Dinsdag 17/09/2019

IS

Marion van San en Koert Debeuf over de gevolgen van de val van Islamitische Staat

Marion van San en Koert Debeuf. Beeld Thomas Sweertvaegher

De implosie van IS is een feit, maar wat met de overlevende strijders? Criminoloog Marion van San en Midden-Oosten-expert Koert Debeuf waarschuwen dat het bijzonder gevaarlijk is de strijders, hun vrouwen en kinderen te laten ronddolen. "Als je ze actief terughaalt, krijg je als overheid ook meer controle op de situatie."

Het leek of de implosie van Islamitische Staat in slow motion gebeurde. Toen de slag om Mosoel in Irak in oktober 2016 begon, leek de val van een van de gruwelijkste regimes op aarde een kwestie van maanden. Maar Mosoel viel pas in juli van dit jaar, en het zou nog enkele maanden duren voor ook Raqqa veroverd werd, het IS-­bolwerk in Syrië.

Koert Debeuf zegt dat die slopende strijd onvermijdelijk was. “De oorlog tegen Islamitische Staat was geen normale oorlog. Eigenlijk stond van het begin vast dat IS de strijd om Mosoel zou verliezen. Als je de troepenaantallen en het ­militaire materieel van de strijdende partijen met elkaar vergeleek, wist je bij voorbaat wie er zou winnen.

“Maar in een normale oorlog geeft een leger dat 30 procent van zijn troepen verliest, de strijd op. Het grote verschil met Islamitische Staat is dat zij vochten tot de laatste man. Daarom duurde de strijd veel langer dan aanvankelijk verwacht werd. De wil om te sterven was bijzonder groot bij de IS-strijders. Die combinatie van ideologie en broederschap zorgde ervoor dat de strijders bereid waren om tot het bittere einde door te vechten.”

In hoeverre is de oorlog echt voorbij? Veel IS-strijders sneuvelden, maar er zijn er ook veel spoorloos. De vrees is dat zij opgingen in de burgerbevolking en slapende cellen vormden die op elk moment weer terreur kunnen zaaien. Er zijn ook aanwijzingen dat een aantal van hen de Turkse grens aan het oversteken is.

Koert Debeuf: “Er gebeuren bizarre zaken. Vanuit Raqqa zijn veel IS-gezinnen met bussen naar Irak gebracht. Voorlopig weet niemand wat er met die mensen is gebeurd. Er is ook een theorie dat IS bezig is met een strategische terugtocht naar onherbergzame gebieden in Irak. IS zou nieuwe uitvalsbasissen creëren om guerrilla-acties te ondernemen.
“Persoonlijk denk ik dat het aantal achterblijvers in Irak vrij klein is. Bovendien is zo’n reorganisatie niet evident: dat kost tijd. Wat ik wel zie, is dat een behoorlijk aantal IS-strijders naar Libië aan het verhuizen is. In Libië zitten momenteel zo’n zeshonderd IS-strijders. Dat lijkt niet veel, maar hun aantal neemt toe en bovendien zijn ze in kleine pockets over het hele land verspreid.
“Dat doet erg denken aan de manier waarop IS in Syrië en Irak groot en machtig is geworden: ze nestelen zich in dorpen, zetten vervolgens de ­spilfiguren van dat dorp onder druk om zich tot IS te bekeren, waarna je plotseling overal IS-aanhangers ziet opduiken.
“Dat gebeurt trouwens niet altijd met brute macht. In een eerste fase weten IS-leiders zich vaak populair te maken, omdat ze een zekere orde brengen: ze zorgen voor stromend water, de bakkerijen gaan weer open, enzovoort. Zo maakt chaos plaats voor organisatie, en daarmee scheppen ze aanvankelijk goodwill bij de bevolking. Gezien de chaos in Libië is een gelijksoortig ­scenario niet ondenkbaar.
“Een soortgelijke evolutie is aan de gang in de Egyptische Sinaï-woestijn. De aanslag op de soefimoskee van 24 november, waarbij meer dan 300 doden vielen, maakt duidelijk dat ook een verzwakte Islamitische Staat bijzonder hard kan uithalen.
“Ze hebben die nieuwe aanpak trouwens zelf aangekondigd. Twee maanden geleden verklaarden ze in een persbericht dat ze geen staat meer zijn, maar een guerrillabeweging.”

Koert Debeuf: "Een behoorlijk aantal IS-strijders is naar Libië aan het verhuizen." Beeld Thomas Sweertvaegher

Zijn dit dan de laatste stuiptrekkingen van Islamitische Staat of is dit het begin van een nieuwe fase?

Debeuf: “De vergelijking met de Afghaanse ­moedjahedien is relevant. Toen die strijders onder leiding van Osama bin Laden in 1989 met zware Amerikaanse militaire steun de Sovjets uit Afghanistan verjaagd hadden, werd het rebellenleger officieel ontbonden. Maar de strijders mochten niet naar hun land van herkomst terugkeren. Onder andere Egypte sloot zijn grenzen voor afgedankte moedjhahedienstrijders. Met als gevolg dat die mannen begonnen rond te zwerven en in Sudan terechtkwamen, waar ze zich onder leiding van Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri hergroepeerden. Met medeweten van de Sudanese regering kregen ze militaire training. Toen de strijders uiteindelijk ook uit Sudan werden gezet, belandden ze opnieuw in Afghanistan. Zo is Al Qaida ontstaan.
“Het zou daarom niet slecht zijn als we af en toe lessen trekken uit de geschiedenis. Na de val van Islamitische Staat hoor ik westerse regeringen zeggen dat ze de nationaliteit van de Syrië-strijders willen afpakken, de grenzen voor hen willen sluiten, enzovoort. Dat klinkt allemaal heel straf, maar eigenlijk zorg je ervoor dat die strijders zich hergroeperen. Je ziet het in Libië, je ziet het ook in Jemen. Zo krijgen we een nieuwe versie van IS en blijven we met het probleem zitten.”

Een deel van de westerse Syrië-strijders lijkt te willen terugkeren naar Europa. In België is bijvoorbeeld veel te doen rond Tarik Jadaoun, die de aanslagen in Brussel opeiste en kindsoldaten trainde. Hij wil terug naar België. Het gaat hier niet enkel om een oorlogsmisdadiger, maar ook om iemand die in de toekomst gevaarlijk kan zijn. Hoe moeten een overheid en een gerechtelijk apparaat zulke ex-strijders inschatten?

Marion van San: “Het is belangrijk om te weten dat de meeste mannelijke Syrië-strijders waarschijnlijk gesneuveld zijn. Ik heb contact met veel Nederlandse en Belgische ouders van Syrië-­strijders, en de meesten hebben de laatste ­maanden niets meer van hun kinderen gehoord.”

Was er daarvoor wel veel contact?

Van San: “Jazeker, via WhatsApp was er veel communicatie. Wat ik onlangs wel heb vernomen, is dat een groot deel van de vrouwen en de kinderen bij elkaar is gebracht in kampen. De meesten willen zo snel mogelijk terug naar Europa. Die terugkeerwens is trouwens niet nieuw: de families met wie ik contact heb, krijgen al een hele tijd berichten van hun dochters dat ze naar België of Nederland willen terugkeren. Ik maak me vooral zorgen over die kinderen.”

Marion van San: "Waarschijnlijk zal een deel van de kinderen een militaire opleiding van IS hebben gekregen." Beeld Thomas Sweertvaegher

Moet de Belgische overheid iets doen voor die kinderen?

Van San: “De Belgische regering besliste deze week om kinderen van Syrië-strijders onder de 10 jaar een automatisch terugkeerrecht te verlenen. In Nederland gaat men alvast een stapje verder. Daar neemt de Raad van de Kinderbescherming momenteel contact op met alle gezinnen waarvan dochters naar Syrië zijn vertrokken.
“De bedoeling is na te gaan of die gezinnen na de terugkeer van hun dochter in staat zijn om te zorgen voor de opvang en opvoeding van de minderjarige kinderen. Zo goed als zeker zijn die kinderen door de oorlog getraumatiseerd, en waarschijnlijk zal een deel van hen een militaire opleiding hebben gekregen. We weten dat Islamitische Staat jongens vanaf negen jaar aan militaire trainingen onderwerpt.”

Wat is uw persoonlijk standpunt over de ­kwestie? Moeten Europese landen als België die vrouwen en kinderen actief opsporen en terug naar Europa halen, of niet?

Van San: “Mijn standpunt is dat de Belgische regering die vrouwen en kinderen actief terug naar België moet begeleiden. Het gaat tenslotte over Belgische kinderen die er niet voor gekozen hebben om naar Syrië te gaan. Zij werden in dat drama meegesleurd.
“Ja, de ouders hebben voor dat lot gekozen, maar de kinderen niet. Het beste is dat je die ­mensen actief terughaalt. Op die manier krijg je als overheid ook meer controle op de situatie. Dan heb je die mensen in beeld en kun je een beleid opstarten. Die vrouwen en kinderen gewoon laten ronddolen, is geen goede zaak. Sommigen zullen in Libië terechtkomen, anderen zullen onverwacht in België opduiken. Als beleidsmaker moet je dan gaan improviseren, en dat lijkt me geen goede zaak.”

Debeuf: “Ik ben het daarmee eens. Maar het grote ­probleem is dat we vijf jaar na het vertrek van de eerste Syrië-strijders nauwelijks onderzoek hebben gedaan naar deradicaliseringsprocessen. Eigenlijk is dat onwaarschijnlijk: tot nu toe ­hebben we vooral geïmproviseerd. We hebben er geen benul van hoe een efficiënte deradicaliseringsaanpak er moet uitzien. Alles gebeurt op buikgevoel.
“Neem Frankrijk. Die hebben het eerst geprobeerd met psychologen en zijn daarna overgeschakeld naar zogenoemde vrijwillige bootcamps waar deelnemers een soort paramilitair programma kregen: elke ochtend de groet aan de Franse vlag en daarnaast wat lessen geschiedenis en filosofie. Blijkbaar kon de een of andere deradicaliseringsgoeroe dat als een magisch programma verkopen en een smak subsidies losweken.
“Maar een paar maanden geleden werd het laatste bootcamp in alle stilte gesloten. Qua deradicalisering tasten we volledig in het duister.”

Van San: “Het is inderdaad schrijnend dat Europese landen dat niet vooraf op een ernstige manier hebben bekeken. Dit is al vijf jaar een enorm maatschappelijk probleem en we hebben nog geen ernstige poging ondernomen om het fenomeen wetenschappelijk te begrijpen en een efficiënte aanpak te ontwikkelen.”

De grote vrees is dat voormalige Syrië-strijders zullen terugkeren naar Europa om nieuwe aanslagen te plegen. Is die vrees gerechtvaardigd?

Debeuf: “Ik denk niet dat degenen die vrijwillig terugkeren van plan zijn aanslagen te plegen. Als je terugkeert, dan zit je in een bepaalde state of mind: je beseft heel goed dat het IS-parcours ­faliekant is mislukt en je weet dat je voor een hele tijd in de gevangenis zult belanden. Als je een aanslag wilt plegen, dan ga je je toch niet  aangeven bij de Belgische instanties?”

Van San: “Net daarom is het belangrijk dat België zo snel mogelijk zicht krijgt op de where­abouts van zijn mannelijke en vrouwelijke Syrië-strijders en werk maakt van een begeleide terugkeer. Zo weet je wie ze zijn en waar ze zijn.”

U hebt gedurende meerdere jaren de WhatsApp-communicatie van Syrië-strijders met hun Belgische en Nederlandse families gevolgd. Hebt u de indruk dat de mislukking van hun IS-project ook tot een deradicalisering heeft geleid?

Van San: “Neen, de meeste vrouwen die ik heb gevolgd, hebben helemaal niets afgezworen. Integendeel: ze vertrokken eerder met een vaag romantisch ideaal en zijn daarna pas echt ­geradicaliseerd. In zekere zin is dat ook logisch: ze leefden jarenlang samen met mensen die ­allemaal hetzelfde dachten, zonder dat iemand hen wederwoord bood.
“Daarnaast waren er natuurlijk de bombardementen. Via WhatsApp stuurden ze voortdurend beelden en geluidsbandjes van overvliegende Amerikaanse bommenwerpers. Zo werd het Westen hun grote vijand, en dat is alleen maar erger geworden.”

Ze haten het Westen, maar willen wel terug naar Europa. Hoe moeten we dat begrijpen? Willen ze vooral terugkeren om hun kinderen in veiligheid te brengen?

Van San: “Dat is inderdaad de grootste drijfveer: de veiligheid en de toekomst van hun kinderen. In Syrië en Irak leefden ze in een permanente ­oorlogsdreiging. Nu zijn ze met hun kinderen terechtgekomen in kampen waar de gezondheidssituatie zeer problematisch is.”

Ze willen een tweede kans, maar zijn niet bereid om bij wijze van concessie hun radicale gedachtegoed af te zweren.

Debeuf: “Misschien kan de visie van een aantal Noord-Ierse deradicaliseringsexperts hier van nut zijn. Zij hebben de ervaring van een jarenlang conflict. Na het Ierse vredesakkoord stonden ze voor de uitdaging om een heleboel aanhangers van de IRA en de ultraprotestanten te herintegreren.
“De Noord-Ieren maakten daarbij een fundamenteel onderscheid. Er werd aan IRA-aanhangers en protestantse radicalen duidelijk gemaakt dat het hen toegestaan was om extreme ideeën te koesteren. Maar tegelijk was geweld uit den boze. Er is met andere woorden een groot verschil ­tussen het koesteren van radicale ideeën en het gebruik van geweld. Als iemand vindt dat Islamitische Staat er moet komen, dan is dat zijn of haar goed recht. Maar geweld is een absolute rode lijn die niemand mag overschrijden.
“Ik vind dat wij in Europa alles op een hoop gooien, waardoor een nuttig debat moeilijk wordt. Conservatieven, fundamentalisten, radicalen, gewelddadige extremisten, salafisten, salafistische jihad..., alles wordt door elkaar gehaald, waardoor we op het punt zijn gekomen dat iedereen met een lange baard en elke moskeebezoeker als terreurverdachte wordt beschouwd. Dat stoort mij.”

Journalisten, criminologen en historici hebben in deze kwestie makkelijk praten. Maar een premier of minister heeft een heel andere ­positie: als een van de Syrië-terugkeerders een aanslag pleegt, zal de kritiek op de beleidsvoerders immens zijn.

Van San: “Klopt, maar het is wel belangrijk dat we vanuit de realiteit en de feiten blijven redeneren. De aanslagen in Europa hebben bewezen dat de meeste daders nooit in Syrië of Irak zijn geweest. De meesten groeiden op in Europa. Wel is het zo dat ze bijna allemaal een problematisch en ­crimineel parcours achter de rug hadden: drugshandel, overvallen, prostitutie.”

Debeuf: “Het klopt dat je als politicus bijzonder kwetsbaar bent en dat het daardoor verleidelijk is om stoere taal te gebruiken: ‘nationaliteit afpakken’, ‘ervoor zorgen dat ze nooit meer naar België terugkeren’, enzovoort. Maar zoals ik daarnet al zei: zo drijf je al die dolende ex-strijders in elkaars armen, waardoor ze zich kunnen hergroeperen. Zo creëer je een nieuw Al Qaida, dat ons opnieuw veel mensenlevens en gigantisch veel geld zal kosten.”

De Gentse historicus Bruno De Wever ziet een verband tussen Syrië-strijders en de Belgische oostfronters in de Tweede Wereldoorlog. Dat verband is misschien ook interessant omdat veel van die oostfronters na de oorlog hun radicale ideeën niet afzwoeren, maar zich ook niet meer schuldig hebben gemaakt aan geweld.

Debeuf: “Het is inderdaad cruciaal dat we die ­historische verbanden blijven maken, want we kunnen er veel van leren. Foreign fighters zijn van alle tijden, zoveel is duidelijk. Het begon al met de kruistochten: ook dat waren eigenlijk Syrië-strijders.”

Opmerkelijke stelling: Godfried van Bouillon was onze eerste Syrië-strijder.

Debeuf: “Ja, daar komt het wel op neer. We zijn trots op die man omdat hij de eerste kruistocht naar Jeruzalem leidde, en hij kreeg een standbeeld op het Brusselse Koningsplein. Maar als je de verhalen van onze kruisvaarders leest, dan stoot je op passages waarbij onze strijders tijdens de inname van Jeruzalem in 1099 de hele bevolking afslachtten en ‘tot aan hun knieën’ in het bloed stonden.
“En kijk naar de Spaanse burgeroorlog. Zelfs de schrijver George Orwell is daar gaan vechten. Er zijn zo veel voorbeelden te noemen van mensen die op een bepaald moment gegrepen werden door een ideaal en in het buitenland aan een gruwelijke oorlog deelnamen. En er zijn ook heel veel mensen die hetzelfde deden omdat ze in hun eigen land een futloos of problematisch bestaan leidden en naar iets nieuws op zoek gingen.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

U hebt het over een problematisch bestaan dat ertoe leidt dat jongeren vatbaar worden voor een propagandamachine als Islamitische Staat. Is die voedingsbodem nog steeds aanwezig in België of hebben we de jongste jaren vooruitgang geboekt?

Van San: “Die voedingsbodem is er nog steeds, ook al zou je hopen dat de nieuwe generatie ­jongeren geleerd heeft uit het IS-debacle van hun voorgangers. Misschien is het naïef van mij, maar ik hoop dat jongeren beseffen dat het bijzonder dom is om zich door een gevaarlijk en utopisch gedachtegoed op sleeptouw te laten nemen.
“Maar ik vrees dat de voedingsbodem die maakt dat jongeren plotseling gekke dingen gaan doen, nog steeds aanwezig is. Tijdens mijn onderzoek ging ik ook met leraars en directeurs van Syrië-strijders praten. Ze vertelden me dat ze bijna altijd wisten dat het vroeg of laat fout zou lopen met een bepaalde leerling. Niet dat ze konden voorspellen dat die leerling naar Syrië zou vertrekken. Maar ze wisten wel dat het fout ging lopen: georganiseerde misdaad, prostitutie. Islamitische Staat is nu gekraakt, waardoor zulke jongeren niet meer naar een oorlog zullen ­vertrekken. Maar dat betekent niet dat de basisproblemen opgelost zijn.”

Debeuf: “Mijn vader heeft lang in de jeugdbescherming gewerkt. Ook daar kom je jongeren tegen van wie je kunt vermoeden dat ze in de zware criminaliteit zullen belanden. En bij een deel van hen hebben we gezien dat ze plotseling in Syrië-strijders veranderden. Die metamorfose was deels onverwacht, maar heeft ook wel te maken met het feit dat we ons onvoldoende ­concentreren op die jongeren en onze energie verspillen met allerlei nutteloze discussies en het leggen van foute verbanden.”

Welke foute verbanden?

Debeuf: “We zijn nu al jaren verbanden aan het leggen tussen enerzijds terreur en anderzijds moskeeën, de moslimgemeenschap en de islam.”

Van San: “En dat is volledig fout. De gezinnen van Syrië-strijders die ik bezocht, zijn allemaal buitengewoon gematigde islamitische gezinnen. Veel van die ouders gaan zelden of nooit naar de moskee. Velen betreuren ook dat ze zo weinig over de islam weten: ‘Want dan hadden we ten minste precies kunnen uitleggen waarom de radicale ideeën die ons kind op het internet had opgepikt niets met de echte islam te maken hadden.’ 
“Ik krijg weleens een telefoontje van ouders die ongerust zijn omdat hun kind zich tot de islam heeft bekeerd. Die ouders zijn bang dat hun zoon of dochter gaat radicaliseren. Ik raad ze dan aan om hun kind islamitische lessen te laten volgen, zodat het kennis krijgt van het geloof en zelf inziet dat er een groot verschil is tussen de islam en de gevaarlijke praatjes op allerlei internetsites. 
“Veel ouders reageren verrast op mijn voorstel. Maar dan vertel ik hen dat ik geen enkel voorbeeld ken van iemand die zich in de islam heeft bekwaamd en dan plotseling heeft gezegd: ‘En nu ga ik voor de islam in Syrië vechten’. Het tegendeel is waar: bijna alle Syrië-strijders vertrokken zonder ook maar iets van de islam begrepen te hebben.”

Debeuf: “En wat nog erger is: door foute ­verbanden te leggen, creëren we een nieuw probleem. We culpabiliseren de hele moslimgemeenschap, die niets met Islamitische Staat te maken heeft. Op basis van een recent onderzoek dat ik deed, kan ik u zeggen dat Belgische moslims zich hierdoor permanent under attack voelen. Telkens als er een aanslag gebeurt, heb je weer datzelfde fenomeen: imams worden ­massaal opgeroepen om zich voor het geweld te verontschuldigen, en de culpabilisering neemt een hoge vlucht. 
“Waarom denken nog zo veel mensen dat imams dit probleem kunnen oplossen? Dat is gewoon niet zo. Zolang we dit probleem in de schoenen van de moslims schuiven, zal het nooit opgelost raken. Dit is het probleem van ons ­allemaal.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234