Woensdag 26/01/2022

Interview

Mario en het wachten: ‘Als ik ga, dan het liefst in stijl’

null Beeld Joost De Bock
Beeld Joost De Bock

Dit interview met Mario Verstraete, de eerste Belg die gebruik maakte van de euthanasiewet, verscheen in De Morgen op 28 september 2002. We publiceren het nu opnieuw naar aanleiding van 40 jaar De Morgen.

‘Quousque tandem abutere, Catilina, patientia nostra?’ Cicero sprak na een mislukte aanslag op zijn leven zijn belager Catilina in de Senaat toe met deze woorden. Een gebiedende zin met een vraagteken. Het klinkt hetzelfde uit Mario’s mond, vooral die bevelende toon. Hij vertaalt meteen: ‘Tot hoelang, Catilina, zul jij ons geduld op de proef stellen?’. ‘Mijn’ geduld, voegt hij eraan toe en hij steekt alweer een sigaret op.

Marijke Libert

Vrijdag 14 juni: eerste bezoek

Mario ligt op een ziekenhuisbed in de woonkamer. Hij werd er daarnet kreunend in gelegd door zijn pa en ma. De ouders Verstraete besloten op 15 mei bij hun zoon in huis te komen wonen. Mario kan niets meer alleen. Hij heeft voor bijna elke handeling een helper nodig. Hij bladert in zijn bruine lederen agenda tot hij bij een grote witte leegte terechtkomt. Niets heeft hij ingeschreven op 1 juli, de dag van zijn geplande overlijden. Ook na die datum zijn alle bladen in zijn boekje wit. Nu zal hij ze node moeten opvullen met nieuwe afspraken. Hij hoorde het daarnet, een uur voor we bij hem binnenvielen. Hij mag waarschijnlijk niet 'gaan' op de eerste dag van de zomervakantie. Nog niet. Mario sakkert en vloekt. “Heb ik meteen een primeur”, besluit hij. “Kun jij je dat voorstellen, dat je moet bellen naar het crematorium om je geplande begrafenis even uit te stellen?”

Vanochtend kwam het verdict, niet van de wet, maar van zijn twee behandelende dokters. “We doen het niet, Mario”, hadden ze gezegd, niet voor de euthanasiewet in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. De artsen ondervonden druk van buitenaf, om de man die Mario intussen is geworden. Een BSV, noemt hij zichzelf, een Bekende Stervende Vlaming. “Ik ben het slachtoffer geworden van mijn eigen openheid. Iedereen weet dat ik weldra vertrek. Ik val op en omdat de daad nu voltrokken zou worden in een juridisch vacuüm lopen mijn dokters extra gevaar te worden vervolgd.”

Vanuit alle landelijke redacties waren de voorbije week journalisten toegestroomd. Voor hem, Mario Verstraete (39), de gedreven SP-functionaris die achter de schermen en in de Senaat, vanuit zijn rolstoel, in zijn nu eens daverende, dan weer versteven lichaam, het debat over euthanasie mee een gezicht gaf. Mario Verstraete moet nu wachten tot de kleine geschreven letters, die hij zelf niet meer kan lezen, het hem toelaten. Er hangt een geladen sfeer in de kamer. Mama loopt binnen en buiten, vult koffiekoppen, leegt asbakken, is zenuwachtig. Mario's zoon Ruben (13) neuriet, bladert in boekjes en toont ons een tekening van Zak. “Er is een wachtlijst voor euthanasie”, staat in de tekstballon. De jongen lacht luid. “Een goeie hé?” Mario zegt: “Tja, daar sta ik allang op, op die lijst, maar ik kan moeilijk in het geheim gaan sterven. Stel je voor dat ik het niet volgens de wet zou doen. Dat kan ik toch niet maken.”

Kort na de middag moet Ruben vertrekken, hij heeft binnenkort examens. Hij zit in het tweede jaar Latijn en studeert thuis, bij zijn moeder. Mario en zijn vrouw zijn al vijf jaar gescheiden, maar wonen een paar straten van elkaar verwijderd en onderhouden een goed contact.

“Studeren nu, gaat dat?”, vragen we. Ruben zucht en duwt zijn pet naar achteren, bekijkt ons een beetje spottend. “Het gaat redelijk, maar het gaat.”

Mario ligt te mokken in zijn bed en af en toe schudt hij omdat alweer een pijnscheut door zijn zenuwen, spieren, botten trekt. Ruben gaat even in Mario's rolstoel zitten en zingt uitdagend ‘Pappie loop toch niet zo snel’, waarbij hij in het tweede couplet ‘loop’ door ‘sterf’ vervangt.

Meent hij dat?, vragen we Mario. Die schudt heftig. “Nee. Ruben ziet me elke dag aftakelen, hij respecteert mijn beslissing en hij vindt ook dat het niet anders kan. Dat liedje vervormen is zijn manier van verwerken. Hij zegt dat hij er klaar voor is en hij heeft me ook uitdrukkelijk gevraagd of hij er die laatste uren bij mag zijn. Ik kan hem dat niet ontzeggen.”

Voor hij vertrekt, legt Ruben nog even zijn hand op Mario's zwetende voorhoofd. Pa zoent hem en zegt, vaderlijk streng: “En je best doen, hé.” Ruben trekt een wenkbrauw naar omhoog. “Jij ook, hé pa.”

Mario knikt en blaast een volgende sliert sigarettenwalm weg. Hij kettingrookt de hele tijd door. “Ik hoef op niets meer te letten”, zegt hij scherp en sluit de ogen.

Woensdag 19 juni: afscheidsfeestje, huisconcert

‘Les bourgeois, c'est comme des cochons’

Mario als dirigent, van zijn eigen leven maar ook van de muziek. Toen hij drie jaar geleden ernstig begon af te takelen, stortte hij zich op het klassieke genre. De boeken uit zijn bibliotheek zijn nagenoeg allemaal verdwenen. Op de schappen staan cd-verzamelingen, houten en kartonnen kastjes vol opera's en concerto's, in alle denkbare uitvoeringen.

Het is acht uur ‘s avonds. Mario geeft het teken om te beginnen. Hij heft zijn hand op en zegt erbij: “Als ik ga, dan het liefst in stijl”. Mario ligt iets rechter op het bed in de living, die omgebouwd werd tot een minipodium voor het afscheidsconcert. Vier topmusici van de Vlaamse opera (twee altviolen, een viool, een cello), onder wie Mario's vriendin Traudi, zitten klaar, instrument in de hand. Ze brengen vanavond voor Mario en een twintigtal vrienden een keuze uit de ‘String Quintets’ van Mozart.

Drie kwartier lang glijden de toonladders over onze hoofden, door de gedrongen leefruimte. Mario ligt met gesloten ogen te luisteren of kijkt van het plafond naar de gezichten van de mensen rondom hem. Alles in zijn omgeving trilt van ingehouden spanning en emotie. Andante, allegro, moderato, glissando, pizzicato...

Na de laatste strijkstokstreek sterft de muziek weg, een ontroerd gezelschap klapt minutenlang, Mario bedankt in zijn afgemeten stijl. “In schoonheid sterven”, herhaalt hij, een paar vriendinnen slikken luid, en omdat het toch wat te melig is naar zijn zin besluit hij: “of zullen we maar zeggen op een cultureel verantwoorde manier. Hé. Allee, komaan gasten.”

“Ook de literatuur kan helpen, of de poëzie”, voegt een vriendin, Anita, eraan toe. Ze diept een boek op. “Lorca lijkt me toepasselijk”, zegt ze, “en vooral dit gedicht: ‘Casida van de onmogelijke hand’.”

“Bij Lorca was het thema van de dood heel belangrijk”, gaat ze verder.

Mario knikt: “Voor mij ook.”

De vriendin: “Lorca kwam op een vreselijke manier om het leven.”

Mario: “Je hebt het nooit zoals je het wilt.”

De vriendin: “In het gedicht dat ik zal voorlezen, staat dat het enige wat de schrijver verlangt als hij zal sterven, een hand is, een gewonde hand, die hem begeleidt.”

Mario: “Mijn laatste wil is een Westmalle Tripel.”

De genodigden lachen luid. Er hangt een zeer dubbelzinnige sfeer. De vriendin leest toch Lorca’s zinnen.

Ik vraag voor mij niets anders dan een hand, een gewonde hand als het kan ik voor mij vraag niets anders dan een hand al vond ik nooit een bed, in duizend nachten...

Na het gedicht vindt Mario dat hij die zware sfeer moet doorbreken. Hij vraagt de aanwezige zanger-gitarist André Roels een greep te doen uit het oeuvre van Brassens en Brel. “Eerst mijn lievelingslied”, gebiedt Mario en legt alvast de handen op elkaar. Dré start en Mario zingt het refrein luid mee. “Les bourgeois c'est comme des cochons.”

Het zou zijn laatste feestje worden, een laatste bijeenkomst met zijn dichtste vrienden. Iedereen weet intussen dat die eerste juli als deadline van de kaart is geveegd. Mario noemt nu een andere datum: 20 juli. Mario neemt die avond om halfelf afscheid van zijn vrienden met de woorden: “Het was niet echt de bedoeling dat ik iedereen nog eens terug zou zien. Maar, tja, ik vrees dat jullie nog een tijdje met mij zitten opgescheept.” De mama van Mario trekt haar wenkbrauwen op, zucht en herschept het podium weer in ziekenkamer, met bed, eettafel en vier stoelen.

Zaterdag 22 juni: verdeling van Mario’s operakaarten

‘Venti, turbine’ (aria uit Händels Rinaldo)

“Het was december 1999, hé Mario.” Hij knikt van op zijn bed. “Het Requiem van Brahms, in de Gentse Bijloke.” Weer een knik en een speels lachje rond de mond. Lieve gaat verder met haar verhaal. “Ingrid, Huguette en ik stonden met Mario aan de trap. We moesten eigenlijk naar boven, maar dat lukte niet met Mario op krukken. Ik ging hulp zoeken. Er kwam iemand van de organisatie bij en die zocht een plaatsje beneden, zodat Mario die trap niet moest nemen. De man zei: ‘Bon, we hebben twee plaatsen. Wie is nu uw vrouw, die bij u plaats zal nemen?’. Mario antwoordde: ‘Alledrie’. Huguette voegde eraan toe: ‘Wij zijn de harem van mijnheer’. En zo is de term harem ontstaan.”

“Er zijn strikte regels”, zegt Mario. “Mijn harem is een soort first wives club. Enkel toegankelijk voor gescheiden vrouwen en dan nog met deze restrictie: ze moeten door hun man verlaten zijn voor een groen blaadje.” Gebulder klinkt door de kleine flat. We zitten met een achttal mensen rond de tafel, naast de ouders en de zoon van Mario, allemaal vrouwen. Twee van de oorspronkelijke haremvrouwen zijn erbij: Ingrid en Lieve. Er zijn nog een paar vriendinnen aanwezig, onder wie Anne en Anita en Lies, die kookte voor Mario's laatste harembijeenkomst.

Anita: “Anne en ik zijn er later bij gekomen. Wij noemen ons gecoöpteerd. Wij voldoen niet helemaal aan de regels. Ik bijvoorbeeld ben niet verlaten, ik heb verlaten.” De groep buldert het andermaal uit.

“En nu even ernstig”, zegt Mario. “We gaan over tot de formele uitdeling van mijn resterende opera- en concertkaarten. Ze zijn nogal exclusief. Ik wil niet dat ze ongebruikt blijven. Waar zijn ze overigens?” De middelste lade van de kast gaat open, moeder Verstraete haalt de enveloppe eruit, die nadien in een bijna sacrale stilte wordt doorgegeven en door Mario wordt opengescheurd. Hij bekijkt de kaartjes een voor een en leest een beetje moeizaam voor.

“Ik heb hier dus: Brahms en Schönberg, Puccini, Fidelio, Cosi fan tutte (collectief ‘oh’), Die Leiden des jungen Werther, Prokofjev en Verdi's La Traviata (weer een ‘ooohhh’).” Een kaart wordt meteen opzij gelegd. Die is naar het schijnt bestemd voor Anita. Zij trekt op 10 juli met Mario's zoon Ruben naar Rinaldo. Ruben kijkt op en roept uit: “Waaw Anita, gaan we samen naar het voetbal!”

“Hij weet het wel hoor”, fluistert Anita. “Ruben doet dat om zijn vader uit te dagen.” Met resultaat, want Mario roept al uit: “Rinaldo van Händel, sukkel. Niet Ronaldo of Rivaldo.” Ruben zit te meesmuilen aan tafel, prutst weer aan zijn pet en vraagt: “Anita, ga jij dan ook eens mee naar iets wat ik graag hoor, een rappersgroep of zo?”

Lieve zegt later dat de haremvrouwen en gecoöpteerde aanhang met Mario de afspraak hebben gemaakt dat zij voor de muzikale opvoeding van Ruben zullen zorgen, zodra zijn vader er niet meer is. Er worden lotjes getrokken en kaarten doorgegeven. De afspraak is dat de waarde van elke kaart gestort wordt op Rubens rekening. Mario heeft alles perfect geregeld. Ook mij duwt hij een ticket in de handen. Brahms en Schönberg, uitvoering op 5 oktober. “Geniet ervan”, zegt hij. “En hoop maar mee met mij dat ik er dan niet meer ben.”

Na het verdelen is er even een vreemde stilte. Die wordt snel opgevuld met gerinkel van glazen en bestek. Een pan met goulash (van Lies) wordt opgediend, evenals een grote plateau vol frieten die pa Verstraete in de keuken bakt. Terwijl iedereen toehapt, vraagt mama Verstraete de aandacht. “Ik heb ook iets te zeggen.” Ze staat recht en verklaart plechtig met haar mooie West-Vlaamse accent: “Mario heeft gezegd: niet treuren. Nu, we zullen ons best doen.” Iedereen zit als op zijn stoel genageld. “Maar mijne man heeft ook iets gezegd. Hij heeft gezegd: als Mario er niet meer is, neem ik de harem van mijn zoon over.” Vader Verstraete, zoals steeds gekleed in bermuda, zet een verse lading friet op tafel, gniffelt en verdwijnt. “En gij, mama?”, vraagt een van de vrouwen. “Ik?”, zegt ze. “Terwijl pa jullie opvangt, ga ik op reis.” Iedereen applaudisseert. “Tja, om uit te rusten”, besluit ze, en het klinkt ineens ernstig. Ze neemt een hap van het eten op haar bord en zucht. “Het is dat het nu plezant is, maar soms maak ik toch vreeje dingen mee.”

Tijdens het eten vraagt Lies: “En Mario, nog veel pers gehad?”. Hij gniffelt. “Ik kreeg gisteren de makers van het VRT-programma Aan Tafel aan de lijn. Of zij een reportage konden maken. Ik viel bijna van mijn bed. Aan Tafel! Met Mario Verstraete, BSV, Bekende Stervende Vlaming. Ik heb gewoon geantwoord: ‘Beste mensen, ik denk dat ik niet in jullie programmaformule pas’.” Een vriendin klapt in de handen.

Mario vertelt tijdens de maaltijd over de stroom bezoekers die zijn drempel platloopt. “Je moet hier ook nogal tegen politici kunnen”, grapt hij en hij somt op wie hem de voorbije weken met een bezoek bedacht of in de volgende week wil langskomen. Frank Beke, gouverneur Balthazar, Frank Vandenbroucke, Johan Vande Lanotte, Freya en Luc Van den Bossche, Freddy Willockx, Louis Tobback en Steve Stevaert.

“Over politiek gesproken. Weet je nog, in de Senaat...”, klinkt het aan tafel. “Mario, vertel nog eens over jouw reactie tegenover die CVP-senator?” “Tja”, lacht Mario. “Ik zat daar in mijn rolstoel in de Senaat om voor een waardig einde te pleiten. Plotseling staat die CVP'er op en zegt: “Denk er toch nog eens over na, mijnheer Verstraete, misschien zal het lijden u dichter bij God brengen”. Ik antwoordde: “Sorry, maar ik neem wel een andere lift naar boven”.”

“En de gekken, Mario, die heb je ook gehad, vertel nog eens”, dringt een van de haremvrouwen aan. Mario lacht nu echt luid, pikt eerst nog een frietje. “Kort nadat ik in de media was gekomen met mijn verhaal over euthanasie kreeg ik een telefoontje van iemand die me zei: “Niet versagen, jongen, je komt er wel, zonder euthanasie. Gewoon elke dag een liter bietensap drinken”.”

Halfelf, Mario wil naar bed. Meestal slaapt hij al om negen uur. Hij ziet er grijs uit, doodmoe, op. Tot? Vragen we bij vertrek. “We hebben nog wel wat tijd”, zegt hij. “helaas.”

null Beeld telefacts
Beeld telefacts

Woensdag 26 juni: een doordeweeks bezoek

‘Matrem fornicarens!’

Onweerswolken. Regenbuien en lage barometer, ook thuis bij Mario. Shit en shit en nog eens shit. “Wat een klereboel. Zo word je van de ene naar de andere kant gegooid. Nu weer.” Hij hapt naar adem. “Gisteren vernam ik dat ik kon gaan, dat men mijn overlijden niet als verdacht zou beschouwen, ook indien ik het nu deed, zonder de uitvoeringsbesluiten in het staatsblad. Maar ook dat kan mijn dokters niet overhalen. Ik hoor nu zeggen dat het weleens het eind van dit jaar kan zijn. Nu, ik zweer het je: zo lang wacht ik niet.”

Ruben zit aan de tafel en kijkt eveneens bedenkelijk. Ook hij moet wachten, net zoals de hele omgeving die mee wacht. Sommige vrienden hebben al twee keer, drie keer afscheid genomen en komen nog een vierde keer. Maar de zoon ziet de vader elke dag meer afzien. “Ik weet het al zo lang”, zegt hij. “En mijn vader moet toch gaan, daar heeft iedereen zich intussen bij neergelegd. Maar op die manier, ik vind het ook... gewoon zeer vervelend.”

Ruben heeft zijn laatste examens achter de rug en het ziet er naar zijn zeggen ‘behoorlijk’ uit. Hoe was het met Latijn, vraagt pa Mario, even zijn zorgen opzijzettend. “Goed”, is het antwoord. “Wiskunde iets minder, maar ook geen catastrofe hoor, gewoon ietsje minder.”

Mario, die zelf een klassieke opleiding volgde, is behoorlijk trots op Rubens fraaie resultaten. “Vooral dat Latijn. Ik blijf mijn zoon uitleggen dat het geen oude taal is. Laatst nog zat Ruben weer naar die rappersgroepen van hem te luisteren, Eminem en zo, en dat was van shit alhier en mother fucker aldaar. Ik heb toen gezegd: Ruben, je mag nog verder naar die muziek luisteren, maar op één voorwaarde: je moet weten wat mother fucker in het latijn is. Wist hij niet. Kon niet vertaald worden, dacht hij. Nu, ik heb het gedaan. Volgens mij is het ‘matrem fornicarens’. Ruben trok met mijn vertaling naar de juf Latijn. Volgens haar bleek die vertaling nog te kloppen ook, en trots dat hij was, hé Ruben.” De jongen knikt. “Word ik nu de eerste Vlaamse Latijnse rapper? Is daar toekomst in, pa?”

“Jongen”, zucht Mario weer. “Je weet dat ik nu niet de persoon ben aan wie je moet vragen of in iets toekomst zit.”

Niet alleen zoon en vader hebben het lastig met dat steeds weer uitgestelde vertrek, ook de moeder van Mario wordt met de dag meer gespannen. Ze heeft het bovendien helemaal niet begrepen op de pers, die bij Mario bedelt om een beeld, een quote. Het was ook via de pers, zegt ze, dat ze vernam wat haar zoon van plan was. Mama Verstraete: “Ik wist natuurlijk dat Mario door zijn inzet voor die euthanasiewet zijn recht op sterven in eigen handen zou nemen, maar ik wist niet of hij al een plan had. Nu, tijdens een interview op onze regionale zender WTV begon Mario haarfijn uit te leggen wat hij precies wou.”

Mario: “Een dag later stonden mijn ouders hier voor de deur. “Dus”, zei mijn moeder, “je bent er nu echt mee bezig.” “Ja ma”, zei ik. “Bon”, zei ze, “het is goed dat ik het weet, nu kunnen we ons mee voorbereiden.” Mijn vader heeft iets meer tijd nodig gehad. Elke dag kwamen ze op bezoek. Ze hebben mijn pijn en mijn vastberadenheid gezien. Sinds mei van dit jaar zijn ze gebleven en zagen ze mijn aftakeling en mijn voorbereidingen, mijn afscheid van vrienden, mijn laatste feestjes en leefden ze werkelijk alles mee.”

Mama Verstraete: “Het is hard, elke dag, en ik haat het feit dat de buitenwereld zoveel weet. Ik word er in de krantenwinkel over aangesproken. “Awel, mevrouw, wanneer gaat hij sterven, uwe zoon?”, vragen ze. Komt dat tegen.”

Dinsdag 9 juli: voorlopig afscheid, berusting

‘Requiescat in pace’ Mario op bed, aria's op de achtergrond. Snoepjes op een bord, glas wijn binnen handbereik, een versneden perzik in een kom. Vader Verstraete kijkt onafgebroken naar de Tour. “Metz-Reims”, zegt hij tijdens de handdruk. “Vlakke rit.”

Mario is rustig, had gisteren een slechte dag maar voelt zich nu iets beter. Hij is cynisch als altijd. We vragen hoe hij de voorbije week heeft doorgebracht. Hij antwoordt met een woord. “Berusting.” Er volgt weer een van die langere stiltes waarin hij de ogen sluit, lijkt weg te dommelen. De morfine is verhoogd, de pijn is een stuk teruggedrongen, maar ook zijn aandacht verslapt. Alhoewel, als wij zwijgen, zegt hij: “Praat maar, ik reageer wel.”

Aanwezige ‘haremvrouw’ Lieve en ik keuvelen wat. Mario komt er af en toe tussen. “Wat ik over die berusting wou zeggen: ik hou wel nog rekening met die nieuwe datum, 20 juli, voor mijzelf. Het is geen fetisj, het is gewoon een uitzicht, om de dagen door te kunnen komen.”

“Trouwens, niet alleen de dokters, ook mijn vrienden en vriendinnen zijn met uitstelmanoeuvres bezig. Ze vertrekken allemaal op reis en willen dat ik wacht tot ze terug zijn. Ik schrijf hun datum van terugkomst dan maar gewoon in mijn agenda.”

Zal hij op hen wachten? “Welnee”, zegt Mario. “Ik wacht maar op een ding: op mijn toelating om te gaan en dan zal niemand me nog tegenhouden.”

En dan later, als zijn ogen weer eens kort opengaan: “Het ligt niet meer in mijn handen.” Zoals de dood van vele mensen, denk ik.

We vragen om een Latijnse zin, dat zijn we onderhand gewoon bij elk bezoek. Mario: “Hou het kort. Gewoon RIP, requiescat in pace. Vrede is het enige wat ik wil. Ik kan niet meer kalm zijn vanbinnen, alles is onrust.”

Rust zit nochtans in berusting, de term die hij daarnet gebruikte. Berusting, vindt Mario, heeft alles met dwang te maken. “Wanneer je je bij iets móét neerleggen, betekent dat toch dat je eigenlijk iets anders wilt.”

Welke waarde krijgt dat einde dan, vergeleken met pakweg een maand geleden, toen hij nog naar die 1 juli lonkte?

“Goede vraag”, zucht hij. “Dat einde is bij lange niet meer zo mooi. Op de verlossing is een smet gekomen. Mijn tempo wordt niet gerespecteerd.”

Mario roept er even later zijn vader bij. “Pa”, zegt hij. “Haal die goede fles die Herman Balthazar meebracht.” Pa Verstraete diept een fles op uit de mand naast de schouw, zet ze op de salontafel. Een château Lafite Rothschild van 1989. “Leuk hé”, zegt Mario. “Ik ga nog steeds in stijl. Welke levende ziel kan zich dit veroorloven om drie uur in de namiddag op een doordeweekse dag?” Hij zet zijn lippen fijntjes tegen het glas, laat de dure drank binnenstromen, drukt zich diep in zijn kussen en zucht. “Hemels”, zegt hij. “Nou ja, niet dat ik in een hemel geloof, maar als hij bestaat, dan drinkt men er Lafite Rothschild.”

Voor Mario bestaat geen ‘hierna’, maar hij grapt er veel over. Bijvoorbeeld: “Als het dan toch mocht gebeuren, laat me dan Maria Callas tegenkomen, mijn grote muzikale vriendin. Zij zal op mijn dienst de ‘Casta Diva’ zingen.”

Het einde van ons gesprek nadert, evenals mijn eigen afreisdatum: morgen 10 juli. Dan lonkt een kleine maand Zuid-Frankrijk.

“Mijn laatste reis”, zegt Mario, “was Portugal in het jaar 2000. Ik koester die herinneringen, mijn reizen door Afrika, Azië en Zuid-Amerika, mijn laatste grote reis in 1997 naar Cambodja. Vorig jaar viel alles in duigen. Toen ben ik naar deze flat verhuisd.” Lieve en Mario halen herinneringen op aan die verhuizing. “Ik heb veel weggegooid toen. Weet je nog Lieve, in hele grote vuilniszakken. Weg ermee, zei ik, wie geen toekomst heeft, hoeft geen verleden mee te slepen.”

Hij diept zijn agenda op. “Wanneer kom je thuis?”, vraagt hij plotseling. “Op 8 augustus”, zeg ik. “Marijke terug”, belandt in beverig handschrift op die datum in zijn grote boek. De dagen ervoor en erna in de agenda zien er weer leeg en wit uit. Hij lacht. “Zie je, weer niets genoteerd. Je weet maar nooit.”

Hoe moet je vertrekken bij iemand die je misschien niet terugziet? Met een banale opmerking, iets anders is er niet voorhanden. De sfeer is er ook niet naar. Lieve schenkt nog een glas wijn in. In Reims rijdt Zabel zich in het geel. In Gent begint het alweer te regenen. “Mocht ik je niet meer zien... Goede reis, Mario”, zeg ik. Hij antwoordt, met zijn vlakke stem: “Ik wens jou hetzelfde.”

Dinsdag 20 augustus

‘Quousque tandem abutere...’ (bis) “Tja”, zegt Mario. “Wat ik vreesde, is dus bewaarheid geworden. Ze wilden niet. Ik ben er nog.” Ik bracht een muskaatwijn voor hem mee van op reis, ‘Beaumes de Venise’. “Een zoete aperitiefwijn”, zeg ik. “Een vrouwendrankje. Dat kan wel voor Mario met zijn grote vrouwelijke kant.” Hij bedankt.

Het is de enige keer tijdens ons bezoek dat hij lacht.

“Vrouwen, komiek is dat, hé”, vertelt hij, “maar ik heb me inderdaad altijd met vriendinnen omringd. Ik weet niet hoe dat gekomen is.” Ook nu weer is zijn goede vriendin in de buurt. De ouders zijn naar hun huis in West-Vlaanderen, zoals ze elke dinsdag doen, om de planten water te geven, de post uit de bus te nemen en dan weer het traject terug te doen naar Gent.

“Het zal eind september worden”, zegt Mario. Lieve trekt haar wenkbrauwen op. “Ik hoop het voor hem”, zal ze later zeggen aan de voordeur. “Niets is zeker tegenwoordig. Het is wel hard voor hem. Hij wordt zeer cynisch, doet soms moeilijk tegen de mensen die hij het liefste heeft. Hij kijkt mat uit zijn ogen, vind ik. Zijn tint was al niet gezond te noemen, maar nu is zijn kleur donkergrijs.”

We blijven die middag niet te lang. Mario is uitgeput en alles werkt op zijn systeem. Hij vraagt wel om een paar artikels uit De Morgen voor te lezen, maar onderbreekt telkens weer met zuchten en steunen, vraagt een kop thee, een glas wijn, raakt het middageten amper aan.

“Een stuk uit de Bis”, zegt hij en steekt me de cultuurbijlage van De Morgen toe. Ik lees de titel: ‘Binnenkort opent het Musée des arts contemporains’. “Overslaan”, roept hij. “Ik geraak daar toch niet meer.”

Een fijn bezoek is het niet. Het is warm in de kamer. De zon breekt genadeloos door de ruiten. Mario vraagt: “Kun je het gordijn dichtdoen?”

Donderdag 12 september

‘Es ist vollbracht’ (Bach, Johannespassie)

Lieve valt in mijn armen in de hal. Tranen, snikken, luid wenen. “We weten het”, zegt ze. “Gisteren is de datum vastgelegd. Ik ben de kluts kwijt.”

Een dag eerder zijn de twee artsen langsgekomen. In overleg met hen heeft Mario zijn datum vastgelegd. Toen dat bekend was, belde hij Ruben op, maar die was het er niet mee eens. “Oh nee, pa, niet in die week, dan ga ik op schoolreis”, klonk het. Mario heeft dan ter wille van Ruben een andere dag gekozen.

Mama Verstraete is er niet. Ze heeft die ochtend wel een grote vaas vol witte lelies op de tafel van de woonkamer gezet. Witte lelies, nu ruikt het helemaal naar afvaart. Lieve is er werkelijk het hart van in, van het nieuws. Slap hangt ze in haar stoel, maar haar knieën drukken tegen het bed. Alsof ze in de aanloop naar Mario's dood zo dicht mogelijk bij hem wil zitten. Een grote tegenstelling vormt dat met Mario zelf, die er in lange tijd niet meer zo goed heeft uitgezien. Zijn ogen lichten op. Hij vertelt honderduit. Over het uur waarop hij van zijn dichtste vrienden afscheid zal nemen en hoe hij dan een uur later zijn ‘euthanatica’, een drankje, zal innemen. “Dan volgt er een coma en daarna zal ik sterven, al dan niet met nog wat extra hulp”, vertelt hij. “Een paar vrienden mogen erbij blijven, mijn moeder wil er ook bij zijn, mijn vader misschien niet, enfin, die bekijkt alles meer van op een redelijke afstand, hij zal misschien even gaan wandelen.”

En, zijn gevoel nu alles is beslist? “Enorm, een enorme opluchting.” Hij hoeft het niet te zeggen, het spreekt uit zijn hele houding. “Hij eet weer”, zegt Lieve. “Hij kan zelfs weer een beetje lezen, het lijkt alsof in weerwil van het nakende einde zijn laatste krachten naar boven komen. Het is opmerkelijk.”

Ook Lies is die middag op bezoek. Ze vraagt welke etymologische betekenis achter euthanasie zit. Mario veert op, voor zover dat nog kan in zijn benarde positie. “Eu betekent goed. Euthanasie is dus een goede dood.”

Lies lacht: “Is dat op zich geen eufemisme, Mario, ook met eu, waarom eu overigens?” Mario voelt zich lekker in zijn leraarsrol. “Eu als vergrotende trap van goed, dus beter. Eufemisme betekent: het beter zeggen dan het werkelijk is.” En? “Nee”, zegt hij. “Een goede dood is geen eufemisme, euthanasie is voor mij goed in de overtreffende trap.”

Mario sluit de ogen weer, maar zijn mondhoeken zijn ontspannen. “Weet je dat ik zelfs met mijn vader nog eens naar buiten ben geweest, naar de Vrijdagmarkt? En we hebben samen een West-Vlaams veuzeke gezongen. Mario begint er weer aan. “... een maske schoane van gezicht, maar zwoare van gewicht..” Hij zwaait de maat met zijn handen.

Donderdag 19 september: in een stille wereld van onkruid

‘Sic transit gloria mundi’

“Waar is de papa?”, vraag ik. “Buiten”, zegt mama Verstraete. Ze toont waar pa zit, als steeds in bermuda, maar nu heel gedrongen, op zijn hurken. Hij trekt op de oprit grassprietjes uit de grond. “Nee, hij wil dat niet doodspuiten”, zegt de mama. “Hij wil ze een voor een uittrekken. Gewoon om zich bezig te houden en om eens buiten te zijn.”

Papa Verstraete heeft blijkbaar na de mare ‘zijn klop gekregen’, zoals hier wordt gezegd. Hij trekt zich dan graag terug in zijn stille wereldje van onkruid wieden. Binnen kijkt Mario vanochtend naar de video van De Laatste Show van gisteravond, het gesprek met Steve Stevaert. Aanleiding vormt het dubbelinterview Stevaert-kardinaal Danneels in Dag Allemaal. Mario zit in zijn rolstoel geamuseerd te kijken naar de voor hem toch vrij vage beelden op tv. Hij kijkt niet eens om naar het bezoek. Hij geniet. Hij drinkt thee, knabbelt chocolaatjes en lacht luid.

“Steve heeft dezelfde familiale achtergrond als ik”, zegt hij. “Ook een katholiek nest, ook zeer gelovig opgevoed. Ik heb net als hem op mijn dertiende gezegd: ik geloof het niet meer, voortaan geloof ik niets.” Hij lacht om een oneliner van Steve. Mario (draait zich om): “Dit is toch veruit de beste politicus die we momenteel hebben, vinden jullie niet?”

Stephan toont de reeks foto's die hij van Mario heeft gemaakt. Mario wil er een uitkiezen voor het doodsprentje. “Ik wil een tweeluik”, zegt hij. “Links een foto uit 1985 en rechts een van nu. Ertussen de zin ‘Sic transit gloria mundi’. Aan de achterkant staat dan een gedicht van Ruben. En ernaast... ach, zo'n paar praktische dingen zeker, dat moet altijd, geloof ik.” Hij lacht.

Moeder komt binnen, grapt eerst mee, maar besluit ernstig: “Ik vind het toch roar weije. En ik wil geen triestige foto's op het zentje. Het mag iets plezieriger zijn.” “Ja maar, voor die sfeer is het toch het best...”, probeert Mario nog. “Sfeer, sfeer”, zucht ze terwijl ze wegsloft. “Die sfeer zal wel in orde zijn. Er is hier al genoeg sfeer geweest de voorbije weken.”

We zeggen dat het opvallend is, de spanning die hier in huis ontstaat tussen een bijna niet meer in te tomen Mario en de vrienden en ouders die onrustiger worden omdat het afscheid nadert. Mario trekt zijn schouders op. “Ach.” Zegt hij. “Anderzijds is het wel zo dat mijn ouders zich er een drietal dagen geleden finaal bij hebben neergelegd. Mijn moeder is me dat zo komen zeggen. “Mario”, zei ze, “pas op, wij blijven het even verschrikkelijk vinden, maar het moet maar zijn, het is oké voor onze pa en voor mij”.”

De ouders hebben het evenmin gemakkelijk met de manier waarop Mario zal worden begraven: burgerlijk, in een aula, en nadien gecremeerd. Mario: “Ze hebben tot hiertoe alleen maar begrafenissen in hun kerk in West-Vlaanderen meegemaakt. Ze vroegen zich af hoe dat zou gaan met dat verstrooien en zo, en of ze daar de mensen ook ne pistolet konden aanbieden nadien. Nu, mijn beste vriend Tom gaat volgende week eens met hen naar het crematorium om een en ander uit te leggen.”

En wat met het feit dat hij als vrijzinnige, dus zonder de sacramenten, vertrekt? Mario: “Mijn mama zei me vanochtend ook: “Mario, ik zal misschien ook niet te lang meer leven, dan zien we elkaar nog binnenkort daarboven”. Ik heb haar geantwoord: “Mama, er is niets te zien”. Maar ze zei: “Het zou nochtans geestig zijn”. Tja, wat moet je daar dan weer op zeggen.” Mario zucht.

Hij heeft in de sprint naar de dood zijn mening over een hierna nooit bijgesteld. “Nooit ofte nimmer. Ik ben daar veel te rationeel...” Mama komt weer binnen en neemt zijn zin over “veel te veel denken hebde gij gedaan, Mario, altijd maar peizen. Gij waart veel te slim, gij. Dit hier, die manier van sterven, dat komt daar ook uit voort.”

“Ik kan niet in iets geloven”, gaat Mario verder. “Kijk, stel u het volgende voor, we zijn momenteel met zeven miljard mensen op de aarde. Tel daar al die miljarden mensen bij die in het verleden hebben geleefd en zijn gestorven. Allee ma, dat zouden nogal grote zalen moeten zijn daarboven om ons allemaal in te ontvangen. Ik zou in die hele meute niet eens Callas kunnen terugvinden, of nog iemand die ik zou zoeken, Johann Sebastian Bach.”

Mama schudt het hoofd weer, lacht fijntjes en vertrekt naar de keuken.

Mario vraagt om hem weer in zijn bed te hijsen en zegt onderweg naar het ledikant: “Ik heb gisteren nog een goede mop gehoord over Steve Stevaert. Steve stierf en kwam tot zijn grote verbazing voor de hemelpoort te staan. Sint-Pieter wou hem binnenleiden, maar Steve zei: “Als het voor u hetzelfde is, zou ik graag eerst even de hel zien”. “Goed”, zei Sint-Pieter. “We zullen even een kijkje nemen.” De deur gaat open en wat ziet Steve? Een echt bacchanaal, zuipen, schone madammen, leuke muziek, ambiance kortom. In de hoek merkt hij echter een klein gebouwtje op. “Wat is dat?”, vraagt hij. “Kom eens kijken”, zegt Sint-Pieter en hij opent de deur. Binnen zitten een paar mensen te krijsen van de pijn, ze worden gemarteld, gefolterd, kortom, een bloedbad. “Awel”, vraagt Steve, “wat is dat hier eigenlijk?” “Oh”, is het antwoord, “dat is de hel voor de katholieken, die hebben dat graag zo”.”

Pa Verstraete komt binnen met de post van de dag. Ook hij lijkt in een vrij cynische stemming. “Hier”, zegt hij. “En er zit veel brol tussen die je niet meer nodig zult hebben.”

“Wat is dat hier?”, vraagt Mario. In de enveloppe blijkt een uitnodiging te zitten voor het Gentse filmfestival. Van 8 tot 19 oktober loopt het. “Tja, spijtig. Nee, niet spijtig”, zegt hij en legt de stapel post opzij.

Woensdag 25 september samen een laatste keer muziek beluisteren

‘Au contrarie’

“Het is hier de dag van de lugubere grapjes.” Pa Verstraete spoelt het schuim van de borden en zet ze op het aanrecht. Mama scharrelt in de ijskast. In de woonkamer voert Mario zijn zoveelste telefoongesprek met alweer een afscheidnemer. “Dat is het probleem met het uitstellen geweest”, zeggen de ouders. “Eerst zie je ze allemaal, dan wordt het rustiger, maar nu het einde nadert, komt iedereen weer langs, of belt, of wil nog iets van Mario horen.”

Mario en zijn ouders zijn nog zelden alleen. En, vragen we, verandert hij de laatste dagen naar het einde toe qua sfeer? Verstilt hij, wordt hij rustelozer? De moeder heft haar hand op en zwaait ermee naast haar hoofd. “Veranderen? Het is meer au contrarie. Hij is alsmaar geestiger. Mario is al lange tijd niet meer zo opgewekt en ontspannen geweest.” En zij? “Zwijg”, zegt ze. “Nog een zatje?”, en ze schenkt alvast de volgende bak troost in.

Pa zet de gedroogde glazen in de buffetkast in de woonkamer. Mario's telefoon is even bedaard. “Tja”, zucht hij en hij vraagt ons een artikel uit de krant voor te lezen. Hij wijst het aan. De titel luidt: ‘Formulier voor euthanasie nog lang niet bij de dokters’. We lezen voor, ook de laatste zin. “De Artsenkrant raadt de dokters aan vooralsnog geen euthanasie uit te voeren.”

Pff, doet Mario. “Ik ken dat met die kabinetten. Ik heb er lang genoeg gewerkt. Het zijn nu weer toestanden tussen Justitie en Volksgezondheid, die het formulier samen moeten opstellen. En de Jef (Tavernier, ML) heeft naar ik vernomen heb dan nog de boel vertraagd door te eisen dat al die onderhandelingen in het Nederlands gebeuren.”

Zullen zijn dokters op de valreep niet terugtreden?

Opnieuw een pff. “Wij zijn er heel gerust op”, zegt hij met een monkellachje. Pa slaat de kastdeur dicht en sist tussen zijn tanden: “De kogel is geloof ik door de kerk”. Het aanwezige gezelschap lacht. Pa heeft nog nooit zoveel gesproken sinds die laatste week. Niet zozeer vrolijk zoals zijn zoon, maar op een cynische manier gooit hij de sfeer van zich af. “Tja, kijk gasten, je moet er iets mee doen”, zegt hij en hij sloft weg. “Galgenhumor noemen ze dat”, zegt de mama. Samen met haar man legt ze hun zoon weer in het ligbed aan het raam. Daarna gaan ze even uitrusten in de slaapkamer.

“Duw eens op de cd-speler”, gebiedt Mario. Norma, wat anders, van Bellini, met als kers op de taart de ‘Casta Diva’, de uitvaartmuziek van Mario. “Met Montserat Cabale”, zegt hij. “Niet Callas. De versie van Callas zit al veilig opgeborgen bij de rest.” De rest? “Welja, het pak met teksten en muziek voor mijn dienst.” Het blijft een vreemde manier om over de toekomst te spreken, maar het went.

Mario grijpt weer naar het vuurrode pakje sigaretten. “Nog eentje, we kunnen ertegen”, zegt hij en hij steekt beverig een vlam aan de tabak, haalt diep in en kijkt naar het pakje. “Je mag ze voor mijn part vermelden, ze hebben mijn laatste maanden een stuk draaglijker gemaakt. NYC, Norman Young Compagny.” Het zijn echte Amerikaanse teerstokken, heavy stuff, 12 milligram teer en 1 milligram nicotine. “Die zullen hun marktaandeel wel zien ineenstorten de volgende maanden”, grinnikt Mario. Norma davert verder. Strepen onvergetelijke en ook opgewekte muziek. Mario slaat met zijn hand op het laken, neuriet mee. Er volgen weer lange stiltes, want veel communiceren doet hij allang niet meer, tenzij interviewers hem vragen stellen, steeds dezelfde overigens. Waarom doe je het, waarom wil je niet nog even blijven leven zodat je jouw zoon ziet opgroeien? Hij antwoordt ook steeds hetzelfde. “Leven is meer dan opstaan en er zijn, je moet er een waarde in vinden. Als je als een kind verzorgd moet worden, als je verplaatst moet worden en je dat lichaam niets meer kunt opleggen, zelfs niet meer dat het leest of zich verlegt of iets onderneemt, dan zijn de belangrijkste functies weg en kun je geen humaan doel meer ontwikkelen.” Hij is het moe gezegd, hij wil rusten.

“Tja”, zegt Mario plotseling. “Een paar maanden geleden klonk hier andere muziek door, hé. Mahler bijvoorbeeld en een trits Requiems. Nu kies ik voor de grote opera's en concertstukken, Händel, het meer opgewekte genre, inderdaad. Ik heb ook alle redenen om opgewekt te zijn.”

Hij zwijgt weer een paar minuten en steekt dan een vinger op. “Bellini”, zegt hij. “Die heeft het niet eens zo lang volgehouden als ik. Hij werd er amper vijfendertig.” Mozart ook, weten wij. “Zesendertig”, antwoordt hij en lacht. “Vroeg sterven”, zegt hij, “het is alle groten gegeven.”

Telt hij nu werkelijke alle dagen af? “Goed hé”, zegt Mario en trommelt verder met die door ms gekromde handen op het zeil van de matras. “Komen jullie naar mijn dienst?” We knikken. “Zet dit dan alvast een beetje harder, je zult het daar ook horen.” We draaien aan de volumeknop voor de ‘Casta Diva’, alweer. We zullen het woord voor woord kunnen meezingen, die zaterdag.

Vrijdag 27 september: afscheid

Eén uur in de namiddag. Stuk af, artikel voorgelezen aan Mario, afscheid genomen van hem en zijn ouders. Alles in één keer. Mama ontroerd, papa stak een hand uit vanachter het dagblad. Hij is weer in zichzelf gekeerd. Mario bedankte, een beetje plechtig zelfs, “om in die laatste maanden een beetje een vriendin te willen zijn”.

Doet het hem iets als hij zijn dichtste vrienden en familieleden stuk voor stuk ziet vertrekken, in verdriet? Mario glimlacht zacht, hij spreekt ook heel zacht vandaag: “Ik merk hoe erg mijn vertrek aan hen kleeft, we zijn in deze weken allemaal zo dicht bij elkaar gekomen. Afscheid nemen wordt dan lastig, minder voor mij dan voor hen. Het doel waar ik naar uitkijk, is de dood, en ik weet dat dit bevreemdt, maar het is tenminste zeker. Ik ben verlost en zij moeten achterblijven.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234