Dinsdag 22/06/2021

Literatuur van het onwoord

Boeiend beschouwelijk werk van Samuel Beckett

door Dirk Van Hulle

Samuel Beckett

Uit het Engels vertaald door Vertalerscollectief & Ronald Kuil Historische Uitgeverij, Groningen, 183 p., 900 frank.

In 1928, toen Samuel Beckett nog maar net was aangesteld als assistent aan de Ecole Normale Supérieure in Parijs, bracht zijn collega Thomas MacGreevy hem in contact met James Joyce. Nog geen maand later vertrouwde Joyce hem de opdracht toe om een essay te schrijven over zijn 'Work in Progress', dat toen nog niet Finnegans Wake heette. Het essay zou deel uitmaken van een bundel met een twaalftal bijdragen van gunstig gestemden die verscheidene aspecten van het boek in spe belichtten. Omdat Beckett Italiaans kende, vroeg Joyce hem iets te schrijven over Dante, Giordano Bruno en Giambattista Vico. Over de laatste twee had Beckett nog nauwelijks iets gelezen, maar dat maakte niets uit; Joyce was in de buurt en zorgde er wel voor dat zijn werk in het juiste daglicht werd geplaatst.

Zo kwam Beckett onverwachts in contact met taalfilosofie. Vico's cyclische visie op de geschiedenis, waarop de structuur van Finnegans Wake is gebaseerd, weerspiegelt zich ook in zijn opvatting over de evolutie van de taal: van poëtisch naar abstract taalgebruik, om van dat stadium opnieuw naar een poëtische taal te evolueren waarin vorm en inhoud weer samenvallen. Die laatste ricorso, of het sluiten van de cirkel, heeft Joyce volgens Beckett verwezenlijkt in zijn 'Work in Progress'. Een van de voorbeelden die hij citeert is de manier waarop Joyce twijfel uitdrukt door het hopeloos ontoereikende "doubt" te vervangen door een bijna "zintuiglijke suggestie" van besluiteloosheid: "in twosome twiminds".

Al vanaf die eerste publicatie is de ontoereikendheid van de taal een centraal thema, waarop Beckett heel zijn oeuvre lang blijft variëren. Alweer via MacGreevy kreeg hij de kans om een essay over Proust te schrijven. In Becketts exemplaar van de Recherche zijn opmerkelijk veel passages aangestreept die over gebrekkige communicatie gaan, zoals het eigengereide taalgebruik van de huishoudster Françoise en de directeur van het Grand-Hôtel in Balbec. Beckett trekt zijn conclusies: "Er is geen communicatie omdat er geen dragers voor de communicatie zijn."

Bovendien: "We zijn alleen. We kunnen niet kennen en we kunnen niet gekend worden." Wij weten vaak alleen maar wat we willen weten. Wat wij menen te kennen is niet meer dan een herkennen; de gewoonte weerhoudt ons er volgens Proust van om door te dringen tot de "essentie van de dingen". Het idee dat er geen enkele betrouwbare relatie bestaat tussen de taal en de werkelijkheid was voor Beckett een reden om er zonder ophouden op te wijzen dat de taal niet in staat is enige essentie uit te drukken - in het volste besef dat hij enkel de taal had om die onmacht te verwoorden.

In een belangrijke brief aan Axel Kaun uit 1937 schrijft Beckett (in het Duits) hoe het voor hem steeds moeilijker en zinlozer wordt om correct Engels te schrijven: "steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken." Hij licht zijn vriend in over zijn plan om door te dringen tot het "aan alles ten grondslag liggende zwijgen". Wat hij voor ogen heeft is een "literatuur van het onwoord", die volgens hem een absoluut contrast vormt met de apotheose van het woord waar Joyce op dat moment mee bezig is.

In Dream of Fair to Middling Women had Beckett dat programma al enigszins uitgewerkt, tenminste in theorie, want in de praktijk draagt dat werk nog overduidelijk het stempel van Joyce. In Disjecta is een fragment opgenomen uit dit postuum uitgegeven werk, waarin het hoofdpersonage Belacqua aankondigt dat hij een boek zal schrijven. Daarin zal hij de stilten zo vaardig verwoorden dat de eigenlijke leeservaring zich zal bevinden in de rusten tussen de formuleringen, de gaten in het taalweefsel.

Maar het blijft voorlopig bij dit voornemen. Het volgende deel van Disjecta omvat twaalf teksten "over literatuur". De meeste hiervan zijn vroege recensies, onder meer van vertaalde gedichten van Rilke. Die heeft volgens Beckett gewoon "de kriebels, een aandoening die wel degelijk - zoals af en toe ook bij Rilke - kan leiden tot poëzie van hoog niveau," maar die nogal wat Duitse dichters met God verwarren: "Klopstock leed zijn leven lang aan de kriebels, en noemde ze Messias."

In het laatste deel, "over schilderkunst", komen vooral Geer en Bram Van Velde ter sprake, die volgens Beckett datgene schilderden wat hun belette te schilderen; "hun schilderkunst is de analyse van een toestand van gemis." In de derde van de 'Drie dialogen' met Georges Duthuit geeft Beckett grif toe dat wat hij over Bram Van Velde beweert, niet meer is dan wat hij graag denkt dat deze schilder doet. Via die omweg komt de lezer daarom veel over Becketts eigen poëtica te weten, zoals de stelling dat een kunstenaar moet falen zoals geen ander dat durft: "Er zijn vele manieren waarop dat wat ik vergeefs probeer te zeggen, vergeefs gezegd kan worden."

De titel Disjecta is door Beckett zelf gekozen. In de verantwoording achteraan wordt geopperd dat hierin een misplaatst misprijzen doorklinkt voor dit beschouwelijke werk, dat niettemin zijn eigen literaire merites heeft. Toch gaat dat niet voor alle teksten op. Met name de recensies zeggen vaak weinig meer dan dat Beckett wel enige bewondering had voor schrijvers als Yeats en Ezra Pound, en dat hij regelmatig zijn collega Thomas MacGreevy een vriendendienst bewees. Deze soms barokke gewrochten, waarin Beckett net iets te graag zijn grote belezenheid etaleert, staan in schril contrast met het kale taalgebruik van zijn latere werk.

Maar precies dat contrast maakt deze bundel zo boeiend. Vooraleer Beckett tot de hoge graad van abstractie kwam waarvoor hij bekend is, schreef hij vaak onverwacht plastisch. Bijvoorbeeld in het stuk over de wet op censuur in de Ierse Vrijstaat, die "definities afscheidt zoals een inktvis drab uit zijn zak spuit". De wetenschap dat Beckett ze achteraf verworpen heeft, geeft aan zulke passages een grote meerwaarde. Zonder deze franjes had hij zijn werk er niet van kunnen ontdoen.

'Steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234