Donderdag 21/10/2021

Maria AnkoNé Maarkedal, Borgtstraat ‘Je dénkt dat alles in veiligheid is’

Halverwege de smalle betonweg staat een kleine, sobere kapel, net aan de rand van de Maarkebeek. Moeder Maria waakt er minzaam over het amper anderhalve meter brede waterloopje. Een beek die de dorpskern splijt en die Maarkedal hooguit wat extra charme verleent. Wie de statige woonst van de familie Leterme wil betreden zegt eerst gedag aan Maria en steekt dan het stalen brugje over dat de straat met de villa verbindt. Vorig weekend was de brug nutteloos. De Maarkebeek zwol in enkele uren aan van een onbeduidende beek tot een kleine rivier. “We konden enkel nog per boot ontkomen”, zucht Maria Ankoné. De Nederlandse woont al veertig jaar in de Vlaamse Ardennen en kijkt niet langer op van een overstroming meer of minder. “Ach, na ’96 en ’99 kan ’10 er ook nog wel bij zeker? Je went aan het inkomende water, vreemd genoeg, al was het nooit zo als zaterdagnacht. In geen tijd stond het water in onze woonkamer, in de slaapkamer, in de keuken, overal. We moésten hier in allerijl weg van de brandweer.”

Het gore sop is nu eindelijk verdreven, de fletse drek helaas niet. De bruine kleur overheerst in het berghok. Het peloton aan fietsen kreunt onder een dikke laag modder. Ook het standbeeld in de tuin heeft last van natte voeten, net als de twee paarden die nog bekomen van het plotse bad dat hen te beurt viel. “Akkoord, het is hier vuil, nat, klam, maar materiële schade hoort er nu eenmaal bij. Een zetel kan je vervangen, een paard niet. Totti, de kleinste van de twee, is serieus ziek door het eten van te veel gras. Ik hoop dat hij het haalt en niet wordt geveld door het vuile water.”

In de woonkamer valt de materiële schade al bij al nog mee. De stoelpoten zijn schijnbaar wel wat afgebleekt, de stopcontacten zijn stuk en de tegelvloer is plots verouderd, maar hier zie je geen drijvende wasmachines. En toch heeft de Maarkebeek ook hier een grote ravage aangericht. Tussen de oren.

“Zaterdagnacht sliepen we in Geraardsbergen, bij onze dochter, voor de hemelsluizen ook ginds opengingen. Dan dénk je dat alles in veiligheid is. Dat de zetels op bakstenen staan, dat de boekenkast gevrijwaard is en dat alle andere belangrijke zaken al dan niet op poten staan. Je kan alleen maar hopen. Ook bij de terugkeer blijf je rustig. Meteen schrobben, om die verdoemde grijze markering op de muren weg te wrijven. Pas later, bij de échte inspectie van je huis bots je op tegenslagen. Ai, de poten van de piano zijn aangetast en veel erger: de dvd’s zijn beschadigd."

Emotioneel schijfje

Maria Ankoné is afkomstig uit de buurt van Enschede. Samen met haar man Bernard Leterme stond ze jarenlang in de advocatuur. De band met Nederland heeft ze evenwel nooit doorgeknipt, zo bewijst de dvd. “Een paar jaar geleden is mijn moeder 100 jaar geworden. Een fantastisch moment voor de ganse familie. Mijn broer, Gerrit-Jan, die leed aan het syndroom van Down, kon niet op het feest aanwezig zijn”, vertelt Maria. “Hij verbleef in een inrichting en mocht die niet verlaten. Om er denkbeeldig toch bij te zijn heeft hij teksten ingesproken en liedjes ingezongen voor ons moeder. De prachtige viering van de honderdste verjaardag staat op dit schijfje. ‘Hoe het komt dat ik zo oud word? Door iedere dag een eitje te eten’, dat soort spreuken van ons moeder. Die mooie woorden, dat simpel plezier bij die verjaardag, ik mag er niet aan denken dat ik de beelden kwijt ben. Ook de begrafenis van Gerrit-Jan staat op de dvd. Een ingetogen, maar tegelijk ook zeer emotionele dienst. Het is te hopen dat één van mijn nichtjes nog ergens een kopie heeft liggen.”

“Die stomme waterschade, tja, daar leer je mee leven, maar het is het verlies van die kleine, sentimentele spulletjes dat pijn doet.”

“Ook ik hield mijn hart vast”, klinkt het bij echtgenoot Bernard Leterme. “Dan spaar je jaren aan een boekencollectie, dan hoop je dat die niet in één golf is verdwenen.” Maar ook bij Bernard is er plaats voor relativering. “Waar klagen wij eigenlijk over? Vergelijk dit met de waterellende in Pakistan. De helaasheid der dingen. Je moet altijd vooruit kijken, optimistisch blijven. Hoe luidt dat bekende Ierse gezegde ook al weer? Je verliest een duim? Je houdt je hand over. Je verliest je hand? Je houdt je arm over. Positief blijven.”

De familie Leterme is niet de enige die bezoek kreeg van de Maarkebeek. Ook de buren stapelden tevergeefs zandzakjes. “Hier om de hoek stroomde het water niet via de deur, maar via de vensterbanken naar binnen. Die mensen hebben hier pas gebouwd, ze komen uit Leupegem, waar ze regelmatig gegeseld werden door het water. Dan verhuis je naar hier en staat het water een halve meter hoog in je nieuwe living. Maar ach, alles komt goed. Uit dankbaarheid voor de solidariteit onder de buren sluiten we dit hoofdstuk straks af met een lekkere pot hutsepot, voor de ganse straat.”

Guy eEmbeeck

Halen, Koekoeklaan

‘Nochtans waren we voorbereid’

‘Zie dat daar nu hangen. Buiten aan de wasdraad, al mijn militaire spullen van in Congo. Slaapzak, veldbed, kompas, handschoen, EHBO-kit, turnbroek, drinkbeker, helm, gasmasker, c’est tout foutu. Om maar te zwijgen van mijn boeken. De bladzijden van de cursus gevechtstechnieken plakken als stickers aaneen. Allemaal de schuld van de Velpe.” Nochtans had Guy Eembeeck continu op de uitkijk gestaan, samen met zijn vrouw, om het gevaar in te schatten. “1998 ben ik nog niet vergeten, dan stond mijn huis ook al blank. Dit keer zou het niet gebeuren, ik was er klaar voor. De U-vormige vijver achter ons huis was toen herschapen in een heus meer. Plots zwommen er karpers van een halve meter in de tuin en de keuken.

En toch was er ook dit keer niks aan te doen. “Het was dweilen met de kraan open”, zucht Eembeeck. “Het ging allemaal veel te snel. Eerst kreeg ons tuinhuis een wasbeurt en voor ik het wist lagen er dompelpompen in de kelder. Maar ja, of het water nu tien minuten of een twaalf uur in de kelder staat, het kwaad is sowieso geschied. Binnenin konden we de schade enigszins beperken. Tien centimeter in de woonkamer? Ach ja, nieuwe stopcontacten, afbladderend behang, so what? Tot ik begon te denken aan de inhoud van onze kelder. Conserven en bakken bier, daar lig je niet wakker van, maar die rugzak met militaria?

“De eigenaar van ons huis raadde ons een tijd geleden aan om de zolder te ontruimen om er extra isolatie te plaatsen. Na jaren van sparen en verzamelen was onze zolder één grote vergaarbak geworden. Het belangrijkste werd dan maar naar de kelder versleept. Je moet het érgens leggen hé. En net dan treedt de Velpe uit haar oevers. De kitzak uit Congo was ik even kwijt. Pas na de ergste nood vond ik hem terug. Drijfnat en loodzwaar.

“Dat doet iets met een mens. In ’53 ben ik als vrijwilliger het leger binnengestapt, in de kazerne van Etterbeek. Ik schopte het al snel tot korporaal in de luchtmacht. Streng, maar rechtvaardig als onderrichter. Later als drilofficier. Ik poetste mijn koper drie maal daags, dan verwachtte ik van de nieuwelingen hetzelfde. Een leuke tijd, als ik eraan terugdenk, met Herman De Croo en Patrick d’Udekem d’Acoz.

“Begin jaren zestig werd ik in Congo gedropt tijdens de rellen bij de onafhankelijkheid. In het toenmalige Albertville, aan de westoever van het Tanganyikameer. Daar heb ik serieus wat bibbergeld betaald. Als commandant van de luchthaven had ik de leiding over acht pelotons. Geen gemakkelijke klus. De blanke soldaten ken je wel, maar de zwarte? Die mentaliteit is zo verschillend. ’s Nachts moest ik niet alleen het vliegveld maar ook mijn eigen troepen controleren. Vijf maanden heb ik de landingsbanen met hand en tand verdedigd, in het uniform dat nu aan de wasdraad bengelt. En die slaapzak, nog zo’n verhaal. Daarvoor moeten we terug naar Bukavu, aan het Kivumeer. Ik zat daar quasi helemaal alleen en sliep noodgedwongen in een verlaten schooltje. Zonder water, zonder verwarming, zonder niets. Goddank had ik die slaapzak, een soldaat moet zijn plan trekken, hé. Later belandde ik gelukkig in een hotel met alleen wat bibbergeld op zak. Om toch maar te kunnen bikken ruilde ik mijn weinige centen voor eten. Verhalen dat ik heb man, verhalen!

Alles gespaard

“Het zou toch spijtig zijn als ik mijn militaire spullen nu ineens kwijt ben. Een slaapzak kan drogen, een uniform ook, maar een boek? Na de missie in Congo heb ik nog jarenlang les gegeven in het leger, aan de leerlingen van de luchtmacht. Ik kwam indertijd de deur niet uit zonder een netjes gestreken uniform. Mijn kepie moest ook goed zitten. Een militair in hart en nieren hé.

“Ik bid op mijn blote knieën dat ik alles kan recupereren. Mijn vrouw niet, die schrok zich een bult van de hoeveelheid legerspullen dat ik liggen had. ‘Gij kunt nog geen roeste nagel weggooien, klonk het altijd.’ Terecht, ik spaar alles en zéker dingen uit mijn militair verleden. De Velpe heeft dan wel een deel van mijn verleden weggespoeld, het positieve is dat we nu eens eindelijk grote kuis kunnen houden. Het is tijd om dingen weg te gooien, voorgoed.”

Dion Van bost

Leupegem, Ronseweg

‘Hadden mijn kippen maar zwemles gevolgd’

‘Ah, ge wilt miserie zien?”, vraagt een spierbundel, terwijl hij de riolering van een wijk in Leupegem vakkundig ontstopt. Sigaret tussen de tanden, handen in de zakken en blik op dedikke slang die langzaam in het rioolgat verdwijnt. “Hier zult ge niet te veel vinden. Drie millimeter of drie centimeter? Dat is het spreken niet waard hé vriend. Er is hier niemand iets kwijt, laat staan zijn trouwboek. En is dat wel zo, dan mag hij van geluk spreken. Die van mij ligt in de open haard.” Zijn collega-ontstopper barst in lachen uit en slikt bijna zijn pas gerolde sigaret in. “Ach manneke, ga ne keer naar de Ronseweg, hier wat verderop, dáár is er miserie.”

Het pad richting Ronseweg is bezaaid met slijk. De vuilniskar komt er niet om afval, het is een kleine jeep die zandzakjes ophaalt. De Ronseweg loopt parallel met de drukke N60 nabij Oudenaarde. Het water stak hier volgens de inwoners de straat over zonder te kijken en ging aan huis zonder te bellen. Net voor huisnummer 100 staat een uit de kluit gewassen container. De voorgevel van het huis oogt droog, intact, maar één blik in de tuin volstaat: een ravage. Alsof de eigenaar zijn ganse inboedel heeft buitengezet voor de grote lenteschoonmaak.

“Wa peisde? Niet slecht hé?”, lacht Dion, de gepensioneerde patron van de rijzige woonst. “Ik kan er al mee lachen, gelukkig maar.” De zestiger neemt ons mee naar de tuin, zonder het afval één blik te gunnen wijst hij naar zijn op het eerste zicht vooral zélfgebouwde kippenhok. “Spreekwoorden, die bestaan niet zomaar. De meeste komen uit de schipperswereld, de andere van het platteland. Wel, de boer die ooit zei ‘zo dom als een kieken’, dat moet een slimme mens geweest zijn.’ Dion Van Bost is er het hart van zijn. Drie kippen had hij - “zwart, wit en bruin” - maar ze hebben de plotse zondvloed niet overleefd. “Hadden mijn kippen maar zwemlessen gevolgd, dan zou mijn kleinzoon nu niet huilen.”

“Ik kan dat niet begrijpen, hoe dom die beesten zijn. Terwijl het water uit de tuin rechtstreeks in de garage liep zag ik ook het water stijgen in de kippenren. Die beesten stonden naar mij te kijken terwijl hun poten al diep in het water stonden. Ach, die kruipen straks wel in hun hok, hoog en droog. Dácht ik. Vergeet het, de kippen zijn versmoord. Dom zijn ze, oliedom. Te stoem om in een simpel hok te kruipen. Dat doet mij verdorie meer hartzeer dan een vastgelopen boormachine. Mijn vogels, die zijn veel slimmer. Achterin de garage kwam het water tot aan hun bovenste takje. Die hebben de overstroming overleefd. Hun eerste deuntjes, man man, die klonken héérlijk. Oef, ze leven nog, meer moest ik niet weten.”

Plechtige communie

De intussen droge garage van Dion is meer dan alleen de staanplaats van zijn auto, het is de materiële samenvatting van zijn leven. Een wasmachine, droogtrommel, paraplu, tuinstoel, werktafel, hamer, zaag, grasmaaier, speelgoed, oude transistor (“hij speelt nog!”), koersfiets en volière, de garage van de Oost-Vlaming oogt als een kringloopwinkel. “En daar, helemaal achteraan staat nog een auto. Ook verzopen.” Het raakt de man schijnbaar niet.

Materie is materie, maar de twee lange rijen ceremoniekostuums die er verdacht bruin uitzien zorgen voor een stilte. Dion zucht. Hij wrijft over het doorweekt textiel. “Veertig jaar lang was ik de trotse uitbater van een winkel met ceremoniekledij in Ronse. Van Bost, een naam als een klok, al zeg ik het zelf”, vertelt Dion, ondertussen zijn hoofd meermaals stotend aan het te lage plafond. “Wat moet ik daar nu mee doen? Voor de stomerij is het te laat. Honderden mensen heb ik in een pak gestoken voor hun huwelijk. Honderden mensen de miserie ingejaagd (lacht).”

“Hier, dit soort kostuums”, wijst hij naar enkele fotokaders die na de passage van het water niet langer zwart-wit maar sepia kleuren. “Foto’s van mijn plechtige communie, van mijn huwelijk, van mijn ouders, van mijn schoonfamilie, van alles en iedereen. Zelfs van nonkel pastoor, van in de tijd dat de pastoors nog braaf waren hé. Dat doet mij eraan denken. Is mijn trouwalbum eigenlijk nog intact?”

Financieel hoeft de costumier zich geen zorgen te maken. Hij kan tegen een duw. Zelfs de kosten van de ondergelopen auto deren Dion niet. Het zit hem in de kleine dingen. In de kippen, in de foto’s, in de kostuums. “Wie zijn portefeuille verliest, denkt toch ook niet aan dat verloren briefje van 100 euro? Nee, het gaat hem om dat kleine pasfotootje van de grootvader dat is verdwenen.”

Dion is een man van gradaties. De kunst van het relativeren is hem niet vreemd, zo bewijst de achterliggende reden van zijn kalmte: zijn vrouw. De materiële schade heeft hij kenbaar al weggespoeld, de nostalgie van sommige voorwerpen is blijven hangen, maar ook daarvan zal binnen enkele weken of maanden niks meer overblijven. “Mijn vrouw is heel ernstig ziek. De grootste zorg is niet het huis, maar mijn vrouw. Ze weet niet eens hoe onze kelder eruit ziet. Wandelen lukt niet meer. Ze takelt bijzonder snel af, zonder dat de dokter de precieze oorzaak kennen. Dáárvan krijg ik de tranen in de ogen. Wat ben je met een mooi huis, een dikke voiture en een vetbetaalde job als je vrouw ziek is? Niks, beste vriend, niks.”

Familie HOéppe

Sint-Pieters-Leeuw, Hellestraat

‘Het water kwam even hoog als ik’

W eeral pers in de streek rond Halle, weeral slecht nieuws. Lot herstelde maar moeizaam van de moord op agente Kitty Van Nieuwenhuysen, Buizingen is nog in volle therapie na de treinramp en nu hangen ook Lot, Beersel, Ruisbroek en Sint-Pieters-Leeuw in de touwen. Niet door een haperend stoplicht of een bende criminelen, maar door Moeder Natuur. Wie de sluis van Sint-Pieters-Leeuw op het kanaal Brussel-Charleroi passeert voelt de aarde onder zijn voeten wegzakken. Dwars door een open weide stroomt wat lijkt op een bijna uitgedroogde beek. Wat overblijft is groenblauw water dat zich een weg zoekt door natte aarde en steengruis. De realiteit is anders. Armdikke leidingen verraden de afkomst van het water. Hier is het dat het overstromende kanaal een diepe bres sloeg. Wie de leidingen volgt, mondt uit in de Hellestraat.

Voor het eerst sinds de overstromingen is de weg niet langer voorbehouden aan de eigenaars van lieslaarzen. Midden de straat staan twee aanpalende huizen en drie mensen, de Franstalige familie Hoéppe. Veel valt er niet te vragen aan het trio. Het antwoord staat op de muur, op een hoogte van 1,69 meter. Daar waar de bakstenen plots lichter worden van kleur.

“Niet te geloven hé”, fluistert moeder Chantal Bru. “Het water stond hier bijna zo hoog als ik groot ben.” Eén blik in het huis volstaat om de schade op te meten. Alles is kapot, doorweekt, weggespoeld. De woonkamer lijkt een stort. Ironisch genoeg hangen er miniatuurboten aan de muur. Zij hebben de vloed overleefd, wat niet kan gezegd worden van de aquariumvissen. “Die zwemmen nu ergens in het kanaal, denk ik”, vertelt vader Patrick Hoéppe met een zure glimlach. “De elektriciteit is afgesloten, verwarmen lukt niet meer, en, o ironie, we zitten zonder water. Ach, wat kan ik hier nu op zeggen? Dat onze straat haar naam alle eer heeft aangedaan.”

Het materiële verlies is enorm. Wat overblijft van het huis is een dak en vier muren. De Hoéppes zitten aan de grond, maar denken al aan de toekomst. “We gaan het huis heropbouwen”, vervolgt Chantal. “Er is geen alternatief. We kunnen niet eeuwig op hotel wonen hé.” Haar ogen schieten vol tranen als ze denkt aan wat verloren is. “Dit was niet zomaar materiaal. Een jaar geleden is mijn moeder gestorven. Om de haar herinnering levendig te houden heb ik al haar spullen een nieuwe plaats gegeven, hier, in de Hellestraat. Alles, van foto’s tot vazen en van potten tot pannen. Nu de volledige inboedel kapot is, verliezen wij ook een stukje herinnering. Dat is erger dan een verwarmingsketel die het begeeft.”

Duivel

Het gezin mag van geluk spreken met een zoon als Frédéric, een uit de kluiten gewassen twintiger die er het lachen niet bij is verleerd. “Wat denk je? Dat ik hier ga staan huilen? Die tijd is gepasseerd. Bon, we moeten terug van nul beginnen. De inboedel is weggespoeld, alle sentiment ook. Drie uur, en hop, alles was weg. We moeten hierdoor, met of zonder steun van de gemeente. Terwijl iedereen dit weekend per boot werd geëvacueerd moesten wij onze plan trekken. Het water stond tot aan onze borst bij het noodgedwongen vertrek. Te voet door het water, bijna zwemmend. Sommige sjarels klagen over tien centimeter water. Tien centimeter! Daar lach ik eigenlijk mee. Jammer hé voor die mensen dat hun stopcontacten niet meer werken, pfff. Zo’n overstromingen, dat raak je gewoon. Maar een golf van meer dan anderhalve meter? Neen, dat niet. Nu maar hopen dat de verzekeraar ons terug op weg helpt, maar helaas, die laat op zich wachten.” Net op dat ogenblik houdt een wagen halt aan de Hellestraat 11. “Als je van de duivel spreekt”, prevelt Frédéric. De verzekeringsexperte stapt uit en kijkt ongelovig naar de geelgrijze markering: “Mon dieu.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234