemen, als niet daartoe de boosaardigheid ontbrak.

Maar meedogenloos is ze op haar manier wel. "De dag waarop onze oom stierf was zonnig en helder," begint een verhaal - het lijkt me zeer wel voorstelbaar dat sommige lezers bij zo'n zin in de lach schieten. Net zoals bij deze passage, uit een ander verhaal: "In de openlucht, zei ik, kan ik helemaal niets, de lucht maakt me traag, en nauwelijks ben ik op een bankje gaan zitten, of er komen honden op me af alsof ik worst op zak heb. Daarop werd hij serieus, hij pakte mijn hand en zei, ja, zo kan een mens niet helder denken."

Hoppe formuleert trouwens überhaupt erg goed. Alleen al voor de soepele, plezierige stijl zou je deze buitengewoon knappe en zeer fantasierijke miniatuurtjes telkens weer opnieuw willen lezen - als het niet voor hun prikkelende vreemdheid was.

Felicitas Hoppe (uit het Duits vertaald door Tinke Davids), Kappers in het gras, Querido, Amsterdam, 91 p., 598 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234