Dinsdag 07/02/2023

Marionet en skelet

Jan Van Oost over zijn duizend-en-een-tekeningen

Op 2 januari 2001 begon Jan Van Oost aan zijn Baudelaire Cycle. Ruim achthonderd tekeningen zijn nu te zien in het Museum Dhondt-Daenens. De reeks is uit kwaadheid ontstaan. 'Voor alle duidelijkheid: ik was helemaal niet boos op vrouwen. Het is een boosheid op de wereld tout court, de existentie. Ik erger me veel, aan van alles. Maar een kunstenaar móét onophoudelijk alles, ook zichzelf, in twijfel trekken.'

Bernard Dewulf

Foto Stephan Vanfleteren

Het is een dag als een ander, draaglijk grijs. Ik ben op weg naar het Museum Dhondt-Daenens, dat enigszins verstopt ligt in het groene, dure Deurle. De uitnodigingskaart kondigt Drawings from the Baudelaire Cycle aan van Jan Van Oost. Een intrigerende en wat hoogdravende titel, een kunstenaar die mij vaag bekend is - ik heb ooit wel een koolzwarte vrouw van hem in een hoekje van een tentoonstelling zien zitten.

Ik verwacht niets, stap het lichtrijke museum binnen en alles wordt wit. Overal waar ik kijk, hangen, staan, liggen witte lijsten. In die lijsten schuilen tekeningen. Honderden moeten het er zijn. Een oceaan van beelden, met vaargeulen voor de kijker. Iemand heeft hier een wel zeer breed gebaar gesteld. Dat ik overweldigd ben, is de bedoeling.

Nu, achteraf, weet ik dat er ruim achthonderd tekeningen te zien zijn in het Museum Dhondt-Daenens. Een reusachtig getal, en wie de tentoonstelling niet meegemaakt heeft mag rustig denken: grotesk. Wie ze wel gezien heeft zal er, denk ik, iets genuanceerder over oordelen. Bij de expositie hoort ook een boek, een duur boek, waarin ruim vierhonderd tekeningen opgenomen zijn. Ook dat is, alleen al door de getalsterkte, indrukwekkend.

Ik wandel, ik kijk, ik weet niet waar eerst, de blik verdwaalt. Zelden een labyrintischer tentoonstelling gezien dan deze. Kan een blik buiten adem raken?

Drawings from the Baudelaire Cycle is een even solide en massale als ijle en intieme tentoonstelling - met de vrouw, niets dan de vrouw in het hart van een veelkantige caleidoscoop. Uit duizenderhande hoeken wordt zij bekeken, in velerlei lijnen, met talrijke attributen, in onderling uiteenlopende hoedanigheden en stijlen, hard en zacht, kleurrijk en zwart, van buiten en van binnen, als marionet en als skelet, als vlees en als geraamte, als lustwezen en als luchtspiegeling, als opening en als slot. Een wezen met ontelbare lichamen in een nu eens hoekige, dan weer wervelende, dan weer minimale choreografie.

Jan Van Oost, zo staat het in het Engels in zijn boek, is geboren in 1961 in Deinze. "Lives and works in Ghent (B)". Stelde al tentoon in Berlijn, Amsterdam, New York, Genève, Venetië, Salzburg, Parijs, Grenoble, et cetera. En in Brussel.

Zijn ruime loft in een oud fabriekspand in Ghent is opgesplitst in een atelierdeel en een woongedeelte. We zitten ergens tussen de twee in. En we zijn vertrokken voor enkele uren.

Ik begrijp, zeg ik, dat hij al twintig jaar bezig is, sinds 1982. Toch kan ik hem en zijn werk amper plaatsen. Het verbaast hem niet. Wat heeft hij in die twintig jaar gedaan? Het is een onmogelijke vraag, het antwoord is laconiek: "Ik ben al twintig jaar bezig met het romantische idee om het juiste werk te maken." Van Oost begint aan een bevlogen uitleg over zijn vreemde loopbaan. Zeer samenvattend: in de jaren tachtig was hij een snel rijzende ster in de Belgische en internationale kunstwereld, in de jaren negentig is die ster bij ons bijna uitgedoofd en voor sommigen zelfs voorgoed gevallen.

Van Oost viel vooral op met beelden en installaties. Het bekendst zijn allicht zijn zwarte vrouwenfiguren - zwarte kledij, zwart lang haar - die staan, liggen, zitten of hangen en geheel in zichzelf opgesloten lijken. Hij gebruikt vaak erg symbolisch geladen voorwerpen zoals spiegels, doodskisten, kogels, parels, zwaarden, blinddoeken. Telkens weer draait het, eenvoudig gezegd, om erotiek en dood. Om narcisme, exhibitionisme, om de theatraliteit van het bestaan. Het is doorgaans erg gepolijst werk, gemaakt met duur en duurzaam materiaal, waarmee Van Oost vanzelfsprekend ook iets wil zeggen over schijn en schone schijn.

Er is uitentreuren geschreven dat zijn werk baadt in een sfeer van fin de siècle decadentisme, en dat Van Oost een dandy is die koketteert met de dood. Meestal echter wordt de humor over het hoofd gezien, de flagrante ironie en de spot in dit werk. Zelf zei Van Oost ooit: "Ironie is de strategische 'finesse' in mijn werk. De complexe ambiguïteit tussen horror en verleiding, feiten en fictie, realiteit en fantasie." Het gitzwarte sérieux dat dit werk oproept, heeft een achterkant: je kunt het ook uitproesten.

Dat Van Oost uit de gratie van de plaatselijke kunstwereld viel, heeft tal van redenen. IJsberend door de grote kamer dist hij de ene geschiedenis na de andere op uit die kunstwereld, getuigenissen over hypocrisie en vriendjespolitiek. Dat alles om mij uit te leggen waarom ik tot voor zijn huidige tentoonstelling weinig van hem had gezien.

"Ik kan niet tegen trutten in de kunst. En ik zeg dat ook. Daardoor heb ik hier veel vijanden. Maar in het buitenland zit ik aan tafel met topverzamelaars en belangrijke directeurs. Mijn werk is aanwezig in verzamelingen van trustees van het Museum of Modern Art in New York. Dat is toch geen toeval? Hoe verklaar je dan dat het S.M.A.K. hier in Gent niet eens een werk van mij heeft?"

Iets begint mij te dagen. Deze kunstenaar vindt zichzelf te groot voor Vlaanderen. "Wat moet ik daarop zeggen? Ja, het is waar. En natuurlijk is dat megalomaan. Ik bén megalomaan. Topkunstenaars zijn altijd megalomaan, anders zou Michelangelo zijn Sixtijnse kapel nooit gemaakt hebben. Maar is niet elke man de beste minnaar in het diepst van zijn gedachten?"

Van Oost is aan de Baudelaire Cycle begonnen op 2 januari 2001, met als aanleiding gedichten van Baudelaire, vooral dan het beroemde gedicht 'La muse malade', waarin de poète maudit zich afvraagt wat er toch met zijn zieke muze aan de hand is. Voorts, zegt hij nu, hebben de tekeningen met Baudelaire niet zoveel te maken - het verschijnsel muze daarentegen is alomtegenwoordig in zijn werk.

De reeks is, hoe kan het anders, uit kwaadheid ontstaan. "Voor alle duidelijkheid: ik was helemaal niet boos op vrouwen. Het is een boosheid op de wereld tout court, de existentie. Ik erger me veel, aan van alles. Maar een kunstenaar móét onophoudelijk alles, ook zichzelf, in twijfel trekken. En hij heeft het recht om zichzelf tegen te spreken."

Van Oost is die tweede januari gewoon gaan zitten en is begonnen met tekenen. "Ik had het gevoel dat al mijn gepraat over kunst tekortschoot. Ik moest iets doen." In die begindagen werkte hij vaak naar foto's. Uiteindelijk liet hij in de tekeningen regelmatig toe wat zich toevallig voordeed. Was het Halloween, dan doste hij de vrouw uit - of takelde hij haar toe - met pompoenen. Kwam Pasen eraan, dan doken er eitjes op. Ook de iets hardere actualiteit mocht meedoen. Zo bijvoorbeeld het proces tegen de Hongaarse dominee Andras Pandy, die een deel van zijn gezin uitmoordde. "Toen dat in het nieuws was, vroeg ik me af: hoe zou die man omgegaan zijn met die lijken? Hoe zou hij ze uit elkaar gehaald hebben?" De Baudelaire Cycle is geen serie louter erotische of pornografische tekeningen, al zitten die er wel tussen: fraaie welvingen in eenvoudige lijnen, expliciete hardcore beelden. De reeks is bepaald niet eenduidig, ze zit vol innerlijke tegenspraak. Het fraaie, het virtuoze wordt bijna systematisch ondermijnd, geridiculiseerd, gemutileerd, vernietigd. Tekeningen zijn soms doelgericht lelijk. De vrouw wordt uit elkaar genomen, verkeerd weer in elkaar gezet. Kutten, konten, borsten, billen worden naar eigen goeddunken, soms in de vreemdste combinaties, opgevoerd. De vrouw is plant, bloem, papaver, harlekijn, spin, schorpioen, doodshoofd, piranha, ribbenkast, baarmoeder, bloedsomloop, huidaandoening, zwart gat, haardos, hand-met-nagels, oogbol, hanenpoot, trechter. En in al die verschijningen is zij, uiteindelijk, slechts een alibi voor de lijnen van de tekenaar. Aan die lijnen hangt zij als een puppet on a string, maar ook de tekenaar komt van haar niet los: inmiddels zit Van Oost al aan ruim 1.300 tekeningen.

"De obsessie is niet de vrouw." Hij zegt het al voor de tweede keer. Hij is op zijn hoede. Maar hij kan er ook om lachen. "Ik kom niets tekort, ik heb een sensuele vriendin." Wat de obsessie dan wel is? "Dat weet ik natuurlijk niet helemaal. Het heeft veel met de waanzin te maken. Daarmee ben ik trouwens begonnen, ooit aan de academie, geïnspireerd door De geschiedenis van de waanzin van Michel Foucault. Soms zie ik het zo: Van Oost heeft zichzelf tot psychiatrisch patiënt verklaard, hij zit opgesloten in een cel en de vraag is dan wat er allemaal uit komt aan verlangens, dromen, fascinaties. Een van mijn eerste werken was wat ik noem een epileptische kist, een zwarte sarcofaag met gleuven erin. Dat epileptische verbond ik met de kunst."

Dood, seks, waanzin. Gevoelige kijkers moeten zich onthouden?

"Misschien zullen sommigen denken: die Van Oost is een viezerik. Dat is dan maar zo. Ik hoop dat de tekeningen ook bevrijdend werken. Al wil ik helemaal geen taboes doorbreken, hooguit het taboe in de kunst over stijl. Ik wil een nieuw soort steriel academisme doorbreken. Wat je ook vindt van dit werk, steriel is het niet. Ik hoop dat de kijker wil meegaan. De ideale toeschouwer is voor mij de afdaler, hij die de vele gaten niet uit de weg gaat. Maar de meeste mensen moeten wat ze zien toch onder controle krijgen. Ze zijn bang voor het onbehagen, en op mijn tentoonstelling wordt wel wat onbehagen opgewekt, naast allerlei moois natuurlijk. Ik wil de twee laten samengaan."

Dat er inderdaad veel gaten te zien zijn, zeg ik. Daar kan hij lang over doorbomen, zegt hij. "Ik hoop dat de kijker zoekt naar de openingen, naar de inhoud. Ik zie bijvoorbeeld de zwarte gaten in het werk als dingen die we liever niet willen weten."

Van Oosts werk geeft aanleiding tot uiteenlopende, zeer geleerde interpretaties, onder meer uit psychoanalytische hoek. Hij zelf, dat blijkt tijdens het gesprek, heeft ook wel wat ernstige lectuur achter de rug. Foucault, Derrida, Deleuze zijn maar enkele van de namen die regelmatig vallen. Moet ik een bibliotheek gelezen hebben om dit werk te snappen? Zijn reactie is fel: "Maar neen, helemaal niet. Je moet een beetje geleefd hebben, dat wel. En niet bang zijn van tegenspraak.

"Soms maakte ik 's ochtends een tekening die ik 's avonds opnieuw bekeek en dan dacht ik: dit is goed, dit is mooi, maar dan moest ik een soort tegentekening maken, schots en scheef en lelijk. Zo krijgt het geheel iets organisch en zijn er ongemerkt tal van gemoedstoestanden mee in de tekeningen geslopen. Maar of het dan ook autobiografisch is? Ja en neen natuurlijk. Het is tot op zekere hoogte een dagboek, zowel van mezelf als niet van mezelf."

Van Oost heeft in twintig jaar tijd weinig of niet getekend en nu moest het er allemaal uit, zo lijkt het. "Ik heb er hard en snel aan doorgewerkt, en het heeft toch 50 à 100 tekeningen gevergd voor ik de stijfheid had weggewerkt. De schroom ook, de vraag: waar ben ik aan begonnen? Daarna werd het almaar complexer."

Toch valt er wat af te lachen, zeg ik. "Ik ben blij dat je dat vindt. Er schuilt veel hilariteit in deze reeks. Het leven is melodramatisch, dat idee zit er zeer sterk in. Mensen zeggen nu soms, wat dubbelzinnig: je hebt je wel geamuseerd. Dat is zo. De reeks is ontstaan uit woede, maar ze is omgeslagen in genot."

In Deurle hangen de tekeningen niet zomaar allemaal netjes naast elkaar aan de witte muren. Sommige staan op de grond, en in een grote ruimte heeft Van Oost tafels gezet waarop tekeningen liggen. "Tekeningen zitten achter glas, in lijsten. Dus moest ik ze op een andere manier iets fysieks geven. Dat heb ik geprobeerd met de opstelling."

Groot is de diversiteit aan stijlen en technieken. Van Oost gebruikt potlood, balpen (soms drie tegelijk), stift, waterverf, krijt. Sommige tekeningen zijn afgelijnd, andere lijken alle richtingen uit te gaan. Vaak wist Van Oost niet waar hij zou uitkomen toen hij aan een tekening begon, een soort écriture automatique. Sommige tekeningen hebben iets kinderlijks, onbeholpens. Van Oost verwijst ernaar als 'schoolboektekeningen'. "Tekenen is zo essentieel. Elke kunstenaar begint met tekenen. Ik wilde een tekening maken als van iemand die nog nooit de binnenkant van een lichaam, een geraamte gezien heeft. Ik heb natuurlijk, om niet in herhaling te vervallen, van alles uitgeprobeerd. Ik heb bijvoorbeeld mooie tekeningen als het ware vernietigd met allerlei psychedelische toevoegingen. In de hele reeks zit ook het verlangen om de tekening kapot te maken."

Of in dat destructieve niet iets obsceens schuilt, vraag ik. Van Oost reageert hevig. "Neen, neen. Kunst is nooit obsceen. De wereld is obsceen, en de kunstwereld natuurlijk. Maar dat heeft met het wezen van de kunst niets te maken." Wat is het wezen van de kunst? Voor de zoveelste keer staat hij op en begint te ijsberen. "Als jongetje droomde ik ervan ontdekkingsreiziger te zijn, een onbekend eiland te vinden. Als kunstenaar schep je zo'n eiland. Kunst kan de wereld niet veranderen, dat is duidelijk. Maar soms zijn kunstenaars grote sociologen, al mag je hun werk niet daartoe herleiden. Ikzelf ga het in de maatschappij niet zo ver zoeken. Ik zit hier in mijn loft en daar zit ik goed. Als kunstenaar sta je toch altijd alleen. En de kunstenaar speelt vaak een kat-en-muisspel met het publiek: hij wil gewaardeerd worden, applaus krijgen en toch niet ingehaald worden. Daar kom je nooit helemaal uit."

Hij pakt zijn boek, enkele kilo's zwaar, en begint rusteloos te bladeren. Intussen vertelt hij weetjes. Het blauw in een reeks tekeningen is het blauw van de Madonna van Lourdes. Het purper van het omslag is de kleur van de inkt die Antonin Artaud gebruikte om zijn brieven mee te schrijven toen hij opgenomen was - het is de kleur van de waanzin. "Eigenlijk", zegt hij, " zijn deze tekeningen het bloed van mijn sculpturen. Mijn werk begint zin te krijgen dankzij deze tekeningen."

En er moeten nog twee boeken bij komen, dan pas zal dit project af zijn. Ondertussen gaat ook zijn andere werk door en stelt hij regelmatig tentoon in het buitenland, op dit ogenblik in Italië. Het mooie aan tekeningen, zegt hij, is dat het met zo weinig middelen kan: geen getimmer, geen geploeter, geen gesleur.

"Je kunt er niet in zitten. Je kunt het niet aan- of uitdoen. Het hangt daar, gewoon. En het is gemaakt door een mens voor een andere mens."

'Jan Van Oost, Drawings from the Baudelaire Cycle' loopt tot 8 december in Museum Dhondt Daenens, Museumlaan 14, Deurle (bij Gent). Inlichtingen: www.museumdd.be, 09/282.51.23.

'Jan Van Oost, Drawings from the Baudelaire Cycle. The first period' bevat ruim 405 tekeningen, kost 175 euro en is verkrijgbaar in het museum.

Op zaterdag 23 november geven kunstcritica Catherine Francblin en psychoanalyticus Lieven Jonckheere in het Museum Dhondt Daenens een lezing over het werk van Jan Van Oost.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234