Woensdag 18/09/2019

Man zijn, wat betekent dat nu precies?

ROMAN. In zijn oeuvre, zo ook in het pas vertaalde Een goede school (1978), gaat de Amerikaanse schrijver Richard Yates op zoek naar de menselijke identiteit.

Richard Yates (1926-1992) wil duidelijk geen enkele twijfel laten bestaan over het autobiografische gehalte van zijn roman en trapt zijn boek op gang met een voorwoord waarin hij het rechttoe rechtaan over zijn ouders heeft, die scheidden toen hij nog een kind was.

Meer bepaald was het zijn moeder, een licht hysterische of in elk geval toch vermoeiend uitbundige beeldhouwster - zie onder meer ook Pookie in Paasparade (1976) en Alice Prentice in Een speciaal soort voorzienigheid (1969) - die hem op kosten van zijn plichtmatig hardwerkende vader op vijftienjarige leeftijd in de vierde klas deed belanden van Dorset Academy, de 'goede school' uit de titel en, zoals Yates het formuleert, 'een internaat dat ontworpen had kunnen zijn in de studio's van Walt Disney'.

Homoseksuele ondertoon

Na het voorwoord laat Yates de ik-vorm varen en schakelt hij over naar de derde persoon, wat hem vanaf het eerste hoofdstuk in staat stelt om in zijn typisch minutieuze en wonderlijk beeldende stijl verslag uit te brengen van wat er zich achter de muren van het dure internaat en daarnaast ook in de hoofden van degenen - zowel leraars als leerlingen - die het bevolken zoal afspeelt.

Wat de leraren betreft, kunnen we kort zijn. De ene is de officiële ordehandhaver van de school en een latente homoseksueel ('Wat hád dat jong toch?'), een andere, de scheikundeleraar, is half verlamd door polio en moet lijdzaam toezien hoe zijn vrouw meermaals per week de benen spreidt voor zijn collega Frans. Allen hebben met elkaar gemeen dat ze steevast behoefte hebben aan een borrel, en daarna aan een volgende, en dat de liefde voor hun vak nu niet bepaald het wezenskenmerk van hun persoonlijkheid lijkt te zijn.

Toch zijn het de leerlingen die het grootste deel van de aandacht wegdragen, en Yates leeft zich van harte en met indrukwekkend psychologisch meesterschap uit in subtiele beschrijvingen van de onzekerheden en de bijbehorende argwaan en bezitsdrang die zo'n belangrijk deel van pubervriendschap vormen, zeker wanneer - opnieuw - een homoseksuele ondertoon nooit erg ver weg is.

Yates' alter ego, bijvoorbeeld, William Grove genaamd, wordt niet alleen voortdurend gepest en buitengesloten, maar op een bepaald moment ook door een groepje jongens uitgekleed en op een weinig Walt Disneyachtige wijze seksueel gemolesteerd: 'nog uren nadien lag hij zich, alleen in het donker, af te vragen hoe hij de rest van zijn leven moest doorkomen'.

Een en ander sluit natuurlijk naadloos aan bij wat door lezers die het geluk hebben vertrouwd te zijn met Yates' andere boeken als een vast en zeer belangrijk thema in zijn werk zal bekendstaan: de vraag wat mannelijke identiteit nu juist inhoudt, en vooral ook hoe zij kan worden verworven.

Ligt mannelijkheid bijvoorbeeld besloten in de dikte van de aders op je hand? De scène waarin Grove door het afsnijden van zijn bloedstroom zijn pols en hand laat zwellen ('Er verschenen dikke bloedvaten (...) en hoe langer hij ernaar staarde hoe beter hij zich voelde. Dit was de hand van een man') doet in elk geval onmiddellijk denken aan het behagen dat Frank Wheeler in Yates' debuutroman Revolutionary Road (1961) schept in het zicht van 'zijn mannenonderarm met dikke aderen (...) en in zijn vuile mannenhand die daar hing' wanneer hij na een ruzie met zijn vrouw aan het werk is in de tuin.

Ook sigaretten maken de man. Het opmerkelijke eraan, immers, is 'dat ze jaren toevoegden aan een gezicht dat altijd weerloos jonger had geleken dan zijn leeftijd'. En dan zijn er vanzelfsprekend nog de secundaire geslachtskenmerken, of het ontbreken daarvan ('Noem je dat haar? Jezus, dat kun je eraf végen'). Zo zien we Grove op een bepaald moment op weg naar de gezamenlijke douche 'het rituele rukje aan het uiteinde van zijn lul' geven 'om hem dieper te laten hangen'.

Overigens vormt de moeilijkheid of zelfs het niet-bestaan van een wezensechte identiteit niet uitsluitend een probleem voor opgroeiende of nooit echt volwassen geworden mannen, maar lijkt zij inherent aan het leven te zijn. De menselijke identiteit bestaat bij Yates hooguit uit onbeholpenheid en zwakte, en verder uit wat heel bewust aan Hollywoodfilms ontleend is.

In spiegels zien zijn personages nooit zichzelf, maar louter degene van wie zij vermoeden - of hopen, wanneer ze zorgvuldig poseren in genadig licht - dat de andere die ziet. Iedereen hult zich in schone schijn, iedereen is belachelijk, en elke vorm van authenticiteit berust op illusie. Een van de weinige lichtpunten in Groves bestaan is bijvoorbeeld de ontdekking van zijn 'zonderlinge nieuwe gave (...) om zichzelf van minstens zes meter afstand, als door een filmcamera, in zijn geheel van buitenaf te zien'.

Het plannen van lange, verre reizen of zelfs een definitieve verhuizing naar het andere eind van de wereld is een andere constante in het oeuvre van Richard Yates - de Wheelers laven zich in Revolutionary Road een half boek lang aan het vooruitzicht een gloednieuw bestaan in Frankrijk op te bouwen - en komt in Een goede school aan de orde in de persoon van ene Pierre Van Loon ('Het punt is dat ik altijd verder zou trekken, begrijp je wel; altijd verder trekken'), al toont die zich op andere vlakken toch ook weer veelzeggend honkvast: vaak kan hij worden aangetroffen 'met zijn broek om zijn enkels in een van de toilethokjes, waar hij veel langer dan nodig en totaal verdiept in een stripboek in de stank van zijn eigen ontlasting zat'.

Dromen, lullen en pochen

Net als in ander werk van Yates blijft het inderdaad veelal bij hardop dromen, lullen en pochen, en de enige echte reis die in Een goede school daadwerkelijk wordt ondernomen, is naar het einde van het boek toe die naar de oorlog in Europa - het jaar is 1944, en in zijn nawoord lijst Yates de lotgevallen op van een aantal personages die in het echte leven in de strijd zijn omgekomen.

Op die manier, wederom gebruikmakend, hier, van de ik-vorm, benadrukt hij eens te meer hoezeer de eigenlijke roman een vertelling is die wel degelijk één-op-één samenvalt met de realiteit, en presenteert hij het verhaal dat hij, conform het motto van Fitzgerald dat het boek voorafgaat, verteld heeft aan de lezer 'vlak bij de rand van de afgrond', onwillekeurig en met terugwerkende kracht als een onthutsende en zeer ontroerende triomf. Tussen voor- en nawoord, namelijk, zit tweehonderd pagina's proza dat baadt in het stralende, bijtende licht van de wanhoop die tot grootse kunst is bedwongen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234