Maandag 06/02/2023

Mali, kroonjuweel van West-Afrika

West-Afrika heeft me met het echte Afrika geconfronteerd: droogte, weinig eten, lange busritten, veel onderhandelen en kinderen die in elke westerling Sinterklaas zien. In ruil daarvoor kreeg ik waanzinnig mooie landschappen, magie, humor, vriendelijke gezichten, een indrukwekkende cultuur en gastvrijheid. Het juiste evenwicht vinden is de truc.

tekst en foto's Myriam Thys

Ettogoïdie? Nettogo Myriam!," antwoord ik trots in een van de belangrijkste talen van Mali. Bij een prachtige zonsondergang op de oever van de rivier in Segu krijg ik les in de Bambara-taal van een gehandicapt jongetje, amper acht jaar oud, maar al een volleerde Don Juan. Hij knipoogt naar me met de verleidingsinstincten van een man van vier keer zijn leeftijd. Vooraan op zijn vernuftig gefabriceerd fietsje, dat hij met zijn handen voortbeweegt, heeft hij een vogeltje vastgebonden dat hij af en toe een schop geeft. Het leeft nog. Hij nodigt me uit om iets te komen eten bij zijn familie, maar vermoedend dat het onfortuinlijke vogeltje het hoofdbestanddeel van de maaltijd wordt, bedank ik daar vriendelijk voor.

Geklap, gegil, tamtams die al van op grote afstand te horen zijn... ik ga helemaal uit de bol op een onverwacht dolofeest in Oud-Segu. Een ommuurd stukje grond gonst van de activiteit. Het blijkt het feestterrein van een volkomen beschonken menigte. Dolo, een zelfgebrouwen bier, is de grote boosdoener. Ik herken de weeë, zure geur die me onmiddellijk misselijk maakt wegens een eerdere minder leuke ervaring. Ik weiger een volle kalebas van het grijze spul dat uit een vies teiltje wordt geschept, de sfeer maakt me al dronken genoeg. Twee tamtams en de schrille stemmen van een paar vrouwen zijn de oorzaak van al dit dansgeweld, stilstaan is compleet onmogelijk. De vrouwen bepalen met hun gezang het ritme en zetten bovendien de mannen en vooral ook mij en mijn drie vrienden aan tot soloperformances. Ik zie geen gezichten, alleen een aantal rijen witte tanden die af en toe opgelicht worden door de vuurtjes die onder de grote potten dolo worden opgestookt. Een zaklamp wordt gebruikt als volgspot. Mijn pasverworven 'kennis' van het Bambara zorgt voor heel wat opwinding.

Onderhandelen over prijzen in dit deel van Afrika vraagt veel ervaring en vooral veel humor. Een taxichauffeur wil meer geld voor ons nachtelijk tochtje. Veel lachen, schouderklopjes en gediscussieer later zijn we de dikste vrienden en doet hij het voor de afgesproken prijs. Humor is het beste wapen!

In het hele stadje is inmiddels de elektriciteit uitgevallen en de hoogzwangere sterrenhemel die nu nóg intenser lijkt vergoedt ruimschoots de aan gemarchandeer verloren tijd. De geuren schijnen op dit nachtelijke uur nog indringender dan overdag: rotte groenten, fruit, verbrand hout en resten op uitgedoofde straatbarbecues vormen een soort geurkakofonie waar ik vreemd genoeg erg van geniet. Ik voel me meteen thuis in dit stadje van de 4444 malasanbomen.

Mopti heeft een magische bijklank voor me en de eerste aanblik van de stad beantwoordt volledig aan mijn verwachtingen. Het meer baadt in een dieprode gloed, de typische moskee wordt weerspiegeld in het water, op de achtergrond lonkt het oude centrum. De klanken van de stad worden gefilterd door de gele zandlaag die alles in een mysterieuze mist hult. De harmatanwind (een droge zandwind) zorgt ervoor dat mijn keel al een week lang aanvoelt als de binnenkant van een stofzuiger, dat ik mijn wimpers hoor knarsen en dat ik een onverzadigbare dorst heb. De rivier is dus een goede uitweg. In een met riet overdekte prauw vaar ik de Bani en de Niger af op zoek naar het dagelijkse leven langs de oevers van deze twee belangrijke stromen die zich in de schoot van Mopti vermengen. We glijden geluidloos over het water dat zich als een spiegel voor ons uitstrekt. Het hele Malinese leven speelt zich af op de oevers: baden, vissen, wassen, plassen, de rivier is als een soort levensader die heel veel geeft, en die hiervoor in deze landen stank voor dank krijgt, in de vorm van heel wat viezigheid die er in wordt gekieperd. "L'eau c'est la vie, " zegt de prauwbestuurder me en ik weet dat hij gelijk heeft. We leggen aan in een klein dorpje dat bestaat uit één heel grote familie. Er worden stoelen uit de lemen hutten naar buiten gesleept en iedereen staart ons uiterst geïnteresseerd aan. Een dikke man luistert naar een klein beige radiootje op zijn schouder alsof het om een enorme gettoblaster gaat. De chef van dit minuscule dorpje zit in een kraaknette witte doktersjas zijn visnet te repareren. Een vrouw stampt gierst, met haar baby op de rug. Het kind schokt heen en weer alsof het op een rollercoaster zit en vindt het nog leuk ook.

Mali is niet rijk, maar de Malinese cultuur is het des te meer. De architectuur is van een verbazingwekkende simpelheid die zoals alle eenvoud van een pure schoonheid is. Bijna het hele land bestaat uit leembouwsels. Na het regenseizoen worden noodgedwongen nieuwe modderlagen aangebracht, een werk waar de hele gemeenschap aan meedoet. De moskeeën zijn heel herkenbaar, de afgeronde, vrouwelijke vormen zijn uniek en uit de okergele torens steken houten balken die als een soort ladder naar de top leiden en het mogelijk maken de broze struisvogeleieren op de torens te plaatsen. Die houden de slechte geesten op afstand. Umar le magnifique, een jongetje van een jaar of tien, wil me rondleiden in het oude Mopti maar die taak wordt al door Djingé waargenomen, een uiterst gemotiveerde gids afkomstig uit de Dogon die voor onze reisorganisatie, Ashraf, werkt. Aan de haven komt een sterke visgeur ons tegemoet: stapels gedroogde vissen vormen één groot geheel met een enorme niet aflatende zwerm vliegen. Een bijzonder kleurrijke chaos is de afdeling tweedehandskleren, onze hulp aan de derde wereld. Zij noemen deze westerse afdankertjes yuggu yuggu, wat zoveel betekent als 'un homme blanc est mort'. Het is immers ondenkbaar dat je tijdens je leven kleren weggeeft.

Met een typische pinasse varen we naar Djenné. De tocht doet me denken aan een van mijn feloektochtjes op de Nijl, met dat verschil dat hier geen cruiseschepen met horden luidruchtige toeristen voorbijvaren. Er wordt gekookt en gegeten aan boord. De rivier staat laag, we lopen regelmatig vast op zandbanken en tot overmaat van ramp begeven de bougies het. Er wordt hulp gezocht in een naburig dorp, maar niemand is gehaast, want het enige dat op het programma staat is een slaapplaats zoeken. Die vinden we in Sofara. Een enorm vreugdevuur wordt aangestoken, het hele dorp komt ons bekijken, maar alleen de chef en zijn vrouw komen er echt bij zitten. Een plakkerig minuscuul glaasje muntthee doet de ronde. Meer dan één slok zit er niet in, maar dat is ruim voldoende om mijn darmen aan elkaar te doen plakken van de zoetigheid. De kampplaats verandert in een sprookjestuin als we onze witte muskietennetten onder de bomen hangen, die geheimzinnig worden verlicht door de ontelbare sterren en het intussen bijna uitgedoofde vuur.

In Djenné, een van de meest pittoreske plaatsen van Mali en één van de oudste steden van West-Afrika is het markt. In een taxi-brousse waar een weldenkend mens tien personen in zou krijgen, zijn we met z'n twintigen hierheen gebracht. Hammer, een jongetje van een jaar of negen, wil zijn Frans oefenen en leidt me door de kleurige massa mensen naar een plaats waar ik van bovenaf de drukte kan observeren. De moskee van Djenné, die op bijna evenveel postkaarten prijkt als de Taj Mahal, vormt het gedroomde decor voor het gadeslaan van deze wirwar van gezichten en handelswaren. Het lijkt of de tijd er heeft stilgestaan. Ik ontmoet de plaatselijke griot of volksverteller, een jonge kerel die zichzelf Ali Baba en de Veertig Songs noemt. "Je crée des chansons dans ma bouche." Hij gaat op het dak zitten en praat met de vogels die hem teksten doorgeven, want hij zingt niet alleen over de geschiedenis van Mali, zoals die door zijn voorouders van generatie op generatie werd doorgegeven, hij zingt ook over het dagelijkse leven nu. Hij laat me zijn muziek horen in een appartement van een paar vrienden. Een portret van een naakte vrouw op een van de vaalgroene wanden vormt samen met een staande klok vol plastic bloemen een van de hoofdbestanddelen van het interieur. Zijn vier kameraden doen zich tegoed aan sardienen uit blik en stokbrood, een aangename erfenis die de Fransen hier hebben achtergelaten. Hij eet niet, muziek is zijn voedsel, hij gaat er volledig in op.

Sedou, de gids die samen met mij op de brommer naar Sirimou rijdt, raakt verbaasd mijn arm aan die onder de hevige middagzon volledig rood wordt en vraagt waarom ik de hele tijd van kleur verander. "Ik kan niet meer donkerder worden," lacht hij. Tot mijn verbazing staat op het plein van dit afgelegen dorpje, waar geen enkele andere toerist te bekennen valt, een bord dat aankondigt dat Mohamed gekoelde coke verkoopt. Mohamed slaapt, we moeten hem eerst wekken. Het koele van de coke is relatief, maar alles onder de dertig graden is nu welkom.

In Sirimou hangt er boven elke deur een geitenhoorn omdat dit geluk brengt, vertelt Sedou. Ik ontmoet een meisje met de typische Peul-tatouages rond haar lippen.

"Hoe is het met je gezondheid? Sewee (goed). Hoe gaat het met je vrouw? Zeer goed. Met je kinderen? Goed. Met je oogst? Goed. Met je ouders? Goed. Je voorouders?..." Deze typische Dogon-begroeting kan uren duren, het is hilarisch. Als je geen tijd hebt om de hele litanie af te werken als je iemand ontmoet, mag je doorlopen, maar je moet blijven praten. Hij die te vroeg stopt kan gegarandeerd op een mislukte oogst rekenen. Zelfs onze gids doet er vrolijk aan mee. Gelukkig komen we bijna geen levend wezen tegen op onze klimtocht door de Grand Canyon van Djigibombo, waar de droogte en het opwaaiende zand mijn tong tegen mijn gehemelte doet plakken en spreken een overbodige luxe lijkt.

Djigibombo, een zeer traditioneel en hoofdzakelijk animistisch dorpje staat in rep en roer: morgen vinden er traditionele maskerdansen plaats. De maskers zijn de belangrijkste symbolen van de Dogon-cultuur, zij zijn geesten van de voorouders.

Tijdens de Sigui, een maskerdans die slechts om de zestig jaar plaatsvindt (volgende keer in het jaar 2021), wordt de Iminana bovengehaald, een masker in de vorm van een slang dat soms tot tien meter hoog is. Dit masker helpt de geschiedenis van de oorspronkelijke Dogon te vertellen. De eerste Dogon-voorouder nam immers de vorm van een slang aan toen hij stierf.

De maskerdans die hier wordt voorbereid heeft plaats ter gelegenheid van de opening van een nieuwe school. Vijf koeien moeten er geslacht worden, vrouwen sleuren met kippen, zakken gierst en maïs. Er wordt hevig gediscussiëerd. De harmatan waait sterker dan ooit en slapen wordt hier op de daken van de huizen gedaan. Ik word wakker met knarsende tanden en een laag okergeel zand op mijn gezicht, zodat ik een harmonisch geheel met de omgeving vorm. Dàt is pas je integreren!

In sommige dorpjes moeten we een soort middeleeuwse 'visitors tax' betalen, gewoon om er door te mogen trekken. Op de huizen wordt de hele Dogon-cultuur weergegeven, op deuren en sloten die scenes uit het dagelijkse leven voorstellen. Intrigerend zijn de menstruatiehuisjes: Dogon-vrouwen moeten zich hier afzonderen als ze hun maandstonden hebben en een kleine week in een speciaal daarvoor voorzien huisje blijven. Vaak staat het in de buurt van de djinna, een animistisch centrum waarvan de voorkant uit een raster van vierkante holten bestaat. Het is het huis van de dorpsoudste. In de grotere gaten staan traditionele medicijnen en worden offers gebracht als er een kind geboren wordt, in de kleinere verblijven de zwaluwen, die als heilige vogels worden vereerd omdat zij rechtstreeks naar de hemel vliegen om regen te vragen.

Regen zit er voorlopig niet in, de zwaluwen hebben blijkbaar andere dingen te doen.

Een bus nemen in Afrika lijkt erg op zelfkastijding. Na een paar uur voel ik mijn benen niet meer, ze liggen opgevouwen in mijn nek, het zweet gutst van mijn rug. Het lijkt alsof er steeds met de wetten van de beschikbare ruimte wordt gespot. Er worden altijd veel meer mensen, dieren en vracht meegenomen dan fysiek mogelijk is. Schrijven of lezen is onmogelijk, vermits de vering van dit busje al lang een pijnlijke dood gestorven is. De lunch wordt uitgesteld, de chauffeur heeft blijkbaar een stevig ontbijt gehad van een van zijn vier vrouwen. We eten pas als hij iets voelt knagen ,en dat is laat.

Pech hoort erbij, zonder pech voel ik me ontheemd. "Mbita! We gaan," gilt de chauffeur. Ik leg mijn lichaam gewillig terug in de knoop, dit is immers Afrika.

Wij maakten deze reis met de reisorganisator Ashraf. Van Mali ging het, via Burkina Faso, naar Ghana met het openbaar vervoer. De reis kost inclusief vlucht, vervoer, de meeste gidsen en alle accomodatie 57.980 frank.

Inlichtingen: tel. 03/248 80 86, fax 03/248 82 51.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234