Zaterdag 19/10/2019

Interview

Loïc Van Impe, de nieuwe tv-kok van VTM: ‘Ik lijk misschien nonchalant, maar ik weet goed wat ik wil’

Het kan snel gaan in een televisiekeuken: een jaar geleden leerde Loïc Van Impe (25) in zijn online kookprogramma #Kotfood studenten hoe ze een volwaardig gerecht konden maken met een appel, een ei en een microgolfoven, vandaag staat hij met Zot van koken elke dag tegenover Jeroen Meus geprogrammeerd als de nieuwe culinaire hoop van VTM. Een gesprek tussen pot en pan.

Hoe beu ben je het intussen om als de nieuwe Jeroen Meus omschreven te worden?

“Het zijn vooral journalisten die die vergelijking maken. (lacht) Maar beu word ik het niet. Jeroen is misschien wel mijn grootste voorbeeld: ik kijk enorm op naar hem. Ik ben opgegroeid met de Jerre op tv: toen ik 15 was en voortdurend wilde bijleren over koken, keek ik elke dag naar Dagelijkse kost. De stijl die je vandaag in alle Vlaamse kookprogramma’s ziet, heeft híj uitgevonden, hè. En tien jaar later staat hij er nog altijd.”

Snap je vanwaar die vergelijking komt?

“Natuurlijk, we komen allebei uit het Leuvense en we hebben allebei zwart haar. (lacht) Omdat we nu tegenover elkaar geprogrammeerd staan, is het een erg makkelijke vergelijking. En ja, Jeroen was een grote invloed, dat valt niet te ontkennen. Maar dat waren Jamie Oliver, Gordon Ramsay en Joël Robuchon óók.”

Kende je nog pubers die vooral tv-chefs als idool hadden?

“Die moeten er wel geweest zijn. Nu, als je opgroeit bij ouders die voltijds met koken bezig zijn, lijkt het al snel normaal om hele dagen te koken. Als ik een aflevering van Dagelijkse kost had gemist, haalde ik die in op de website. Vandaag doe ik dat nog altijd: op YouTube of Netflix kijk ik vrijwel alléén maar naar kookprogramma’s.”

Heb je Jeroen Meus ooit ontmoet?

“Jawel. De eerste keer was in de backstage van Rock Werchter: ik draaide daar filmpjes voor #Kotfood toen ik hem zag bij zijn Würst-stand. Ik was aan het stressen en het beven, maar we hebben wat gebabbeld en hij wist zelfs wie ik was. Hij vond mijn filmpjes cool, zei hij. Ik heb zelfs een hotdog van hem gekregen. (lacht) Daarna hebben we een paar keer afgesproken op café. Het doet me deugd dat we elkaar nu een berichtje kunnen sturen om elkaar succes te wensen.”

Heb je hem al gehoord sinds je bezig bent met Zot van koken?

“Zodra het programma aangekondigd werd, belde hij om me succes te wensen en om te zeggen dat ik hem altijd vragen mocht stellen. Dat vond ik heel tof.”

Is hij meer een goede collega dan een concurrent?

“Maar natuurlijk! Ik zie hem zelfs als mijn mentor. Echt, ik vind die battle tussen Zot van koken en Dagelijkse kost niet zo belangrijk, hoor. Dat is vooral iets wat de zenders bezighoudt.

“Begrijp me niet verkeerd: ik vind het een compliment dat ik met Jeroen vergeleken word. Maar het is ook wat jammer. Ik wil namelijk laten zien wie ík ben, iemand met een eigen stijl. Maar ik ben ook geen professionele chef zoals hij, en ik wil ook niet doen uitschijnen dat ik dat wel ben.”

Je laat geen kans onbenut om te benadrukken dat je géén chef bent. Waarom is dat zo belangrijk?

“Een chef is voor mij iemand die van koken zijn job heeft gemaakt. Ik heb wel altijd vakantiejobs gedaan in de horeca, maar ik ben niet naar de hotelschool gegaan en heb geen ervaring in restaurants opgedaan. Het was wel mijn droom om chef te worden, maar ik mocht niet van mijn ouders. En dan is dit de beste manier om toch in de buurt te komen. (lacht) Ik combineer het met tv-maken, wat wél mijn job is (Loïc is monteur bij productiehuis Lecter Media, red.).”

Jij bent anders wel het beste bewijs dat je perfect kunt leren koken zonder dat diploma en die restaurantervaring.

“Ik heb in de eerste plaats van mijn moeder leren koken: zij heeft twintig jaar lang een traiteurszaak gehad. De vijzel die je in Zot van koken in mijn keuken ziet staan, is van haar. Daarnaast heb ik sinds mijn 8ste als een bezetene naar kookprogramma’s in alle talen gekeken. Je leert er zó veel uit. Er is erg veel materiaal voorhanden om te leren hoe je een goede kok kunt worden. En volleerd ben je nooit, dat geldt ook voor de beste chefs. Dat is het mooie aan koken: je bent er nooit klaar mee.”

Waarom mocht je destijds niet naar de hotelschool gaan van je ouders?

“Mijn moeder was ertegen: mijn ouders zijn gescheiden, en ik woonde vooral bij haar. Het beroep van kok kan prachtig zijn, denk maar aan alle sterrenchefs die we in België hebben, maar je kunt er niet omheen dat het een keiharde stiel is. Eén waarin veel mensen moeite hebben om goed hun boterham te verdienen, waarin ze overwerkt rondlopen, en waarin er op de koop toe veel problemen zijn met alcohol en drugs. Ik denk dat mijn moeder me daarvoor wilde behoeden. Ze heeft zelf twintig jaar lang op de onmogelijkste uren gewerkt, op elke feestdag… Zij had minder goede herinneringen aan haar leven in de horeca, en ze wilde vermijden dat ik hetzelfde zou meemaken. Nu begrijp ik dat, maar in mijn puberjaren heb ik wel een tijdlang kwaad rondgelopen. (lacht)

Heb je het haar al vergeven?

“Natuurlijk. Toen ik wat ouder werd, snapte ik waarom ze het been stijf hield. En nu steunt ze me voluit, dat doet deugd. Maar ik heb mijn droom nog niet opgeborgen: ik wil nog altijd bewijzen dat ik wel chef had kunnen worden. Het is een aartsmoeilijke opleiding, maar ooit wil ik dat diploma in handen hebben.”

Zijn alcohol en drugs echt zo’n probleem in de keuken?

“Ik vrees van wel, ja. Ik heb Kitchen Confidential van Anthony Bourdain gelezen, over de New Yorkse restaurantwereld (Bourdain stapte vorig jaar uit het leven, red.). Een fantastisch boek, maar ook ontluisterende lectuur. Omdat de werkdruk in restaurants zo hoog is, storten heel wat chefs en personeelsleden zich op drugs – soms gewoon om wakker te kunnen blijven. Of ze vliegen in de alcohol, tegen de stress.”

Het is nochtans een romantisch beeld, de kok met zijn glas wijn achter het fornuis.

“Het lijkt erbij te horen. Maar mijn vader staat ook in de keuken, en hij heeft ondervonden dat een uitlaatklep als alcohol problematisch kan worden als je elke dag afgesloten bent van de buitenwereld en de werkdruk moordend wordt.”

Is je vader een echte chef?

“Ja, maar hij hangt de klassieke Franse keuken aan – we hebben soms heftige discussies over de precieze bereidingswijze van een gerecht. (lacht) In Zot van koken doe ik ongetwijfeld dingen die voor een purist niet door de beugel kunnen. Maar je mag af en toe de regels aan je laars lappen, vind ik.

“Wie me al langer kent, weet dat ik graag een microgolfoven gebruik. Voor veel chefs is dat vloeken in de kerk. Natuurlijk is een goede oven goud waard in de keuken. Maar ik probeer mensen te tonen dat een microgolf een heel handig toestel kan zijn dat je ook voor andere dingen kunt gebruiken dan voor het opwarmen van kant-en-klare gerechten.

“Ik maak een programma voor een breed publiek, hè. Ik ga niet het verschil uitleggen tussen brunoise of julienne, twee snijtechnieken, want wat ben je daar als kijker mee? Als het gerecht lekker is, dan maakt het toch niet uit hoe je je groenten gesneden hebt?”

Vindt je vader dat ook?

“Nee. (lacht) Bearnaisesaus is ook zo’n twistpunt: hij vindt dat er absoluut verse dragon en roomse kervel in moet, en dat je de boter moet klaren. Maar dan duurt het zes uur voor je saus hebt. ‘Bij mij is het toch ook lekker?’, zeg ik dan. Waarop hij: ‘Ja, maar het is géén bearnaisesaus.’ (lacht) Hij streeft ook naar de lekkerste garnaalkroketten. Akkoord, ze zijn enorm lekker, maar dat mag ook wel: hij is er víér dagen aan bezig. Bij mij moet het iets sneller gaan, want een aflevering duurt maar een dik kwartiertje.”

Ben je snel zelfstandig geworden, als zoon van ouders die zich te pletter werken?

“Vanaf mijn 15de deed ik studentenjobs in keukens, na schooltijd en in het weekend. Ik hield ervan om mijn eigen boontjes te doppen: ik wilde van niemand afhankelijk zijn. Mijn rijbewijs heb ik bijvoorbeeld gehaald op de dag dat ik 18 werd, omdat ik het beu was om mensen om een lift te vragen. Ik ben er als de dood voor om iemand lastig te vallen, ik doe liever alles zelf. Soms op het obsessieve af, vrees ik. Voor Zot van koken móét ik wel dingen loslaten, want dat kun je onmogelijk in je eentje maken. Dat was wennen, want voor #Kotfood deed ik alles zelf, van het koken en de montage tot de afwas. Dat kan ook fout aflopen, heb ik vorig jaar geleerd. Ik heb toen geprobeerd iets voor YouTube te maken, maar het ging nergens heen, en ik ben ermee gestopt. Ik heb geleerd dat ik niet per se alles onder controle moet hebben.”

Waar komt die obsessieve kant vandaan?

“Van mijn moeder. Van haar heb ik geleerd dat je hard moet werken, en dat je je uren niet mag tellen in de horeca, want dan ben je mentaal al failliet. Ik kom in Zot van koken misschien nonchalant over, maar ik weet heel goed wat ik wil.”

Omdat je niet naar de hotelschool mocht gaan, heb je aan het RITCS voor beeldmonteur gestudeerd. Had je dan meer werkzekerheid?

“Reken maar: ik had mijn eerste contract als monteur getekend in april, terwijl ik pas in juni zou afstuderen. We waren ook maar met veertien laatstejaars. Maar ik had niet meteen voor het RITCS gekozen. In het laatste jaar van het middelbaar leek het wel een opbod: ‘Ik ga dokter worden!’ ‘En ik ga ingenieur worden!’ Omdat mijn moeder me op het hart had gedrukt dat ik een goede studierichting moest kiezen, leek dat laatste me een goed idee en ben ik me gaan inschrijven voor de studie burgerlijk ingenieur. Maar toen ik goed had rondgekeken in die zaal, ben ik weer naar huis gegaan. ‘Nee, dat wordt het niet’, zei ik tegen mijn ma.”

Wat schrikte je af?

“Zowat alles. (lacht) De sfeer, de andere studenten die zich kwamen inschrijven – allemaal Einsteins, zo leek het wel. Ze waren alleszins veel slimmer dan ik.

“Ik zat toen in een bandje met een vriend die voor klankman studeerde, en muziek producen leek me wel wat. Op Google typte ik ‘audio’, ‘studie’ en ‘hoger onderwijs’ in, en het resultaat was het RITCS. Dat het ook in Brussel was, gaf de doorslag: ik ben opgegroeid in Tervuren. Ik begon in de richting Geluid, maar na enkele weken kreeg ik door dat het wel erg weinig over muziek en mengtafels ging. Ik stuurde een mail naar een leerkracht en die antwoordde: ‘Dit is wel een filmschool, hè.’ (lacht) Toen ben ik maar verhuisd naar de montageopleiding.”

Is monteren te vergelijken met koken?

“Het is ook puzzelen, met de bedoeling tot een mooi geheel te komen. En af en toe moet je wat bijkruiden, hè. Met peper en zout, of door je muziek en je fragmenten beter op elkaar af te stemmen.”

Werd je niet raar bekeken aan het RITCS, met je passie voor koken?

“Nee, iedereen heeft er wel een passie, en dat probeer je ook in je schoolwerk te tonen. Ik ben er begonnen met #Kotfood, maar anderen met een passie voor dansen maakten bijvoorbeeld dansclips.”

Je hebt daarna als monteur gewerkt voor De keuken van Sofie, met Sofie Dumont. Heb je daar veel bijgeleerd?

“Ik heb zo’n driehonderd afleveringen van De keuken van Sofie gemonteerd. Daar heb ik gezien hoe je een kookprogramma opbouwt tot een mooi geheel van vijftien minuten.”

Kon je toen al vermoeden dat je ooit zelf achter de potten zou staan?

“Ik hoopte er stilletjes op, maar de zenders leuren niet met dagelijkse kookprogramma’s, dus ik dacht niet dat het er écht van zou komen. De vraag van VTM kwam pas nadat ik voor Iedereen beroemd op Eén een dagboekreeks had gemaakt over de zes maanden die ik en mijn vriendin in Japan hebben doorgebracht. Plots pasten een heleboel puzzelstukjes in elkaar: mijn opleiding aan het RITCS, mijn liefde voor koken én mijn liefde voor België – dat ik Zot van koken mag maken voor VTM en voor de Waalse zender RTL-TVI, is namelijk ook een droom die uitkomt. Ik ben thuis opgevoed in het Frans, maar heb vanaf de kleuterschool les gekregen in het Nederlands. Ik voel me zowel Waal als Vlaming, maar in de eerste plaats voel ik me vooral Belg.”

Hoeveel werk kruipt er in zo’n dagelijks kookprogramma?

“We hebben een vaste ploeg van vijf à tien man, die momenteel fulltime bezig zijn. En vaak méér dan fulltime. Er kruipen honderden manuren in één aflevering. En het begint met de recepten verzinnen: daar ben ik voortdurend mee bezig. Kijk, ik heb altijd en overal een schriftje bij me waarin ik ideeën kan noteren. Inspiratie kan ik overal krijgen. Vorige week heb ik bij mijn oma varkenswangetjes gegeten, en ze had er een simpel sausje met sjalotjes bij gemaakt: superlekker, en misschien doe ik er iets mee in Zot van koken.”

Je hebt een halfjaar met je vriendin in Japan gewoond. Is het je daar bevallen?

“Het was zonder overdrijven een zálige tijd. Ella en ik hebben er ons hart verloren. Ella had de kans gekregen om daar aan een universiteit te studeren, waarop ik dacht: ik ga mee. Commercieel gezien niet de slimste beslissing: mijn #Kotfood-reeks liep goed en het kookboek kwam net uit – de uitgever viel om toen hij hoorde dat ik een halfjaar zou verdwijnen. (lacht) Maar ik was na mijn studie meteen beginnen te werken, ik was wel toe aan een sabbatjaar. En Japan maakte het allemaal de moeite waard: het is een uniek land met een prachtig volk – de mensen zijn er zo lief en respectvol. Vóór onze terugkeer hebben Ella en ik de Japanse tekens voor ‘Japan’ op ons lichaam laten tatoeëren.”

Zou je er zelf kunnen wonen?

“We hebben het al een paar keer tegen elkaar gezegd: ‘Stel dat het niets wordt met die carrières van ons, dan verkassen we definitief naar Japan.’ Pas op, het is niet makkelijk om je daar te integreren. Je zult altijd een gaijin blijven, een buitenlander. In dat halfjaar heb ik maar twee echte vrienden gemaakt. Het is een cultuur van extremen: als Japanners werken, willen ze de perfectie benaderen, en als ze uitgaan, feesten ze zich te pletter. Dat extreme zie je ook in hun gedrag: iedereen is er erg beleefd tegen je, maar tegelijk is het bijzonder moeilijk om door die oppervlakkige laag te dringen en iemand persoonlijk te leren kennen.”

Heb je er ook een woordje Japans geleerd?

“Dat moest wel, want je kunt er uren zoeken naar een Japanner die Engels kan. ‘Okay’, ‘yes’, en ‘no’: meer kennen ze niet. In de meeste gevallen moet je je behelpen met gebarentaal. Het is écht zoals in Lost in Translation: die film geeft een goed beeld van hoe je je daar voelt als buitenlander. Je probeert dus wat Japans te leren, maar het meeste vergeet je als je terug thuis bent, helaas.

“Voor wie bezeten is van koken, is Japan wel het paradijs: de Japanse keuken bestaat al duizend jaar en evolueert nog altijd. Je kunt niet anders dan daar respect voor opbrengen. Ik heb er veel bijgeleerd. Wist je bijvoorbeeld dat ze daar erg veel aubergines eten?”

Waar hebben jij en Ella elkaar leren kennen?

“Via gemeenschappelijke vrienden, we kennen elkaar al vrij lang.”

Jullie wonen intussen samen: kook jij thuis altijd?

“Altijd. Maar tijdens de opnameweken voor Zot van koken durf ik weleens een overschotje mee naar huis te nemen.”

Een tijdje geleden was je ook in De zevende dag op Eén te zien.

(lacht) Ik heb toen tien afleveringen lang een gerecht klaargemaakt dat op de één of andere manier gelinkt was aan iemand die die week in de aandacht stond.

“Ik vind De zevende dag ideale kater-tv als je op zaterdagavond uit bent geweest: het gaat traag genoeg om te kunnen volgen.”

Is er dan zo’n bruisend uitgaansleven in Tervuren?

“Dat niet. Ik ga trouwens liever op café dan naar een club. Maar naar festivals ga ik wel graag. Samen met vrienden organiseer ik al negen jaar ons eigen dancefestival in Tervuren. Het is veel werk, maar als je drieduizend mensen ziet dansen, is het dat meer dan waard.”

Je speelt zelf ook nog altijd muziek, niet?

“Ik speel gitaar bij Into Nebraska. We omschrijven onze muziek als lawaai. (lacht) Je hebt in België de bekende groepen, en dan heb je B-groepen. Wij bevinden ons ongeveer op G-niveau: we hebben geen enkele ambitie. Of toch niet meer: natuurlijk begin je eraan met de droom ooit ergens te raken, maar we hebben stilaan door dat we niet de beste groep zijn. (lacht) Dat werd ons ook verteld op de muziekwedstrijden waaraan we deelgenomen hebben. Telkens was het van: ‘Jongens, tof dat jullie meedoen, maar er zijn mannen die toch nog iets beter zijn.’ Niet erg, we amuseren ons zo ook wel.”

In Zot van koken komt je gitaar af en toe in beeld.

“Ja, tussen twee opnames door neem ik die weleens vast. Of ik leg een loeiharde plaat op. De ploeg wordt er soms hoorndol van. (lacht)

Ik heb een foto gevonden van jou met Dave Grohl. Is hij een gitaarheld van je?

“Hij is dé gitaarheld. Ik ben wat je noemt een superfan, en ik ben geobsedeerd door de Foo Fighters. Ik ben zo’n psychopaat die tien, elf uur voor de deur van de concertzaal wacht om dan als een gek naar binnen te stormen om vooraan te kunnen staan. Ik heb zelfs altijd een plectrum van Dave op zak – ik wil je dat gerust tonen, maar je moet beloven dat je er niet aan komt.

“Die foto is genomen op een foodfestival, vorig jaar in Los Angeles. Ik zou er met enkele vrienden naar een muziekfestival gaan, en ik las kort voor ons vertrek dat de vrouw van Dave Grohl ongeveer gelijktijdig een foodtruckfestival zou organiseren in de buurt. Wij stonden daar al om tien uur ’s ochtends, en wie zien we daar met een schort aan taco’s maken? Dé Dave Grohl. Ik stond te trillen op mijn benen! Ik heb al mijn moed verzameld en ben naar hem toe gestapt. We hebben een paar minuten gepraat, en hebben daarna die foto genomen. Wie kan dát zeggen, dat hij een taco van Dave Grohl heeft gekregen?”

Bij wie was je het zenuwachtigst, bij Dave Grohl en zijn taco’s of bij Jeroen Meus en zijn Würsten?

“Bij Dave Grohl. Toch wel, ja. (lacht)

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234