Woensdag 20/10/2021

Luk Perceval gaat zevende en laatste seizoen in bij Het Toneelhuis

Luk Perceval maakte enkele grootse voorstellingen, maar zijn ambitie om nieuwe makers voor de grote zaal te kweken, kon hij niet waarmaken

De tropenjaren zijn voorbij, tijd om de vruchten te plukken

Het voorwoord van Luk Perceval in de nieuwe seizoensbrochure van Het Toneelhuis is nu al een soort van afscheid, goed een jaar voor hij naar Duitsland trekt om daar zijn regisseurscarrière verder uit te bouwen. De artistiek leider blikt terug op twintig jaar regisseren binnen en buiten Antwerpen en bedankt op het eind 'de stad en haar theatervolk die mij zo verschrikkelijk veel gegeven en geleerd hebben'. En wat hebben Perceval en zijn Toneelhuis óns gegeven en geleerd?

Wouter Hillaert

Het minste wat je kunt zeggen is dat de verwachtingen huizenhoog waren, toen op 20 mei 1997 officieel de fusie bekendgemaakt werd tussen de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) en Blauwe Maandag Compagnie (BMC). De buitenwacht bombardeerde het kersverse Toneelhuis meteen tot een 'supergezelschap', terwijl het nakende seizoen 1997-1998 prompt uitgeroepen werd tot het jaar nul van het Vlaamse theater. Het toneellandschap heette 'in meer dan één bedje ziek' en de operatie-Perceval zou de nodige dynamiek teweegbrengen om het daarvan te genezen. Zelf heeft de artistiek leider dat soort van verwachtingen steeds proberen te relativeren, door te wijzen op de tropenjaren die het Toneelhuis-project nodig had om op kruissnelheid te komen. Hij gaf zichzelf en zijn ploeg drie seizoenen.

De grote breuk die de geboorte van Het Toneelhuis betekende, kan in historisch opzicht ook nauwelijks overschat worden. De nieuwe leiding maakte schoon schip met de verstarde structuren van de KNS, met de politieke inmenging, de acteurscontracten van onbetaalde duur en het ambtenarenstatuut van het omkaderend personeel. Nog belangrijker is de nieuwe visie op het gegeven 'stadstheater' die daarbij ingang vond. De tanende tegenstelling tussen het centrum (de ensembletheaters met hun klassieke repertoiretraditie) en de periferie (de kleinere gezelschappen met hun vormexperimenten) werd finaal doorbroken. Het dichtgebetonneerde bastion dat de Bourla was, gooide de poorten open voor al die generaties theatermakers die jarenlang hun eigen kleine structuren hadden moeten oprichten buiten de muren van de stadstheaters en hun grote zalen. Het typisch Vlaamse model van het kunstencentrum werd doorgetrokken naar het grote plateau en gekoppeld aan een progressieve instelling tegenover repertoire en gezelschapsvorming.

Rond die inbraak op het oude systeem bouwde het jonge Toneelhuis een discours dat sinds de eigenlijke opstart op 29 augustus 1998 nauwelijks veranderd is. Het Antwerpse stadstheater wil 'een open huis met vele kamers' zijn, 'een stationshal op het kruispunt van dwarse initiatieven'. Het wil zijn programma opbouwen rond 'risico's en paradoxen' en 'niet uitgaan van de zekerheid, maar van de noodzaak'. Daarbij wordt een lans gebroken voor jong talent, vooral van de Antwerpse toneelopleidingen, met als oorspronkelijk doel 'nieuwe regisseurs klaar te stomen voor de grote zaal' en 'ruimte vrij te maken in de periferie'. De pols van de eigen stad voelen, is van centraal belang. "Wij moeten het maatschappelijke debat stimuleren. Het is tijd om stelling te nemen", zei Perceval in een interview in 1998. Dat was toen, en dat hele discours is opvallend geënt op wat het Vlaamse theater op dat moment hard nodig had, en wat de vroegere KNS had nagelaten. Nu zijn we zes jaar later, het veld ziet er helemaal anders uit. Waar staat Het Toneelhuis nu?

HET TOON-VEEL-HUIS

Het is erg moeilijk om door de programmering van Het Toneelhuis een rode draad te traceren. Het huis staat voor de veelheid op zich. Vooral de eerste seizoenen leek een loutere interesse van allerlei makers al een voldoende voorwaarde om een plaatsje te verwerven in het drukke voorstellingenprogramma. Die extreme openhuisfilosofie heeft zich nu wat meer uitgezuiverd, vanwege de grote verschillen die soms opdoken in repetitiewijzen en artistieke visie tussen de diverse gastregisseurs of ensembles en het grote huis. Zo bleef het bij slechts één bezoek van Fabre, en zijn ook Antwerpse ensembles als De Koe, De Roovers en STAN snel teruggekeerd naar hun vertrouwde Monty. Maar dat heeft Het Toneelhuis amper een duidelijker gezicht gegeven. Ook de laatste jaren spelen Percevals meestervoorstellingen zij aan zij met aangezette komedies à la Food Chain of De Jossen, vormexperimenten als Het sprookjesbordeel of Crash en daarnaast nog eens allerhande jongerenprojecten, een weinig continu receptief beleid en een amalgaam van muziekconcerten. Die diversiteit heeft verschillende redenen. Allereerst hoort het bij de opdracht van het stadstheater om een divers publiek aan te spreken, terwijl dat publiek onder invloed van de tijdgeest steeds verder versplinterd is geraakt in erg veel deelpublieken. Daarnaast is het volgens vaste dramaturg Jan Van Dijck "vrijwel onmogelijk om een groot theater in te vullen volgens één stringente artistieke lijn, zonder allemaal klonen van Perceval te krijgen". Rond de persoon van de artistiek leider wordt dus een evenwicht gezocht: tussen enerzijds diens herkenbare stijl en thematiek en anderzijds de misbaarheid daarvan. Het Toneelhuis wil meer zijn dan Perceval, maar in veel merk je toch dat het huis vormgegeven is naar zijn specifieke hand. Perceval is voor alles een regisseur en zo heeft hij ook zijn ploeg en zijn artistiek beleid bijeengerepeteerd. Mensen worden samen gezet om te zien wat daar uit kan komen. De autonomie van de verschillende makers staat daarbij centraal, meer dan het ensemble zelf. Het Toneelhuis vertrekt niet van een vooraf bepaalde visie, zoals in KVS/de Bottelarij, maar van een interne praktijk.

Het goede daarvan is dat Het Toneelhuis zijn startambitie om interessante tendensen aan te zuigen naar het centrum, nog steeds weet waar te maken. Zo zijn met het technologische theater van Crew en het mystieke vormenwerk van Wayn Traub meteen twee goede antwoorden in huis gehaald op de vraag wat vandaag nog de functie kan zijn van theater. Maar de dynamiek en de bevruchting die dat soort van verruimingen binnenhuis teweeg zou brengen, wordt maar weinig weerspiegeld op Het Toneelhuis-podium als geheel. Een eigen gezicht was nochtans een belangrijk criterium voor de adviescommissie Podiumkunsten, in haar beoordeling van de stadstheaters voor de structurele ronde van 2001-2005. Ook los daarvan is een herkenbare stempel iets wat je toch mag verwachten van een groot huis: dat het door zijn voorstellingen ergens voor staat. Dat hoeft daarom geen streng artistiek dogma te zijn. Wel een samenhang van thema's en stijlen die verder gaat dan losse ijkpunten als de claustrofobische familie, de focus op Duitsland en het zoeken naar een kernachtige naaktheid.

IN HET HOL VAN HET BLOK

Zo'n coherent profiel zou bijvoorbeeld een sterke relatie met de stadsomgeving kunnen zijn. Zo heeft Het Toneelhuis zich in zijn beginjaren ook gepresenteerd: als een gezelschap van en voor Antwerpen, dat "de geesten in de stad wakker wou houden". Relletjes met de gemeenteraad en het Antwerpse publiek over zogenaamd zedenschennende voorstellingen als Liefhebber of Franciska werkten dat willens nillens in de hand. De laatste seizoenen zie je die directe maatschappelijke betrokkenheid veel minder. Zakelijk leider Stefaan De Ruyck ontkent dat niet, maar nuanceert. "Het klopt dat onze focus zich wat verlegd heeft naar onze functie als reizend gezelschap met een sterk internationale werking. Die verschuiving heeft te maken met het gevoel dat onze rigoureuze opstelling bepaalde partijen in deze stad eerder in de hand werkten. Nu pakken we het anders aan, door bijvoorbeeld met projecten als Men zegge het voort te gaan werken in de wijken. Bovendien blijven we investeren in de Bourla als symbool voor het brede Antwerpse publiek, met ook muziekconcerten." Interessante initiatieven als Men zegge het voort of 2B/NOT2B, waarin amateurs en sociaal kwetsbare doelgroepen met eigen vertelmateriaal een voorstelling maken, vallen bij Het Toneelhuis vreemd genoeg onder het luikje 'publiekswerking'. Sinds eind 2001 is daar binnen het huis een aparte cel voor, mede onder impuls van de discussie over de sociale mix. Alleen blijft dat een keuze die nog nauwelijks doorvloeit naar de eigenlijke artistieke werking. Zelden wordt uit de eigen Antwerpse context materiaal opgevist voor een grotere voorstelling, terwijl ook het personeelsbeleid van het stadstheater nauwelijks verankerd zit in de multiculturele context waarin het functioneert. Het moet ook, afgezien van het erg Nederlands getinte Tim van Athene, geleden zijn van het pedofiliethema in Asem (september 2001) dat Het Toneelhuis zich in de Bourla nog pertinent verhield tot het publieke debat in Vlaanderen. De hete adem van het Vlaams Blok kan daar moeilijk de enige reden voor zijn.

Hoe dan ook is Het Toneelhuis in al die tijd wel erg actueel gebleven in zijn omgang met repertoire. Geen Shakespeare of klassieke tragedie of die krijgt via een intensieve tekstbewerking een hedendaagse aanspraak. In de regies van Perceval zelf rust daaronder ook wel degelijk een blijvende zin in confrontatie. Hij is de samenleving en zijn perverse uitwassen gewoon meer gaan bekijken op microniveau: vanuit de individuele frustraties en de liefdespijn die er hangt tussen tot elkaar gedwongen mensen (Aars!, Andromak, Macbeth). En door de koppeling van die thematiek aan een intensief vormonderzoek naar taal, ruimte en gebalde expressie heeft dat Het Toneelhuis de laatste jaren een paar grootse voorstellingen opgeleverd, tussen humor en onbehagen in. Daarmee heeft Perceval, met in zijn zog de betere Jan Decorte, grotendeels de grote ambities waargemaakt uit het beleidsplan 2001-2005: "Een artistiek ijkpunt te zijn dat het repertoire voor de grote zaal weer autoriteit geeft en als norm kan gelden waar de marge (en het landschap) zich kan tegen afzetten of spiegelen."

n Amlett was de onbetwiste succesproductie van Het Toneelhuis van de afgelopen jaren. Jan Decorte kon de stunt echter niet herhalen. Dit voorjaar stapte hij om gezondheidsredenen uit het gezelschap.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234