Vrijdag 07/05/2021

Manuscripten uit een vensternis

De gloed van belangeloze liefde: Boccaccio's biografie van Dante

Literatuurgeschiedenis is liefdesgeschiedenis. Dat valt soms op in uw wekelijkse portie boekbesprekingen in krant of magazine, maar verblindt in beschouwingen van schrijvers over andere schrijvers. Eén zin van Virginia Woolf over Jane Austen, één zin van Marina Tsvetaeva over Rainer Maria Rilke of Aleksandr Poesjkin, één zin van Joseph Brodsky over Anna Achmatova onthult zoveel inzicht en genegenheid dat het lijkt alsof er toch iets van volmaaktheid op deze wereld bestaat. Moeten we een onderscheid maken tussen aardse en geestelijke sferen? De gloed van belangeloze liefde straalt hevig uit Giovanni Boccaccio's levensbeschrijving van Dante.

Dante Alighieri (1265-1321) dichtte over het paradijs in de hemel; Boccaccio (1313-1375) bracht, nadenkend over zijn idool, iets paradijselijks in praktijk. Alleen het feit dat hij Dantes Nieuwe leven en Komedie verschillende keren eigenhandig overschreef, wijst op het gehalte van zijn verering. Bij die manuscripten voegde hij ter inleiding dertig hoofdstukjes Over de oorsprong, het leven, de studies en de gewoonten van de zeer beroemde Florentijn Dante Alighieri, doorluchtig dichter, en over de werken door hem gemaakt. Daarin noemde hij de Komedie voor het eerst goddelijk en werkte zodoende mee aan de titel van Dantes meesterstuk.

"Zoals wij zien gebeuren met strijdwapens die door het gebruik beginnen te glanzen, zo zal het ook zijn naam vergaan." Boccaccio had gelijk. Dantes naam is intussen een vredige ster aan de literaire hemel, maar kon anno 1359 heel goed gebruikt worden als een strijdwapen.

Francesco Petrarca, de andere grote Florentijn, wilde die naam niet eens noemen - in een brief aan zijn vriend Boccaccio had hij het enkel over "die medeburger van ons... een dichter die weliswaar in de volkstaal schrijft, maar die wat zijn stof betreft zonder enige twijfel niveau bezit". Of nog: "moet ik hem soms het applaus en de rauwe kreten van wolkaarders, kroegbazen, vechtersbazen en meer van dat soort figuren benijden, wier lofprijzingen gelijkstaan met beschimpingen?" Daar lag het kalf gebonden - een fatsoenlijke intellectueel kon de volkstaal wel eens gebruiken voor bagatellen als liefdesgedichtjes, maar het ernstige werk vereiste Latijn. De taal die men met de moedermelk inzoog, kon volgens Petrarca niet tippen aan de taal van leraars en grammaticale regels en klassieke voorbeelden. Dante zelf was enige tijd van plan geweest om de Komedie in het Latijn te schrijven, Boccaccio citeert de openingsverzen die daarvan bewaard bleven: "Ultima regna canam, fluido contermina mundo". Boccaccio's boekje getuigt niet alleen van liefde, het getuigt ook van eerlijkheid. Hij raakt de kern van deze twist wanneer hij verklaart: "Schrijvend in de volkstaal maakte Dante een uniek werk, waarbij hij de geletterden hun verfijnde inzicht niet ontzegde door hen de schoonheid van ons idioom te tonen en zijn uitmuntende kunstvaardigheid, maar waarbij hij ook genot en begrip schonk aan de ongeschoolden, die door iedereen in de steek gelaten werden." Dante was een literaire democraat - nog altijd een vrij ongewoon verschijnsel. Het mooiste verhaaltje dat Boccaccio over hem vertelt, bevestigt dat. Dante, meldt hij, had een streng gezicht, een donkere huid, zijn haren en baard waren dik, zwart en gekroesd. "Zo gebeurde het op een dag in Ravenna, toen de roem van zijn werk zich al overal verspreid had en vooral het deel van de Komedie dat hij de Hel noemde bekend was bij vele mannen en vrouwen, dat hij aan een deur voorbijging waar enkele vrouwen zaten. Een van dezen zei stil, maar toch zo dat ze door de andere vrouwen en door Dante goed verstaan werd: 'Zien jullie die man die naar de hel gaat en terugkeert wanneer hij wil en voor ons berichten meebrengt van de mensen die daar beneden zijn?' Waarop een andere eenvoudig antwoordde: 'Het moet wel kloppen wat je zegt; zie je niet hoe zijn baard gekroesd en zijn kleur donker is door de hitte en de rook daar beneden?' Dante ving deze achter zijn rug uitgesproken woorden op en vond er plezier in, wetend dat ze ontsproten waren aan de goedgelovigheid van vrouwen; bijna blij omdat zij er deze mening over hem op na hielden, glimlachte hij een beetje en wandelde verder."

Dantes naam was ook een strijdwapen voor Boccaccio zelf. Keer op keer verwijt hij de Florentijnen in krasse bewoordingen dat ze deze grote dichter tijdens een politieke machtswisseling uit hun stad verjaagd hebben, zijn bezittingen geroofd, zijn huis geplunderd; en dat hij dertig, veertig jaar na zijn dood bij hen nog altijd niet in ere hersteld is. "Wie daarentegen wel opgehemeld wordt, ik meen dat het fatsoenlijk is daarover te zwijgen." Pas in 1373 vroeg men Boccaccio om een jaar lang lezingen over de banneling en zijn Komedie te geven in Florence; maar de situatie in de stad was zo onrustig en hij kreeg zoveel kritiek van de plaatselijke machthebbers, dat hij er na een paar maanden van afzag. In een goede staat, zo begon hij Dantes levensbeschrijving al, worden misdrijven gestraft en verdiensten beloond; en wat is de Komedie anders dan een prachtig, rijk geschakeerd verhaal over de bestraffing van misdrijven en de beloning van verdiensten in hel, vagevuur en hemel? Het bleef gevaarlijk om dergelijke dingen in de volkstaal uiteen te zetten in een republiek waar maar een paar misdrijven gestraft en een paar verdiensten beloond werden en waar dikwijls ook het omgekeerde gebeurde. In die zin was de Goddelijke Komedie een opruiend, satirisch boek, vol verwijzingen naar bekende mensen en toestanden.

Hij had geen enkele andere naam dan Dante met waardigheid kunnen dragen." Dit zinnetje bezorgde mij een schok - Boccaccio beschouwde de naam niet alleen als een afkorting voor Durante, de standvastige, maar vertaalde hem letterlijk als "de gever". De gever schonk aanzien en waardigheid aan zijn geboortestad, hij verleende zijn moedertaal een blijvende allure, hij schonk genot en inzicht in zijn grote gedicht, waarin de aandachtige lezer voortdurend nieuwe rijkdommen kon ontdekken - of, zoals Boccaccio het geniaal verwoordde: "Daarom lijkt de poëzie op een stroom die tegelijk vlak en diep is, waar het kleine lam door waadt, en waar de grote olifant breeduit in zwemt." Boccaccio stelde deze onuitputtelijke vorm van geven tegenover de zaken die gewoonlijk hoog aangeslagen worden in de wereld. "Zoveel welgevalliger zijn deze boeken aan God en de mensen dan het bedrog, de knevelarijen, de diefstallen en het verraad waar de meesten vandaag hun toevlucht toe nemen, verschillende wegen tot hetzelfde doel, namelijk rijk worden, alsof deze elk goed, elke eer, elke zaligheid vertegenwoordigen."

Boccaccio vervlecht een hele theorie van de dichtkunst in zijn betoog over Dante. Dichtkunst zou in de oertijd ontstaan zijn toen mensen de goden op gepaste wijze wilden loven en vermurwen; die hogere machten gebruikten hetzelfde middel wanneer ze zich richtten tot de mensen - "de theologie is de dichtkunst van God." En nog altijd maakt God van dichters gebruik wanneer hij de volkeren iets wil meedelen. Het kan geen toeval heten dat Dantes moeder voor de bevalling droomde dat ze een kind baarde onder een laurier en dat het kind veranderde in een herder; het is geen toeval dat Dantes zoon Jacopo zijn overleden vader in een droom aan zich zag verschijnen, "gekleed in zeer witte gewaden en een ongewoon licht stralend op zijn gelaat". De geest van Dante wees Jacopo toen de bergplaats van de laatste zangen van het Paradijs, waarvan iedereen dacht dat hij ze niet had kunnen voltooien - de beschimmelende manuscripten konden, aldus Boccaccio, nog net leesbaar uit een verborgen vensternis gehaald worden. Tweehonderd jaar later zou de Florentijnse kunsthistoricus Giorgio Vasari een soortgelijke gedachtegang ontwikkelen om de goddelijke aard van Michelangelo's kunst te staven.

Het eerbetoon dat Florence niet op grootse wijze aan Dante heeft willen schenken, zal ik met mijn beperkte vermogens, in een nederige en lichte stijl, proberen te bewijzen, belooft Boccaccio aan het begin van zijn verhaal; en met diezelfde ontroerende bescheidenheid beschrijft hij in het dertigste hoofdstuk hoe zijn bootje over een kalme zee de haven van zijn doelstelling binnenvaart. Wij, die op de kade staan, kunnen achter de stuurman Dante Alighieri zien zitten.

Giovanni Boccaccio (bezorgd door Bruno Cagli), Vita di Dante. Redazione estesa, note esplicative, redazione breviore, (I classici per tutti), Avanzini e Torraca Editori, Rome, 1965. Uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Dantes geboorte. Antiquariaat Procopius, Naamsestraat 63, Leuven, 150 frank, niet in voorraad (wel andere boeken van en over Dante). De geciteerde brief van Petrarca vindt men in Francesco Petrarca, Brieven, vertaald door Frans van Dooren, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1998.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234