Woensdag 15/07/2020

Maar wie was Bernard Weinstein echt?

Zijn kop had hij alvast tegen. Bernard Weinstein, de assistent-kinderontvoerder, de moordenaar van An en Eefje, het 'echte monster' voor wie Marc Dutroux Julie en Mélissa moest zien te behoeden, de maniakale kinderdoder... Tot vandaag dicht het onderzoek in Neufchâteau hem dat soort eigenschappen toe. Wat niet kan worden bewezen tegen Dutroux komt in de schoenen van de vermoorde Franse autodief terecht, te beginnen bij de verkrachting van Mélissa Russo. 'Om te beginnen', zegt de boezemvriend, 'was Bernard impotent.' Zijn schoonbroer: 'Wat ik niet begrijp, is dat men in België geen kennis wil nemen van het psychiatrisch rapport dat in 1981 over hem is gemaakt. Daar staat het ook in. Bernard was aseksueel.'

DOUGLAS DE CONINCK ANNE DE GRAAF

'Wat de ontvoering van Julie en Mélissa betreft, heb ik niets toe te voegen aan de verklaring die ik reeds aflegde. Ik bevestig u dat de ontvoering is uitgevoerd door Michel Lelièvre en Bernard Weinstein. Ik bevestig ook dat zij de kinderen naar mij hebben gebracht en dat ik hen niet heb besteld."

Heeft iemand seksueel contact gehad met de meisjes?

"Weinstein heeft Mélissa misbruikt. Ik zat in mijn bad toen ik de kreten hoorde op een hogere verdieping. Ik ben uit het bad gestapt en heb luid geroepen: 'Wat is hier aan de hand?' Ik kwam de kamer binnen (...) en zag een beetje bloed. Ik heb de boel daar opgeruimd en heb hem gezegd dat hij dit soort stommiteiten niet meer moest uithalen, dat ze nog veel te jong waren. Hij was gegeneerd."

Wat was Weinsteins rol?

"Op dat ogenblik beperkte die zich tot het betalen van onderhoudsgeld voor een van de twee meisjes. Hij ging ook boodschappen doen (...). Het is ook hij die de deur en de tralies in de kelder heeft ontworpen en gebouwd. Hij betaalde 1.000 frank per week, alles inbegrepen. Na twee maanden vond hij dat de meisjes moesten verdwijnen. Ik denk dat hij hen wilde vermoorden. Hij argumenteerde dat het te gevaarlijk werd. Ik heb eerst nog geprobeerd om hem ervan te overtuigen hen niet te doden. Hij bleef aandringen om dat toch te doen." (Verhoor Marc Dutroux, 19 september 1996)

"Op zeker moment, toen hij me weer lastigviel met zijn voorstel om Julie en Mélissa te vermoorden, heb ik hem gevraagd wat er met An en Eefje was gebeurd."

Wat antwoordde hij?

"Hij zei me dat ze dood waren. Ik hem nog gevraagd waarom hij voor hen geen kooi had gebouwd, zoals hij had beloofd. Ik schaam me omdat ik ze aan Weinstein heb gegeven. Bij mij kregen ze tenminste eten. Als ik had geweten dat Weinstein hen zou doen verdwijnen, dan had ik hen bij mij, en in leven, gehouden. Ik wil trouwens opmerken dat ik was begonnen met een uitbreiding van de kelder, in de richting van het kolenhok." (verhoor Marc Dutroux, 27 augustus 1997)

En zo, pagina na pagina, kreeg Bernard Weinstein een gezicht in het dossier 86/96 te Neufchâteau.

Niet alleen Marc Dutroux laat tijdens zijn ondervragingen geen kans onbenut om de Fransman af te schilderen als "het ware monster" en te opperen dat we eigenlijk horen te spreken over 'de zaak-Weinstein' in plaats van de zaak-Dutroux. Ook Michelle Martin ziet het zo: "Marc heeft me toen gezegd dat Bernard een beetje te verlegen was om meisjes te versieren en dat hij daarom An en Eefje had ontvoerd. Kort na het begin van het nieuwe schooljaar (september 1995, DDC) vernam ik van Marc dat hij hen naar Bernard had gebracht, zodat die alleen over hen kon beschikken."

Dutroux' kompaan Michel Lelièvre gaat eveneens die toer op: "Weinstein? Die had dezelfde seksuele voorkeuren als Dutroux."

Ook zonder dat soort verklaringen laat Weinstein na zijn dood geen al te verheffende indruk na op de wereld. Wanneer speurders uit Neufchâteau op 22 augustus 1996 afstappen aan Weinsteins chalet in de rue Daubresse 63 in Jumet klinkt het proces-verbaal zo: "Huiszoeking onmogelijk. Eerst alles leegmaken en chalet afbreken." Een buurvrouw legt uit dat de Fransman een allesverzamelaar was met een specifieke interesse voor nutteloze dingen.

Een speleologenladder, stratenplannen, autobanden, autoradio's, een betonmolen, een gestolen tachograaf, videobanden, een krantenknipsel over Adolf Hitler, kinderkleren, een scoutssjaaltje... Het is slechts een kleine greep uit de inventaris van de overdekte vuilnisbelt. Pas na vele maanden wordt daaruit de "bestelbon" opgevist, een in achten gevouwen A4-velletje: "Bernard, vergeet niet dat het grote feest nadert en dat de hogepriesteres haar cadeau verwacht. Anubis." Achteraf zal blijken dat het vodje vals is en ofwel door een grappenmaker ofwel - wat waarschijnlijker lijkt - door een manipulerende politieman tussen de rotzooi is gedropt. Het resultaat is wel dat Neufchâteau met veel machtsvertoon zal binnenvallen bij de "satanische sekte" Abrasax en dat België voor het eerst zal leren lachen om de zaak-Dutroux.

De postume reputatie van Bernard Weinstein is tegen die tijd wel gevestigd. Het team van onderzoeksrechter Jacques Langlois is er niet in geslaagd te achterhalen wie An en Eefje doodde en evenmin waarom. Ook wat de ontvoering van Julie en Mélissa betreft, heeft Langlois geen idee en lijkt hij geen andere uitweg te zien dan geloof te hechten aan de verklaringen van Dutroux en Martin, hoe aantoonbaar ongerijmd en contradictorisch die ook zijn. Zo ontstond rond Weinstein een juridische realiteit waar de betrokkene zelf niets tegenin kan brengen. De moord op de Fransman, eind november 1995, is de enige die Dutroux ooit bekende. Want: "Ik wilde Julie en Mélissa beschermen."

België maakt kennis met het 'monster nummer 2' in de avond van 15 augustus, wanneer in Sars-la-Buissière de resten van Julie en Mélissa zijn ontdekt en ook dat van Weinstein tevoorschijn komt. Heel even krijgt de tv-kijker de sombere kop te zien. En het effect is zoals bij de eerste beelden van Michel Nihoul: dit is een overduidelijke slechterik.

Een van de meest geschokte kijkers, die avond, is mijnheer V. Hij moet eerst even bekomen, en belt dan de politie van Sint-Gillis. Jarenlang, tot in 1993, is V. Weinsteins beste vriend geweest. "Ik kan dit allemaal niet geloven", stamelt hij. Hij stelt voor alles te vertellen wat hij over Weinstein weet, overtuigd als hij is dat een doorgedreven onderzoek naar diens verleden snel zal uitwijzen dat hij weliswaar een gepatenteerde autodief was, "un chipoteur quoi", maar vooral ook de geweldloosheid zelve.

V.: "Ach, misschien had en heb ik het fout, maar ik beschouwde het als mijn plicht om justitie te helpen. Bernard had niet zoveel vrienden. De meesten zijn kleine criminelen die niet zo gauw spontaan naar de politie zullen stappen. Ik ben de enige die dat zonder enige vrees kon doen, en die hem, denk ik, beter heeft gekend dan wie ook."

Na een telefoontje naar Neufchâteau gaat de politie van Sint-Gillis diezelfde nacht nog met V. op stap, naar alle adressen die hij zich van Weinstein herinnert. V. vertelt over de vakantie die ze in 1992 samen per motor hebben ondernomen naar Spanje, over hun gesprekken onder de sterrenhemel, over alle contactpersonen van Weinstein. "Ik dacht ook: stel dat het hier gaat om een criminele organisatie en mijn vriend is daarin verwikkeld geraakt, dan is het mijn plicht om de politie zo snel als mogelijk alles te vertellen. Ik stelde voor om thuis in oude documenten allerlei informatie op te snorren, data en zo, zodat ik kon helpen om heel precies zijn leven te reconstrueren."

En toen?

"Toen niets meer. Ik heb al vijf jaar niets meer gehoord uit Neufchâteau. Blijkbaar is niemand geïnteresseerd in de realiteit en verkiest men het comfort van de mythe van de gepatenteerde slechterik. Ik denk dat ik nu maar eens een aangetekende brief zal versturen om de speurders te herinneren aan mijn bestaan (achteloos). Voor wat het waard is."

Had Bernard Weinstein dan geen familie die, gesteld dat ze hem net als V. onschuldig acht, wil opkomen voor zijn eer? De overtuiging dat Bernard ten onrechte is gediaboliseerd is er, maar familie steeds minder, zo moest De Morgen vaststellen na een slopende zoektocht in en rond Parijs.

De zaak-Dutroux sloeg grotere gaten in het familiealbum dan zelfs het parket in Neufchâteau kon vermoeden. Bernards oude moeder, die in 1996 bezoek kreeg van rijkswachters uit Neufchâteau, belandde vorig jaar zwaar psychotisch in een instelling. Ze onderging een hartoperatie als gevolg van drie opeenvolgende beroertes. Vorig jaar stierf Bernards oudste zus, Arlette Weinstein, aan de gevolgen van een slepende ziekte. "Van verdriet", meldt het intussen zowat enige overblijvende familielid, schoonbroer Eric Gilet, in de Parijse voorstad Rambouillet.

Eric Gilet: "De Weinsteins in Parijs hebben de boter gegeten. Wat mij het meest stoort, is dat de Belgische onderzoekers, hoewel ze tot drie keer toe op rogatoire opdracht naar Parijs kwamen, nooit rekening wilden houden met de psychiatrische rapporten die over Bernard zijn opgesteld ten tijde van zijn assisenproces in Pontoise, in 1981."

Aanleiding tot dat proces is een zaak die Parijs in de kerstperiode van 1975 dagenlang in de ban heeft gehouden en de Franse pers vergelijkingen heeft doen maken met de ongrijpbare tv-slechterik Phantomas. Samen met de 26-jarige Patrick Dubouille heeft de drie jaar jongere Weinstein, na een reeks van zes overvallen, een jonge gendarme gegijzeld, omdat die hen had betrapt. Dubouille en Weinstein trekken met hun gijzelaar op de achterbank door de streek bezuiden Parijs, laten hem ongeschonden vrij, maar rijden zich vast in een bos, waar ze vierhonderd politiemannen achter zich aan krijgen. Het als "zeer gevaarlijk" omschreven duo slaagt er op miraculeuze wijze in door het politienet te glippen en zal pas enkele weken later per toeval worden opgepakt.

Hoe baldadig het duo werkelijk is, valt af te lezen uit de processtukken van toen. Bij de eerste 'overval' is in een Citroën-garage in Onsy een chequeboekje gestolen. Wat later wordt een kruidenierster onder bedreiging van een wapen beroofd van 20 Franse frank (zo'n 120 frank), een inktstempel en twee maaltijdcheques. Bij een andere gelegenheid bestaat de buit uit twee verfpistolen en een nagelsetje.

Aan het eind van het proces krijgt Dubouille twintig jaar cel en Weinstein vijftien. In verhouding tot de diefstallen zijn de straffen zwaar, maar het Franse gerecht kent nu eenmaal geen genade voor wie wetsdienaren bedreigt, beschiet of gijzelt. De strafmaat geeft aan hoe de verhoudingen lagen: Dubouille, de aanstichter, Weinstein de meeloper. Hier en daar hebben de twee tijdens hun vlucht ook auto's gestolen, en dat was dan het werk van Weinstein, die in Parijs al als puber in enkele seconden om het even welke auto open kreeg.

In het zesde arrondissement worden we ontvangen door meester Jean-Marc Albert, de advocaat die tussen 1976 en '81 Weinstein verdedigde. Hij herinnert zich hem bijzonder goed, maar is nooit door het Belgische gerecht benaderd. "Wablieft, is mijn cliënt dood? Men heeft mij daar niets over verteld. Begraven naast Julie en Mélissa?" De advocaat kan het aanvankelijk amper geloven en lijkt aan het eind van ons onderhoud plots veel zin te hebben om naar België te trekken om het opnieuw voor Weinstein op te nemen.

Jean-Marc Albert: "Hij was een ongelukkig, gesloten iemand. Ik herinner me Weinstein als een kind, un puéril. Mijn confrater, Jacques Miquel, en ikzelf waren zijn 'vaders', zijn enige link met de beschaving. Weinstein leefde aan de zelfkant van de maatschappij. Zijn vader overleed toen hij drie was. Vanaf toen begon een dooltocht van weeshuis naar weeshuis. De politie viste hem telkens weer op onder de bruggen waar hij sliep met de clochards maar opviel vanwege zijn jonge leeftijd. Nauwelijks dertien was hij toen. Hij stierf haast van de honger, leefde op water en brood. Weinstein, dat was Zola. Zoon van een psychotische moeder, die de rijkswachters weg moesten werken omdat ze gewapend naar het proces in Pontoise was gekomen. Weinstein had geen vrienden, laat staan vriendinnen. In de gevangenis in Melun verschenen alleen zijn zussen en zijn moeder. Hij schreef hen niet omdat hij zowat analfabeet was. Telkens als ik Weinstein zag, moest ik me beheersen om niet depressief te worden. Hij was de ellende in persoon."

Maar Weinstein had hier en daar wel vrienden, hoeveel moeite het ook kost om ze terug te vinden. Bij de Pont de l'Alma, toevallig de plaats waar prinses Diana om het leven kwam, ontmoeten we clochard Ursule (56). Hij was in de jaren zestig de hartsvriend van de toen piepjonge Bernard.

Ursule: "Hij was een kind. Honderden keren zei ik hem dat hij terug moest naar dat tehuis in Tavernies. Ik kon hem niet onderhouden. In Tavernies leerde hij lezen en schrijven, kreeg hij tenminste eten, en wasten ze zijn rode ribfluwelen broek die hij altijd aanhad. Het vreemde aan Bernard was dat hij ondanks zijn berooidheid maniertjes had van un petit bourgeois. De snottebellen liepen uit zijn neus, maar hij sprak ons aan met twee woorden. Met merci en s'il vous plaît."

Bernard Weinstein heeft buiten de al genoemden wél nog familie: een zus, in België trouwens. En zij, Mireille Weinstein, is er helemaal niet zo beroerd aan toe als de rest van de familie. Ze is gehuwd met S., een vooraanstaande uroloog van het Erasmus-ziekenhuis in Anderlecht. Het is hij die op 21 oktober 1983 in een brief aan de gevangenisdirectie in het Franse Melun verzekert dat hij en "de familie" zich om Bernard zullen bekommeren als die van een voorlopige vrijlating mag genieten. De brief zal eind '96 in Neufchâteau aanleiding geven tot een onderzoek tegen de uroloog, van wiens broer de naam opduikt in klantenlijsten van enkele Brusselse seksclubs uit die tijd, waarop - kan het anders? - ook wel eens de naam Michel Nihoul voorkomt.

Nadat hij een paar keer gedurende een weekend of een volle week op penitentiair verlof wordt gestuurd, zwaait de gevangenisdeur voorgoed open op 6 november 1985. Drie weken later vestigt Weinstein zich in België. Hij kan aan de slag in het videobedrijf van de broer van S., wat later eveneens lange tijd de interesse van Neufchâteau zal opwekken.

Mijnheer V. ontmoet Weinstein eind jaren tachtig, wanneer hij op zoek is naar een niet al te dure motor. "Bernard werkte in die tijd in een klein winkeltje op het Moricharplein 21 in Sint-Gillis. Ik vond de situatie aandoenlijk. Het was een klein zaakje, een vroegere kruidenierswinkel die door zijn partner tot atelier was verbouwd. Ze verkochten er wisselstukken en motoren, gestolen spullen ook. Bernard woonde in de gang tussen de winkel en de keuken in. Daar hing een gordijn dat bed en tafel afscheidde van de rest. Hij werd eigenlijk opgelicht door zijn partner, die er na enige tijd uittrok en een nieuwe zaak begon in het centrum van Brussel. Hij deed Bernard een schandelijk hoog bedrag betalen om het handeltje in Sint-Gillis voort te zetten. Ik wees hem daarop, maar ja. Hij was het type van de lamme goedzak. Hij had een Kawasaki 1300, zo'n heel zwaar ding. Dat was zijn hele leven, aan bromfietsen sleutelen.

"Bernard was helemaal niet dat sombere, lugubere type dat de media van hem hebben gemaakt. Hij was eigenlijk een warme vent, humoristisch ook. Heel relaxed, zocht nooit problemen. Het is waar, voor eigendommen had hij geen respect. Ik wist dat hij hier en daar stal, maar hij trok een grens: geen geweld. Jamais. Hij bezat geen wapens, wat in dat milieu veeleer ongewoon is. Ik kán niet aannemen dat hij kinderen hielp ontvoeren. Het botst totaal, maar dan ook totaal met alles wat ik me herinner. Ik wil aannemen dat hij een verborgen, duistere kant had, maar als je hoort dat uiteindelijk alle aantijgingen berusten op verklaringen van een leugenaar als Dutroux, dan zeg ik: neen, ik kan en hoef dit niet te geloven."

Daar zijn inmiddels ook anderen wel achter. Wanneer Dutroux Weinstein ervan beticht Mélissa Russo te hebben verkracht, mag niet worden vergeten dat Dutroux zijn eigen strafdossier verslindt en als een van de eersten moet hebben gezien hoe in het eerste autopsieverslag melding wordt gemaakt van een vaginale verwonding. En dan lijkt het er sterk op dat Dutroux zijn verklaringen netjes rond de materiële vaststellingen bouwt, zonder risico op tegenspraak.

Vragen over het seksuele leven van Bernard Weinstein leveren unisone antwoorden op.

De griffier op de rechtbank in Val d'Oise die er op ons verzoek even de psychiatrische rapporten uit 1981 op naslaat: "Weinstein was van het asociale type. Aseksueel zelfs."

Procureur Michel Bourlet: "Voor zover wij weten had Weinstein nooit een vriendin."

Schoonbroer Eric Gilet: "Oké, hij was geen heilige, maar in al die jaren dat we hem volgden, is er nooit sprake geweest van een vrouw. Hij was aseksueel. Het staat allemaal uitgelegd in dat psychiatrisch rapport dat ze in België niet willen kennen."

Marc Dutroux, met een tussen de lijnen hoorbaar lachje tijdens een verhoor: "Hij was impotent."

Bernard Weinstein zelf, met de woorden die buurvrouw Lips-Magotte zich levendig herinnert: "Een vrouw is te duur voor mij."

V.: "Dan zaten we samen op café en zat er een moordgriet aan de toog. Hij keek niet eens. Het was een onderwerp dat hij vermeed. Vrouwen en seks kwamen nooit ter sprake. En geloof me, we hebben vele uren samen doorgebracht."

Bepaald bekoorlijk is Weinstein dan ook niet. Hij verspreidt een weerzinwekkende lijfgeur, als gevolg van een afkeer van water en zeep. In de rue Daubresse in Jumet, waar hij in 1993 neerstrijkt, krijgt hij de bijnaam le rat. "Alles wat hij langs de weg vond, sleepte hij daarbinnen", weet mevrouw Lips nog. "Niemand kon hem van die gewoonte afhelpen."

Weinsteins moeder, die hem een half miljoen frank heeft toegestopt om de chalet te kopen, komt op een bepaald moment nog bij hem logeren om orde te scheppen in de chaos. Ze vertrekt na tien dagen. Voor elke hoop vuil die ze verwijderde, is er een nieuwe in de plaats gekomen.

Maar veel negatiefs willen ze in Jumet verder niet kwijt over Weinstein. "Hij was echt zo'n beleefde jongen, altijd bereid een handje toe te steken", zucht mevrouw Lips. In wijken als deze kampt men om de haverklap met niet startende tweedehandsauto's. En dan was er één adres: Weinstein. Met auto's verrichtte hij wonderen.

Mijnheer V.: "Ik ben Bernard uit het oog verloren nadat hij Brussel verlaten had en zijn intrek nam in een garagebox in Lodelinsart. Wat later kreeg hij op datzelfde terrein van de eigenaar, een zekere Gérard, een keldertje toegewezen. Dat vond hij fantastisch. 'Ik vind het prettig als niemand me weet te vinden', zei hij. Op zekere dag was hij ook daar dan weer vertrokken. Die lui, volgens mij stuk voor stuk autodieven, wilden niet vertellen waar hij was gaan wonen. De chalet in Jumet dus, zo begreep ik achteraf."

De Gérard uit het relaas van V. is Gérard Pinon, een arrestant uit de begindagen van de zaak-Dutroux. Hij is mee de oorzaak van het feit dat de buren de Fransman eind 1995 plots iets minder aardig vinden. In de nacht van 4 op 5 november 1995 weerklinken er schoten in de straat, en die houden verband met een mislukte gijzelingsactie. Dutroux, Weinstein en drie jonge kompanen hebben een vrachtwagen gestolen en tijdelijk gestald in een loods. Op zekere dag is de vrachtwagen verdwenen. Pinon heeft de diefstal verklikt bij GP-inspecteur Georges Zicot, die het vehikel 's nachts zelf is komen wegrijden.

Dutroux verdenkt de drie jongeren, dient hen Rohypnol toe, ketent hen vast en belast Weinstein met de taak hen te bewaken, zodat hij op zoek kan gaan naar een andere potentiële klikspaan. Weinstein valt in slaap, waarop een van de drie zich kan bevrijden en de politie kan bellen.

In tegenstelling tot zijn opvolger Langlois heeft onderzoeksrechter Connerotte nooit een woord geloofd van Dutroux' verhaal als zou hij Weinstein hebben gedood om Julie en Mélissa te beschermen. Hij opende een apart onderzoeksdossier autozwendel (87/96), dat ook de moord op Weinstein behandelt. Volgens Connerotte hield de moord duidelijk verband met het conflict over de gestolen vrachtwagen en de overweging dat Dutroux moet hebben gemeend dat Weinstein met zijn gestuntel een gevaar vormde.

Een speurder: "Men moet de chronologie een beetje kennen. Begin december 1995 moet Dutroux zich melden bij de politie van Charleroi in verband met die gijzelingszaak. Hij heeft vooraf die drie gijzelaars omgekocht, zodat ze hun klachten intrekken. Het enige risico dat hij nog ziet, is Weinstein. Hij gaat pas naar de politie nadat hij alle getuigen heeft omgekocht of vermoord. Hij wil zo vermijden dat hij gearresteerd wordt en zijn huis, waar Julie en Mélissa nog in de kelder zitten, wordt doorzocht."

Mijnheer V.: "Dat hele milieu in Charleroi zag Bernard sowieso als een risicofactor. Een van hen zei hem ooit letterlijk in mijn bijzijn: 'Als de politie jou ooit op de rooster legt over een of andere diefstal, ga je direct door de knieën.' Hij was geen held, geen harde. Trouwens, je moet logisch redeneren. Weinstein had wél vrienden, mensen die ik persoonlijk heb gekend. Er was Gérard, maar ook anderen. Vindt u het normaal dat geen enkele van die lui aangifte doet als blijkt dat ze negen maanden lang niets horen van Bernard? De verklaring is simpel. Zij wisten dat Weinstein een stommiteit had begaan tijdens die gijzelingsactie en dat het milieu met hem de rekening had gepresenteerd. Was er een ander motief geweest, dan had er toch minstens één - al was het maar via via - even laten informeren naar Weinstein?"

Bernard Weinstein stierf op een belachelijke manier, tenminste als we het relaas van Marc Dutroux mogen geloven. De eens in Frankrijk zo gevaarlijk geachte gangster werd omgebracht met een boterham met paté.

"Ik heb hem uitgenodigd voor het middageten en gaf hem boterhammen. Toen hij slaperig werd, heb ik hem er nog wat extra gegeven, deze keer ging het om volledige tabletten."

Om welk product ging het?

"Rohypnol."

Hoe hebt u zijn lichaam doen verdwijnen?

"Vroeg in de ochtend heb ik hem in de put gegooid die ik eerder gemaakt had en die heb ik dan weer dichtgegooid. Ik was beginnen oefenen met de graafmachine. Ik had uitgeprobeerd hoe diep je ermee kon gaan. Die put heb ik enkele dagen voor de moord op Weinstein gegraven."

Hoe hebt u het lichaam verplaatst?

"Ik heb hem gebracht met de Ford Fiesta, de auto die ik van hem had gekocht."

Was hij al dood?

"Nee, van Rohypnol ga je niet dood."

Hoe hebt u hem in die put gegooid?

"Ik heb eerst zijn broek uitgetrokken en hem zijn jas en zijn schoenen afgedaan."

Waarom deed u dat?

"Om hem te vernederen. En ik wist dat hij ze toch niet meer nodig had." (Verhoor Marc Dutroux, 19 september 1996)

Mijnheer V. zal hoe dan ook nog even moeten wachten voor hij eventueel nog eens kan getuigen. Het dossier autozwendel werd drie jaar geleden onder impuls van Langlois overgeheveld naar het parket van Nijvel, waar nu geklaagd wordt over het uitblijven van de benoeming van een onderzoeksrechter die de zaak ter harte zou moeten nemen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234