Maandag 29/11/2021

Mannen maken plannen

Haar boeken hebben alles waarvoor, bijvoorbeeld, ook Peter Høegs werk zoveel lof oogst: een goed geschreven en spannend gecomponeerd, een tikje buitenissig verhaal, dat ook nog eens, in tegenstelling tot het gemiddelde mislukte-liefdes- of winderige Hey! this is the fuckin' nineties-romannetje, ergens over gaat. Zet Leena Lander, ondertussen in vijftien talen vertaald, de Finse literatuur ook bij ons eindelijk op de kaart?

door Herman Jacobs

Leena Lander

uit het Fins vertaald door Marja-Leena Hellings, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 262 p., 690 frank.

Wie Finse literatuur zegt, die zegt, eh (stilte). Je kunt de doorsnee boekenliefhebber al net zo goed naar de literatuur van de Wolof of de Oejgoeren vragen - uit de Finstalige letteren wordt dan ook nauwelijks meer vertaald dan uit die exotische culturen. De afgelopen jaren had je, om een bij benadering complete opsomming te geven, het zéér aardige Haas van Arto Paasilinna en Aquariumliefde van Anna-Leena Härkönen, beide ondertussen alweer lang naar De Slegte afgevoerd. En af en toe wordt er, God zegen' de greep, weer eens een herdruk van een van Mika Waltari's historische romans op de markt gegooid. Als er in een jaar toevallig eens twee Finse romans in het Nederlands verschijnen, kun je al van een hausse gewagen.

Onbekend maakt onbemind - ook in dit geval ten onrechte. Maar misschien kan de 44-jarige Leena Lander dezelfde voortrekkersrol in het buitenland spelen als Cees Nooteboom en ook wel Harry Mulisch aan het begin van dit decennium hebben gedaan voor de Nederlandstalige literatuur. Behalve dat Lander er - in deze tijden van het Beeld een wellicht niet geheel misplaatste opmerking - een stuk beter uitziet dan haar net genoemde Nederlandse collega's, wordt die hoop gerechtvaardigd door de kwaliteit van haar tot nu toe in het Nederlands verschenen romans: Laat de storm komen (1998), in 1997 genomineerd voor de Europese Aristeionprijs, en het recent verschenen Het huis van de zwarte vlinders.

Die laatste vertelt het levensverhaal van Juhani Johansson. Als kind door het gerecht aan het gezag van zijn ouders onttrokken, komt hij begin jaren zestig terecht in een opvoedingsgesticht voor jongens op een van de vele eilanden voor de Finse kust. Daar heerst "heer Zebaoth", zoals de directeur Harjula zichzelf weleens omschrijft, de 'Heer der hemelse machten' uit de kerkelijke liturgie.

De rationalist Harjula is een mens van goede wil: hij streeft ernaar zijn pupillen een solide basis te verschaffen waarop ze kunnen bouwen om later met voldoende zelfvertrouwen in de maatschappij terug te keren. Daarbij zweert hij bij een zeer streng maar rechtvaardig regime en een Spartaanse levensstijl met veel harde lichamelijke arbeid.

Hij is een man met een plan, en daarvoor moet alles wijken, ook de goede verstandhouding met zijn vrouw en hun vijf dochters. Bovendien is hij niet afkerig van pionierswerk, zowel letterlijk als in didactisch opzicht: hij laat zich het idee aanpraten zijderupsen te gaan kweken op 'zijn' eiland. Zijderupsen in Finland? Jawel: "Hij wil dat de jongens leren dat het onmogelijke mogelijke wordt, als je je maar voor iets inzet en erin gelooft." Aanvankelijk lijkt de excentrieke onderneming inderdaad ook te slagen. Maar ten slotte zal Harjula's droom der rede monsters voort blijken te brengen; er valt een dode, waarna het afgelopen is met zijn carrière.

Decennia later is Juhani Johansson opgeklommen tot de op één na hoogste functie in de machtige 'Bouwfirma', zoals ze in het boek generiek genoemd wordt. Maar heel het verleden komt als een boemerang terug als hij zich, onder druk van zijn directeur, genoodzaakt ziet zijn intussen verbitterde en paranoïde geworden vroegere mentor (en huidige schoonvader) nog eenmaal op te zoeken. Harjula voert namelijk al jaren een privé-guerilla tegen de 'vergiftiging' van het milieu, volgens hem de enige oorzaak van het echec van zijn rupsenproject destijds - iets waar hij ten dele gelijk in heeft. Hij is erin geslaagd daarbij feiten in het nieuws te krijgen die de p.r. van de Bouwfirma lelijk schaden: massale vissterfte wegens afvallozingen, dat valt bij het zeer milieubewuste Finse publiek bepaald niet goed. Johansson moet de oude man 'tot rede' zien te brengen, maar zijn bezoek pakt heel anders uit. Harjula bezorgt hem documenten uit de nalatenschap van zijn nog tijdens zijn instellingstijd in Italië verongelukte ouders - Juhani zelf was het bestaan ervan al lang vergeten - die hem (en de lezer) tot een bitter inzicht brengen in wat er in zijn kindertijd nu precies aan de hand is geweest met zijn ouders.

Voor wie geen soapdosissen sentiment nodig heeft om nog emotioneel aangesproken te worden krijgt dit erg mooie boek zo een aangrijpend slot, waarin Lander tegelijk toch nog een zeker optimisme heeft weten binnen te smokkelen. Wat getuigt van het inzicht dat je voor je literaire standing tragiek niet per se tot doffe hopeloosheid hoeft aan te dikken.

Volgens de binnenflap is het verhaal "voor een belangrijk deel op autobiografische gegevens gebaseerd". De sfeer in de instelling wordt inderdaad zeer trefzeker en overtuigend opgeroepen. Hoe belangrijk is dat "belangrijke deel"?

Leena Lander: "Wel, de eerste tien jaar van mijn leven heb ik in hetzelfde huis gewoond als zestig jongens, zestig grote broers met een strafblad."

Grote broers? Als ik uw boek goed gelezen heb, betwijfel ik of -

"- ja, nee, klopt, ik zou ze toen geen broers genoemd hebben. Maar ik groeide echt wel samen met ze op, als dochter van de hoofdbewaker. Het was niet zo dat ik en mijn zusje niet met ze mochten omgaan, zij waren trouwens heel aardig voor ons, we kregen weleens cadeautjes van ze, houten speelgoed dat ze zelf gemaakt hadden en zo. Maar wel altijd met ons kindermeisje erbij, dat wel, echt privé-ontmoetingen met de jongens mochten we niet hebben.

"In de zomer verhuisden we naar een van de eilanden, in de winter zaten we op het vasteland, aan de zuidoostkust, nabij Turku. Het gesticht daar bestaat trouwens nog steeds, alleen zitten er nu ook meisjes. Het is erg geïsoleerd gelegen, niemand kon het terrein betreden en de jongens mochten nooit uit, de regels waren erg streng - we hebben het nu over eind jaren vijftig. Het was in feite een soort gevangenis, ja. Gelukkig was de omgeving erg mooi."

Dit boek roept herinneringen op aan het werk van Peter Høeg.

"Ja - maar ik heb het wel geschreven voor Høeg zijn Grensgevallen publiceerde, over die drie kinderen in dat vreselijke internaat. Bij ons werd hij toen met mij vergeleken - er werd zelfs even gefluisterd over plagiaat, tot bleek dat hij inderdaad als wees is opgegroeid in zo'n soort instelling.

"Maar uiteraard zijn er overeenkomsten. Zoals ik zei, ik ben opgegroeid op een zeer geïsoleerde plek, ik kon niet uitgaan, en later, toen dat wel kon, wilden de andere kinderen niet met mij spelen - ik was dat meisje van dat enge gesticht. Ik was even eenzaam als de jongens die er zaten. Eenzamer zelfs, want ik hoorde nergens bij, niet bij de buitenwereld, en in feite ook niet bij hen. Ik had heel sterk het gevoel in ieder opzicht een buitenstaander te zijn. Net zoals Peter Høeg.

"Ik denk dat onze ervaringen als kind trouwens verklaren waarom wij schrijver zijn geworden. Omdat de mogelijkheden tot amusement erg schaars waren, televisie of dat soort dingen hadden we niet, en mijn ouders het erg druk hadden met de instelling, moesten ik en mijn zusje onszelf maar zien te vermaken. We moesten leren omgaan met grote eenzaamheid. Dus begonnen we verhalen te verzinnen. Daarbij werden we erg geholpen door een nabijgelegen begraafplaats, die honderden jaren oud was, met prachtige grafstenen en kruisen. Ons kindermeisje nam ons daar weleens mee naar toe, en vertelde ons dan over sommige mensen die er begraven lagen, verklaarde opschriften voor ons, en zo begonnen wij verhalen over hen te bedenken, droevige natuurlijk, à la Emily Brontë, of spookverhalen. Het was een vorm van escapisme, waar we soms veel plezier mee hadden.

"Later ontdekte ik dat ik ook andere mensen kon beïnvloeden door verhalen te vertellen. Zo word je dus schrijver. Ik zeg altijd, je kunt geen schrijver zijn als je niet een, niet per se ongelukkige, maar in elk geval vreemde, ongebruikelijke kindertijd hebt gehad. Schrijver zijn is niet alleen een kwestie van literair talent en van heilig moeten, maar ook van dat vermogen alleen te kunnen zijn. Je moet er tegen kunnen een jaar in je privé-cel te zitten, voor die computer, met als enige gezelschap personages die je zelf bedacht hebt. Dan helpt het als je als kind al de gewoonte had je in je eentje bezig te houden. Dat zie je ook bij Høeg, in de instelling waar hij zat deed hij niets anders dan tijd doden, tijd, tijd, tijd."

Escapisme, zei u. Dat geldt dan toch niet voor dit boek.

"Ook al verzin en vertel je ze om aan de dagelijkse werkelijkheid te ontsnappen, tegelijk breng je in verhalen onvermijdelijk tot uitdrukking hoe je je tot die werkelijkheid verhoudt. Voor ons als kleine meisjes was het bijvoorbeeld moeilijk te begrijpen waarom die aardige en knappe jongens zich 's nachts zo vreemd gedroegen. We hoorden ze dan huilen en om hun moeder roepen. We zagen ook dat ze soms streng gestraft werden. En later hoorden we wat voor misdaden ze hadden bedreven, dat er verkrachters tussen zaten, moordenaars. Dat was voor ons erg moeilijk te verenigen met het alledaagse beeld dat wij van hen hadden, ze zagen er helemaal niet naar uit. Al heb ik weleens gezien hoe een groepje groteren een kleinere jongen martelde. Je ging je dus afvragen hoe die jongens nu wérkelijk waren. Hoe jongens überhaupt waren. De verhalen die ik toen voor mijn zusje verzon waren pogingen om vat te krijgen op wat er om ons heen gebeurde.

"Ik geloof dat ik in mijn romans in wezen hetzelfde doe. Natuurlijk verander je dingen, je verplaatst en vervormt, De zomer van de zwarte vlinders is zeker geen puur autobiografische roman. Neem die zijderupsen, dat heb ik verzonnen. In werkelijkheid was er iets anders, even krankzinnig, maar anders. Hebben me nog veel studie en research gekost, die rupsen."

Waarom al die moeite?

"Ik wilde dat specifieke element uit de toenmalige werkelijkheid niet gebruiken omdat ik niemand wilde kwetsen die me dierbaar is. Bovendien vind ik dat niet interessant, klakkeloos alles uit je eigen leven gebruiken in een roman, dan is de uitdaging van het schrijven voor mij weg.

"Op die rupsen kwam ik door een klein oud boekje waar ik in een tweedehands boekwinkel op stuitte en dat een pleidooi was voor de zijderupsenteelt in ons barre Noord-Europa. De eigenzinnigheid daarvan sprak me aan. Natuurlijk zou je denken dat Finland veel te koud is voor de moerbei, waar de zijderups van leeft - maar Finland is zogenaamd ook te koud voor druiven, en toch groeien voor mijn huis, in een kustdorpje onder de rook van Turku, druiven, van wijnstokken die daar al tachtig jaar staan. Enig onderzoek heeft me toen geleerd dat de moerbei inderdaad kan gedijen in Finland, niet eens in een serre - de eerste bomen zijn al in de achttiende eeuw ingevoerd.

"Dat was precies het soort gegeven dat ik nodig had voor mijn boek: iets onwaarschijnlijks, krankzinnig op het eerste gezicht, maar toch mogelijk. En je kunt het ook metaforisch gebruiken - niet dat het zo'n vreselijk originele metafoor is, de rups en de vlinder, maar goed. Je kunt aan vlinders ook heel snel zien of er wat mis is met het milieu, dan gaan ze muteren, ze veranderen van kleur - hier blijken de rupsen zich niet, zoals ze normaal gesproken doen, als witte, maar als zwarte vlinders te ontpoppen. Ook dat paste erg goed bij het verhaal dat ik wilde vertellen."

Er is nog een vierde, ook weer metaforisch aspect aan: wie zijde wil winnen moet de zijderupsen doden in hun cocon.

"Precies. Dat is inderdaad cruciaal. Daarom wordt mevrouw Harjula ook zo kwaad op haar man als hij haar zijn plan ontvouwt. Zij heeft, na jaren van volgehouden inspanningen, overal op het dorre eiland prachtige aanplantingen doen verrijzen - en hij wil iets beginnen dat in essentie bestaat in het doden van leven."

De vrouw als hoedster van het leven. Niet gering als cliché.

"Clichés hebben vaak een grond van waarheid. Maar als u aanstuurt op dat soort domme tweedeling van 'vrouwen goed/mannen slecht', die vind je toch niet in het boek? Neem de gruwelijke dingen die Juhani's moeder met diens kleine broertje Sauli doet. En neem Tyyne, de veehoedster van de instelling. Zij wil absoluut voor een ander zorgen, ze lijdt er ook onder dat ze zo niemand in haar leven heeft, maar tegelijk is ze een hardvochtige kwezel, die op het eiland niets dan zonde, zonde en nog eens zonde ontwaart."

Harjula heeft vijf dochters. Ironisch genoeg, want hij begrijpt niets van vrouwen: 'Met vrouwen kun je niet praten. Die zijn nou eenmaal zo. Gaan op hun gevoel af. Onzakelijk. Leggen geheime betekenissen in dingen die voor mannen klip en klaar zijn.' En klip en klaar is voor hem dat alleen zijn rationele aanpak zijn pupillen voor het definitieve verderf kan behoeden.

"Hij is een beetje een fantast - net zoals Juhani's vader. Hij leeft in een geplande wereld, en hij wil per se zijn gelijk halen. Dat lijkt me een typisch mannelijke obsessie. Hij wil iets bijzonders zijn, de beste instellingsdirecteur van het land, door iedereen gerespecteerd. Vrouwen hebben minder last van die drang iets te willen zijn dat ze niet zijn.

"Tegelijk is hij in zekere zin een held. Hij probeert de wereld beter te maken. En hij is er werkelijk van overtuigd dat hij de jongens die hem zijn toevertrouwd kan helpen. Maar hij mislukt, ten dele althans, omdat hij denkt dat alles onder controle is zolang hij een rationele weg volgt, of wat hij dan voor een rationele weg houdt. Emoties tellen daarin niet mee, en seksualiteit al helemaal niet. Maar die baant zich toch een uitweg, desnoods met geweld, zoals je bij de jongens ziet. En bij zijn vrouw, die bij een van hen gaat zoeken wat hij haar niet wil geven.

"Wat je vaak ziet: als iemand probeert zijn fouten te herstellen en het goede na te streven, dat hij dan juist nog veel ergere dingen bewerkstelligt. Dat is ook hier het geval - Harjula heeft een natuurlijke zoon, naar wie hij nooit heeft omgekeken. Vandaar zijn fanatisme, uit schuldgevoel, om dan meteen maar voor alle jongens op zijn eiland een perfecte vader te willen zijn. Dat gaat natuurlijk mis.

"Maar het is ook een overlevingsverhaal", besluit Lander, "en daarom probeer ik aan het eind toch nog een beetje licht aan het einde van de tunnel te laten schijnen." Vrolijk lachend: "In het sombere Scandinavië wordt het in ieder geval als een regelrechte happy ending beschouwd."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234