Donderdag 04/06/2020

Maria Rosseels gelauwerd

Maria Rosseels viel de rijkdom van de kerk en de mannelijke dominantie in de kerkelijke hiërarchie aan

Door Jan stuyck

Gij zult uw schrijvers eren. De Vlaamse Auteursvereniging (VAV) was vorige week bijzonder blij om samen met minister van Cultuur Bert Anciaux te laten weten dat vanaf volgend jaar oudere Vlaamse schrijvers een oeuvrebeurs kan worden toegekend. Hiervan zullen jaarlijks ongeveer tien schrijvers kunnen profiteren. Bovendien wordt er gewerkt aan de oprichting van een pensioenfonds. Dat is overigens een goed idee voor élke kunstenaar.

Schrijfster Maria Rosseels kan het niet meer meemaken. Zij overleed twee jaar geleden in Brasschaat op de respectabele leeftijd van 88 jaar. Voor haar geen pensioenfonds, laat staan een oeuvrebeurs. Dat laatste zou haar - mocht ze nog onder de levende schrijvenden zijn - wellicht wel zijn toegekend. Ruim twintig titels staan op haar naam en haar belang voor de letteren valt niet te onderschatten.

Onder het pseudoniem van Emma Vervliet, debuteerde Rosseels in 1947 bij het Davidsfonds met het jeugdboek Sterren in de poolnacht. Datzelfde jaar startte ze haar carrière als journaliste en filmcritica bij de katholieke krant De Standaard. Het was in het naoorlogse België niet vanzelfsprekend dat een vrouw voltijds werkte, laat staan journalist was, evenmin dat ze boeken schreef. Maar zij was een gelovige vrouw met een missie, al laat die missie zich niet zomaar benoemen. Ze predikte in de jaren vijftig-zestig voor verdraagzaamheid en oecumene, zaken die in het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) ruim aandacht zouden krijgen. Haar spreekgestoeltes installeerde ze in de krant en in haar romans.

In de krant had Rosseels een rubriek 'Voorlichting gevraagd' met daarin haar antwoorden op ingestuurde lezersbrieven over de huwelijksmoraal, met toentertijd netelige kwesties zoals geboortebeperking. Rosseels was nogal pragmatisch in haar aanpak van issues omtrent vrouw en gezin, zeer tegen de zin van Monseigneur Suenens die haar op het matje riep. Dat schrikte haar niet af om in 1960 de krantenserie 'Moderne nonnen gevraagd' te starten. Daarin nam ze brieven van Belgische nonnen onder de loep die bij haar hun hart hadden uitgestort. Vaak waren de brieven zonder toestemming van de overste uit het klooster gesmokkeld. Rosseels ordende alle brieven volgens de drie geloften die een kloosterzuster aflegt: gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. De reeks had in katholiek Vlaanderen zo zijn voor- en tegenstanders, maar pas toen de journaliste het over de 'armoede' had riep kardinaal van Roey haar tot de orde. Rosseels had namelijk geopperd dat zij een conflict zag tussen de individuele armoede van de nonnen en de collectieve rijkdom van de kloosters.

Tegen die hang van de kerkelijke instanties naar rijkdom en wereldlijke macht keerde de schrijfster zich ook in haar romans. Dat deed ze onder meer in de trilogie De kloosterhoeve (1953), Ic segh adieu (1954) en Het derde land (1954). Daarnaast viel ze de mannelijke dominantie in de kerkelijke hiërarchie aan. Die kritische blik op het katholieke bestel zit evenzeer in Ik was een kristen (1957), het boek dat voor haar doorbraak zorgde, en in haar meest bekende roman Dood van een non (1961). De meeste van haar boeken zijn gesitueerd in het verre verleden, maar gaan met een omweg steeds over de tijd waarin Rosseels leefde, de periode van de schoolstrijd in Vlaanderen bijvoorbeeld. Ondanks haar fundamentele kritiek op het instituut van de kerk rekende men haar werk tot de katholieke roman, een genre dat wellicht met Rosseels in 2005 werd begraven. Haar boeken illustreren dat destijds de katholieke roman in Vlaanderen niet zo gezagsgetrouw was als algemeen wordt aangenomen.

Al werden haar progressieve ideeën in katholieke gezaghebbende kringen niet steeds geapprecieerd, vele critici en gelovige lezers waardeerden haar werk zeer. Dat bleek in 1969 bijvoorbeeld uit de toekenning van de prijs van de Scriptores Catholici voor Wacht niet op de morgen. Ze zou tijdens haar leven nog een tiental prijzen in de wacht slepen. Zo ontving ze in 1978 de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provinciën voor haar gezamenlijke oeuvre en in 1984 - als eerste vrouw - de driejaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijverscarrière. Drie jaar eerder was ze overigens benoemd tot doctor honoris causa aan de Katholieke Universiteit van Leuven en in 1985 werd ze als barones in de adelstand verheven.

Of haar boeken vandaag nog zo leesbaar zijn, daarover valt ongetwijfeld te twisten. Wel is duidelijk dat de toenmalige tegendraadse schrijfster Rosseels door haar tijdgenoten naar waarde werd geschat. Getuige daarvan zijn die talrijke oorkonden en erepenning die zich in de nalatenschap van de gelauwerde schrijfster bevinden en die worden bewaard in het AMVC-Letterenhuis.

Misschien is het niet zo'n slecht idee dat de VAV, in overleg met de minister, naast een pensioenregeling voor oudere schrijvers ook een nalatenschapregeling uitwerkt. Dat pampierderij, erepenningen en andere schrijversdingen goed worden bewaard. Het zijn immers dingen die getuigen van een rijk literair verleden. Of in het geval van Rosseels, dingen die ons iets vertellen over een woelig stuk Belgisch verleden waarin een autoritaire kerk een invloedrijke macht was in de (verzuilde) samenleving. Een macht die een schrijver tot de orde kon roepen. En daarnaast zijn de blinkende, ietwat protserige edelmetalen tekenen van een maatschappij die haar schrijvers tracht te koesteren en eren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234