Vrijdag 24/05/2019

DM Magazine

Magritte, Hergé, Claus: alle groten hebben iets achtergelaten in het Goudblommeke

Beeld Karoly Effenberger

In het Goudblommeke in Papier, de laatste estaminet van Brussel, serveert Luc Govers pottekeis, volgens het recept van zijn moeder. René Magritte, Hergé, Hugo Claus, Louis-Paul Boon: alle groten van toen hebben hier iets achtergelaten.

er hangen een paar Magrittes in het café. Achteloos, in een scheef kader naast de deur. Als was er maar een zuchtje nodig om ze van het haakje te blazen. "Het café heeft ooit twee jaar leeggestaan", zegt Luc Govers (50), de kok. "Het zag er niet uit, het riskeerde in handen te komen van een of andere brouwerij en te worden gerestyled. Een groep vrijwilligers heeft er toen via een coöperatieve z'n schouders onder gezet. Ieder legde duizend euro of zo op tafel. Voor de overname zelf, maar ook voor nieuwe plafonds, een nieuw dak, nieuwe toiletten en een terras waar vroeger de koer was. De hele binnenkant is gerestaureerd en bewaard in authentieke staat. De coöperatieve telt intussen zo'n honderddertig leden. Allemaal mensen die het Blommeke willen zien overleven."

Vandaag zou men het crowdfunding noemen. Bij een etablissement met een gammel metalen bord 'estaminet' aan de gevel en binnenin teksten en schetsen van onder meer Guido Gezelle en Jan Cox aan de muur, spoort het woord niet helemaal. "Aan de toog stoot ik af en toe een Mariabeeldje om", zegt Luc. "Oeps, kapot. (lacht) Na zijn overlijden heeft de tweede vrouw van stichter Geert Van Bruaene het café nog jarenlang zelf uitgebaat. Zij was diepgelovig en zette overal van die beeldjes. Toen het café in 1997 werd geklasseerd door het Brussels Gewest, vonden ze dat die beeldjes deel uitmaakten van de originele staat. Ik vind dat we daarover van mening moeten kunnen verschillen."

Buiten die paar omgestoten Mariabeeldjes is alles gebleven zoals het was. Bruin, rokerig. Heel erg intiem, vooral. Het soort cafeetje zoals Brussel er ooit honderden heeft gehad, met een pregnante urinegeur op de koer. Waar we nu zitten.

Luc Govers, kok van Het Goudblommeke Beeld Karoly Effenberger
Beeld Karoly Effenberger

Pottekeis

Luc, geboren in Ukkel, is al een leven lang Brusselaar. Hij zegt er meteen bij dat het tegen de geest van zijn stad ingaat om daar status aan te willen ontlenen. "Nee, je komt in Brussel aan, je hebt een klik of je hebt die niet. Indien wel: poef, je bent Brusselaar. Van vandaag op morgen. Die openheid is uniek aan de stad. Dat zit in alles."

Het was hier, in zijn kleine keukentje, dat een opgetogen Jeroen Meus ze twee jaar geleden ontdekte: de uitgestorven gewaande authentieke Brusselse pottekeis. Het Goudblommeke in Papier moet de laatste plek zijn waar het gerecht nog op de kaart staat. "Pottekeis was vroeger een begrip", legt Luc uit. "Het was de kaas van de arme mensen. De rijkere burger kocht echte Brusselse kaas, zo van die stinkkaas in een vierkant blokje. Die kaas heeft een schil die na een paar dagen hard wordt. In de kaaswinkel lieten de rijkere mensen die korsten er altijd af snijden. In plaats van die weg te gooien, verkochten veel winkels de korsten voor bijna niks aan de arme mensen. Die mengden ze dan in hun plattekaas en bleven roeren tot de twee smaken elkaar vonden, tot de korst opging in de plattekaas. Zo is de pottekeis ontstaan."

Luc heeft zelf nooit kokschool gedaan, kon zelden langer dan een jaar door enige materie worden geboeid, wat van hem de ideale kok maakte voor het Goudblommeke in Papier. "Ik heb als kind met mijn ogen gestolen. Van mijn moeder, van een tante. Van enkele chefs, later ook. Mijn moeder werkte overdag, ik moest altijd zelf zorgen dat er 's avonds iets op tafel stond. Ik zag het haar altijd doen, die korsten mengen in de plattekaas. Zij deed er nog wat peper bij en wat mosterd. Ik heb het recept verfijnd met een scheut Lambik. Ik garneer de boterham dan met wat radijs en jonge ajuin. Delicieus."

Als goed verborgen schat wordt het café nu vermeld op TripAdvisor en dat noopte de huidige uitbaters tot Engelse vertalingen op de menukaart. Bloempanch wordt geuit als Black pudding en geperste kop als Brawn. Pottekeis wordt vertaald als pottekeis. "Ik zou ook niet weten hoe het anders zou moeten", zegt Luc.

Kattebelletjes

'Tout homme a droit à 24 heures de liberté par jour.'

Het staat pontificaal op een muur geschreven. Het is meer dan vermoedelijk een spreuk van de hand van stichter Geert Van Bruaene (1891-1964) zelf. Hij bewaarde nagenoeg alles wat zijn klanten achterlieten. De laatste keer dat iemand de kadertjes met tekeningen, gedichten en levenswijsheden telde, kwam hij uit op 408 stuks, Magrittes inbegrepen.

Geert Van Bruaene kwam op z'n achttiende vanuit Kortrijk naar Brussel om acteur te worden in de Vlaamse schouwburg. Zijn grote talent lag eerder in de schilderkunst. 'Gérard Le Petit' - zo noemden ze hem hier - opende in Brussel de ene galerie na de andere, met als bekendste het Cabinet Maldoror en La Vièrge Poupine. Latere biografen zetten hem neer als een onvoorwaardelijke chaoot, rennend van het ene nieuwe grote project naar het andere. Met altijd weer kattebelletjes aan de deur, die dag na dag en uur na uur meldden dat de galeriehouder even afwezig was.

Hij was er nooit. Eens een project gelanceerd was, kon hij enkel nog interesse opbrengen voor een volgend. Hij opende het café in de Cellebroersstraat in 1944, kort na de bevrijding van Brussel. "Hier zie je hem", zegt Luc, wijzend naar de immense groepsfoto achter zich. "Op zijn stoeltje hier voor het café. Met rond hem Marcel Mariën, Camille Goemans, Irène Hamoir, E. L. T. Mesens, René Magritte, Louis Scutenaire, Paul Collinet.

De vrouw achter Gérard, dat is Georgette Magritte. De grote surrealisten en de Cobra-beweging. Dat kwam allemaal hier samen, in dit kleine cafeetje. Ook Hergé heeft hier veel gezeten. Daar hangt zijn foto."

Kreeg Gérard Le Petit een ingeving, dan kraste hij die op de muur. Naar wat hij in gedachten had, kun je soms enkel nog proberen te gissen: 'Waar het gras groeit, daar sterven de koeien.' Op elke achtergebleven foto van Gérard Le Petit lijkt slechts het geluid van een bulderlach te ontbreken. De man zag het leven als een langgerekt en veel te kort feest. Zelf stond hij niet zo vaak achter de toog van het Blommeke. Eerst hield zijn eerste vrouw de zaak draaiende, daarna zijn tweede.

Over Geert Van Bruaene gaat het verhaal dat hij ooit werd betrapt op een poging om een valse Permeke te verkopen. Op de rechtbank werd de schilder zelf door het openbaar ministerie als getuige à charge opgeroepen, maar dat draaide anders uit dan bedoeld. Permeke zei: "Ik erken al mijn kinderen, de échte en de onechte." Permeke was een van die vele jonge schilders die ooit was ontdekt door Geert Van Bruaene. Hij ging dus vrijuit. Weer een reden tot feest.

In dit café vonden ook de redactievergaderingen plaats van het Vlaamse literaire tijdschrift Tijd en Mens, met Hugo Claus, Louis Paul Boon en Jan Walravens. Louis Paul Boon, in een nagelaten geschrift: "Onvergetelijk zijn de avonden geweest, die we voor ons tijdschrift samen doorbrachten in die smalle straat te Brussel, steeds vol kratten en wegwaaiend inpakpapier, achter de hoge muren der magazijnen van de grootwarenhuizen. Een donker huis met een verraderlijke trap waar bijna iedereen van Tijd en Mens gevallen is of zich de voet verstuikte. Daar zaten we dan, de enthousiaste Jan Walravens, Ben Cami en Marcel Wauters en Maurice D'Haese, Albert Bontridder stil en zwijgend in een hoekje, Remy C. van de Kerckhove met weer totaal andere opvattingen en ideeën, die met haast niemands opvattingen en ideeën strookten, en af en toe verscheen ook die jonge man die Hugo Claus heette, alsof het een prins was die zich in een onderontwikkeld gebied waagde. En alsof dat niet voldoende was, ook nog met een blonde en zwijgende filmster aan de arm verscheen."

Lees ook

U overtuigen om Brussel te gaan (her)ontdekken, dat is komend weekend de missie van De Morgen Magazine. Lees er alles over hier

Beeld Karoly Effenberger

Brussel Vlaams

"Iedereen komt hier", zegt Luc. "Nog altijd. Het Blommeke is van iedereen. Van de straatveger tot de minister en de burgemeester. Enfin, de vorige burgemeester, Freddy Thielemans, die kwam hier vaak. De nieuwe hebben we nog niet gezien. Hopelijk verandert dat ooit nog."

Al sinds de dag waarop Gérard Le Petit het Blommeke opende, is het OCMW van Brussel eigenaar van het gebouw. Toen het café in 2007 door de coöperatieve werd gered, waren de stuwende krachten in hoofdzaak Vlamingen. Mensen als journalist Peter Lombaerts, politicus Jan Beghin, Paul Merckx en Danny Verbiest - in onze geheugens vooral vereeuwigd als stem van de hond Samson. In een opiniestuk in Le Soir maakte toenmalig OCMW-voorzitter en huidig burgemeester Ivan Mayeur (PS) zich na de redding van het Blommeke druk over het feit dat er 'maar' drie Franstaligen in de coöperatieve zaten. Hij uitte zelfs een dreigement. De nieuwe uitbaters, stond er, 'krijgen tot 2013 de tijd om te bewijzen dat ze de Franstalige of Brusselse cultuur niet verwaarlozen'.

Het Blommeke als inzet van communautair getouwtrek: Luc probeert de gedachte weg te lachen, want Geert Van Bruaene kan toen niet anders dan zich hebben omgedraaid in zijn graf. "Het Blommeke is van iedereen", zegt hij nog eens. "Dat zit hier in de muren." Luc groeide op in het grauwe Brussel van de jaren tachtig, waar Marc Didden tegenwoordig graag nostalgisch over doet. Toen de halve stad een werf was, een skyline van gele hijskranen en geheime plekken als Post 70, l'Archiduc en Le Beau Bruxell met home-dj Gust De Coster.

"In die tijd had je ook aan Vlaamse kant veel mensen die heel krampachtig met hun zaak bezig waren. Aan de Beurs had je een plek als de Hendrik Conscience-club. Daar kwam een soort volk uit het Nederlandstalig onderwijs. Ze gingen Brussel vervlaamsen door wat met vlaggen van TAK en VMO te lopen zwaaien. Wij gingen er op een dag met onze klas naartoe. Die ene Marokkaanse jongen, hier opgegroeid, net zo Nederlandstalig als jij en ik, mocht niet binnen. Dus gingen we allemaal naar buiten. Veel leuke feestjes, dat wel, maar ik herinner me het toch vooral als een harde tijd."

Het was de tijd dat wij, Vlamingen, werden geadviseerd overal in Brussel consequent het Nederlands te bezigen. Dat Brussel, historisch, de hoofdstad was van het Hertogdom Brabant en we ons niet mochten laten doen. "Die Vlamingen schenen niet te begrijpen hoe ze op hun manier de stad juist de rug toekeerden. Je wordt in Brussel overal warm ontvangen, in welke taal je ook komt. Als je meteen aan elke medeburger allerlei eisen gaat stellen, vinden mensen je niet leuk. Talen en culturen zijn de rijkdom van Brussel. Iedereen zit hier, dus doe gewoon een beetje op 't gemak. Een paar jaar geleden werden cafés als De Monk of De Roskam door Franstaligen nog gezien als cafés flamands. Dat is nu helemaal aan het vervagen, het zijn gewoon Brusselse cafés geworden. Er wordt helemaal niet meer zo overgereageerd als toen. Aan beide kanten. Dat stemt mij gelukkig."

Het Blommeke kende zoals haast elke Brusselse horecazaak moeilijke maanden. Het ligt een heel eind buiten de door zovelen gecontesteerde voetgangerszone, dus daar kan het echt niet aan liggen. "Iedereen kent de echte oorzaak", zegt Luc. "Eind december regende het annulaties van groepen die hadden gereserveerd. Zeker negentig procent van de hier geplande nieuwjaarsrecepties viel weg. Er heerste een soort angst, iets wat je niet kon benoemen. Gewoon al het feit dat er tijdens de lockdown werd gezegd dat je in Brussel beter niet meer op straat kon komen. Dat doet pijn, het is jouw stad. Januari was onze slechtste januari ooit.

Buitenkomen als statement

"De reactie na 22 maart was heel anders. De zweer van de lockdown zat daar nog, en die was in de weken daarvoor blijven zwellen. Na de aanslagen wou iedereen opeens weer gezien worden. Het was bijna een statement om buiten te komen. Nu krijgen we een terugval, maar we herstellen wel weer."

Je geraakt niet uitgekeken op het Blommeke. Je ogen blijven hangen bij die schijnbaar Latijnse spreuk in gotische letters boven de antieke kachel: 'Ole Com Bove.' Luc: "Dat is Brussels voor: alles komt boven. Geen enkel geheim zal worden bewaard." Hij zet een bordje pottekeis voor ons neer. Komt met een blokje Brusselse kaas, verwijdert het cellofaan. "Ruik je het? Als je voor het eerst zo'n Brussels kaasje voorgeschoteld krijgt, dan aarzel je even. Dat oogt niet zo mooi, niet zo fris. En oké, het stinkt een beetje. Maar als je daar schrik van hebt en je gaat niet naar de binnenkant kijken, dan ga je die hemelse smaak nooit ontdekken. Zo is Brussel."

Goudblommeke in Papier, Cellebroersstraat 55, Brussel, goudblommekevanpapier.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.