Zondag 01/11/2020

Liever knecht dan meester

Een non-muzikant die uitsluitend muziek maakt: het is eens wat anders. Bioscoopgangers kennen hem van zijn ambient-bluessoundtrack voor Rosie, de film van Patrice Toye. Wie de kleine lettertjes op platenhoezen leest, kwam hem al tegen als producer van 16 Horsepower. Maar multi-instrumentalist John Parish is ook de steun en toeverlaat van P.J. Harvey, die ooit onder zijn hoede haar carrière begon. Een decennium later is het duo nog altijd even onafscheidelijk. Gesprek met een schaduwfiguur die soms ook licht brengt in de duisternis.

Dirk Steenhaut

Als drummer, gitarist en toetsenman speelde John Parish een sleutelrol op To Bring You My Love en Is This Desire?, twee langspelers van Polly Jean Harvey die nu al als klassiek worden beschouwd. Het zijn platen waar je moeiteloos een film bij kunt bedenken. Geen wonder dus dat Parish zich vroeg of laat ook aan muziek bij echte beelden zou wagen. Ook al houdt men in de filmwereld vol dat de beste soundtracks de kijker nauwelijks opvallen. Een paradox? "Eigenlijk niet," zegt Parish. "Toen ik aan Rosie begon, heb ik enkele van mijn favoriete films opnieuw bekeken, om na te gaan waar en hoe de muziek erin verwerkt zat. En keer op keer stelde ik vast dat, als het een goede film was, met een goede soundtrack, ik de video voortdurend terug moest spoelen omdat me ontgaan was wanneer een muziekstuk precies was begonnen. Als kijker voel je het wel als alle onderdelen naadloos in elkaar passen. Alleen merk je het niet bewust, omdat al je aandacht wordt opgeslorpt door wat je op het scherm ziet. Maar als de muziek er niet was, dan zou dat wel degelijk verschil uitmaken. Fascinerend, toch?

"Het probleem met Rosie, tenminste op dit moment, is dat ik er niet met een onbevangen blik naar kan kijken. Ik heb de film één keer in de bioscoop gezien, maar doordat ik er zelf zo intens mee bezig ben geweest, weet ik natuurlijk heel goed wanneer de muziek begint en ophoudt. Ze klinkt me dus veel luider in de oren dan ze eigenlijk is en voor mij brengt dat de film voortdurend tot stilstand. Heel vervelend, want ik vind Rosie een uitstekende film."

Heeft het Patrice Toye, als totaal onbekende Vlaamse cineaste, veel moeite gekost om Parish tot samenwerken te overtuigen?

"Nee, het kostte haar vooral moeite me op het spoor te komen (lacht). Ze trachtte contact met me te leggen via Island, Polly Harveys platenmaatschappij. Maar je weet hoe dat gaat in zulke grote bedrijven: ze wisten niet wie Patrice was, wisten amper wie ik was en niemand nam de moeite om het uit te vlooien. En toen Patrice me, na drie maanden zoeken, eindelijk te pakken kreeg, zat ik in Tucson, Arizona, voor de productie van de nieuwe Giant Sand. Maar toen ik haar opbelde, leek ze er heilig van overtuigd dat ik de man was die ze nodig had voor haar film. Ze had veel naar Dance Hall at Louse Point, mijn duoplaat met Polly, geluisterd en wilde muziek die een soortgelijke sfeer uitademde.

"Als muzikant ben ik zelf niet zo bekend; het feit dat Patrice zich de moeite getroostte een obscure vogel als ik achterna te zitten, was voor mij een teken dat ze heel goed wist waar ze mee bezig was. Bovendien beviel de gepassioneerde manier waarop ze over haar film praatte me. Het minste dat ik kon doen was dus met een open geest naar de rushes kijken. En hoewel ik niets van de dialogen begreep - ik spreek helaas geen Nederlands - was ik zeer onder de indruk van de acteerprestaties. Ook het onderwerp sprak mij aan, ik zei dus ja.

"Later kwam Patrice naar Bristol en keken we een weekend lang naar een ruwe montage van Rosie. Daardoor kreeg ik meer zicht op de verhaallijn en de dialogen. Qua timing was die film een geschenk uit de hemel. Ik had immers net een reeks instrumentale stukken geschreven en wist niet goed wat ik ermee aan moest. Ik liet Patrice een paar dingen horen om haar een idee te geven van waar ik mee bezig was en bij twee ervan zei ze meteen: díe wil ik gebruiken, verander er alsjeblieft geen noot meer aan. Het hoofdthema van Rosie bestond dus al voor ik ooit van de film had gehoord. Vreemd hè?

"Rosie is een vrij somber verhaal, dat soms om extreme muziek vroeg. Maar tegelijk zijn de hoofdpersonages zeer kwetsbaar en fragiel. Ik heb dus geprobeerd de muziek zo dicht mogelijk bij de atmosfeer van de film te doen aansluiten. Terwijl ik fragmenten bekeek, rotzooide ik wat in mijn studio om uit te vissen welke geluiden, ritmen en instrumentencombinaties werkten en welke niet. Een trial & error-proces. Soms vroeg Patrice iets specifieks: zo is er een passage waarin twee personages samen een slow dansen. Tijdens het draaien deden ze dat op 'Albatross' van Fleetwood Mac. Dus moest ik iets verzinnen met precies dezelfde beat en dezelfde sfeer. Een plezierige uitdaging."

John Parish speelt op de soundtrack van Rosie zo goed als alles zelf. Maar voor 'Pretty Baby', de enige echte song, sloeg hij de handen in elkaar met Mauro Pawlowski.

"Ik had al van Evil Superstars gehoord, omdat een goede vriend van me, de studiotechnicus en producer Head, de mond vol had van die groep. 'Je moet die kerels zien,' herhaalde hij almaar, 'ze zijn fantastisch!' En toen bleek dat Patrice Toye ook een gezongen nummer in de film wilde. Ik dacht meteen aan de stem van Alison Goldfrapp, die ook met Tricky had gewerkt. Het probleem was: zo'n song heeft ook woorden nodig en zelf ben ik een uiterst trage tekstschrijver. Dus stelde Patrice Mauro voor. De eerste tekst die hij me doorfaxte had de juiste toon nog niet helemaal te pakken, maar een dag later liep er een herwerkte versie binnen en die was perfect.

"Sindsdien heb ik de Superstars diverse keren zien optreden, ook op Pukkelpop. Dat was behoorlijk intens. Ik was dus zwaar teleurgesteld toen ik hoorde dat ze het voor bekeken hielden. Wat het arrogante journaille van Melody Maker of NME ook mag beweren, de interessantste muziek van de jongste jaren komt uit België. Ook dEUS, Zita Swoon, en de rest van de Antwerpse scene vind ik briljant. En neem het maar van me aan: onder muzikanten, ook de Britse, worden die groepen zéér gerespecteerd."

Als producer was John Parish in het recente verleden betrokken bij langspelers van Giant Sand en 16 Horsepower. "De manier waarop ik die functie invul verschilt van project tot project en hangt ook af van wat de groep zelf nodig heeft. Ik neem enkel producersopdrachten aan als ik het gevoel heb dat ik nog iets zinnigs bij kan dragen.

"Ik had al wel voor independents gewerkt, maar toen ik met 16 Horsepower Low Estate maakte, werd ik voor het eerst door een major ingehuurd. En die ervaring heb ik niet zo best verteerd. Want de plaat die uiteindelijk op de markt kwam, was niet die welke ik had afgeleverd. Er is naderhand nog aan de mix en de volgorde van de tracks geprutst, omdat de platenmaatschappij de cd niet commercieel genoeg vond.

"Die lui gaan altijd op zoek naar dingen die er niet zijn. Zeker in Amerika, waar je een radiotrack of een MTV-clip nodig hebt om door te breken. Alleen: sommige groepen maken nu eenmaal niet dat soort muziek en het is zinloos hen in één richting te forceren. Wie te veel water bij de wijn doet, houdt alleen een kleur- en smaakloos drankje over. Iets dat niet langer representatief is voor het karakter van een groep. Daarom vind ik dat je de scherpe randjes beter intact kunt laten. Maar zo heeft de industrie het niet begrepen."

Drie jaar lang doceerde Parish een cursus Performing Arts aan de universiteit van Yeovil, waar hij, aan studenten tussen de zeventien en de tweeëntwintig, ook workshops gaf over opnametechnieken, compositie en het bespelen van een instrument.

"De groep bestond uit ongeveer evenveel muzikanten, acteurs en geluidstechnici. Tijdens mijn workshops moest ik manieren verzinnen om niet-muzikanten, desnoods op een elementaire manier, een instrument te doen bespelen. Ook voor mij was dat een leerzame ervaring, die mijn latere manier van arrangeren zeer ten goede is gekomen. Na drie jaar slaagden we er zelfs in vrij interessante stukken te maken. Als onderdeel van die cursus schreef ik destijds muziek voor Hamlet, een behoorlijk extreme theaterproductie. Toen Polly (Harvey, DS) ze hoorde, vroeg ze me een aantal stukken voor haar te schrijven die zij zelf van teksten kon voorzien. En dat was het begin van Dance Hall at Louse Point."

Die duoplaat uit 1996 werd door veel critici verkeerd begrepen en blijft tot op heden schromelijk onderschat. "Wel, het was geen voor de hand liggend radiovoer. Belangrijk is echter dat die plaat waardering heeft gevonden bij artiesten die ik zelf respecteer."

Louse Point blijkt een plek te zijn op het strand van Long Island, maar de titel van de plaat is vooral geïnspireerd door een schilderij van Willem de Kooning, dat te zien is in het Stedelijk Museum in Amsterdam. "Het gaat om een abstract landschap uit de laten jaren vijftig, dat Rosy Fingered Dawn at Louse Point heet. Die titel bleef me achtervolgen, omdat hij zowel iets poëtisch als iets heel sjofels suggereert.

"Tijdens de opnamen van Dance Hall toonde choreograaf Mark Bruce belangstelling voor de muziek, en later hoorden we dat hij de hele plaat wilde gebruiken bij een dansproductie. Er volgde een gezamenlijke tournee, maar vooral de danscritici hadden er moeite mee dat we de muziek tijdens de voorstelling live uitvoerden. De muziek was zo luid en lichamelijk en Polly is zo'n dynamische performer dan men algauw ging vinden dat we de dansers voor de voeten liepen. Terwijl juist het spanningsveld tussen beiden het project zo interessant maakte.

"The Fall deed twaalf jaar geleden al iets soortgelijks met de Michael Clark Dance Company, en dat pakte prima uit. Maar zelfs als het op een kolossale mislukking uitdraait, is het beter iets te proberen dat de mist ingaat, dan ieder experiment per definitie uit de weg te gaan.

"Neem nu 'Is That All There Is?', dat Leiber & Stoller-nummer, dat we opnamen voor de film Basquiat. We hadden Mick Harvey (van The Bad Seeds, DS) gevraagd voor het strijkersarrangement en in de studio luisterden we eerst naar Peggy Lees versie, om de akkoorden wat op te frissen. Vervolgens namen we, bij wijze van repetitie, de song nog even door met z'n drieën: Mick, Polly en ik. Toevallig liet de technicus de band lopen en achteraf bleek die spontane take ook de beste te zijn. Zeker, er zaten schoonheidsfoutjes in en we hebben het daarna technisch veel beter gespeeld, maar het klonk niet half zo goed. De eerste keer hadden we de juiste atmosfeer gewoon spontaan te pakken. Van die geslaagde ongelukjes komen wel vaker voor. De kunst is dan te herkennen wanneer iets definitief is."

John Parish begon zijn muzikale carrière rond 1983, als spilfiguur van Automatic Dlamini, een wisselend collectief waarmee hij The D is for Drum (1988) en From a Diva to a Diver (1992) maakte. Er bestaat nog een derde langspeler van het gezelschap, Here Catch Shouted His Father (1990), maar die heeft door omstandigheden nooit officieel het daglicht gezien.

"Wat Automatic Dlamini precies betekent? Dat is een waanzinnig verhaal. Vijftien jaar geleden had ik een vriend die in Swaziland werkte. En blijkbaar is de naam Dlamini er een van de meest voorkomende, net zoals Janssens of Peeters hier. Mijn vriend bleek ook iemand te kennen die Automatic Dlamini heette. Dat vonden we zo lachwekkend dat we prompt besloten ons die naam toe te eigenen. Want een goed pseudoniem voor een groep bedenken is een van de moeilijkste dingen die er zijn."

Het was onder Parish' beschermende vleugels dat Polly Jean Harvey haar eerste professionele stapjes in de muziek zette. Ze zou drie jaar bij Dlamini blijven: op From a Diva to a Diver speelt ze gitaar, bas en percussie en is ze ook te horen als achtergrondzangeres.

"Ik leerde Polly kennen via Jeremy Hogg, onze slide-gitarist. Hij vertelde me over een meisje van zeventien dat verbluffend goed zong en gitaar speelde. Bleek dat Polly en ik in dezelfde streek waren opgegroeid en ze toevallig gek was op Automatic Dlamini. Toen ze achttien werd vroeg ze zelfs of we haar verjaardagsfuif wilden komen opluisteren. Uiteindelijk ging dat niet door omdat een van de bandleden ziek was, maar tijdens het feestje raakte ik met haar aan de praat en het klikte. Sindsdien kwam ze zo vaak ze kon naar onze optredens.

"Op een dag gaf ze me een tape met enkele van haar liedjes. En hoewel nog niet helemaal duidelijk was welke richting ze uit wilde - ze was erg jong, zat nog op school en maakte deel uit van een folkduo -, raakte ik totaal ondersteboven van haar stem. Niet te geloven dat dit frêle meisje kon zingen met de kracht en de emotionaliteit van een vrouw van dertig. Dit was niet alleen pakkend, het was uniek.

"In die periode maakte ook Rob Ellis (de latere drummer van PJ Harvey, DS) deel uit van Automatic Dlamini, maar toen hij na een ruzie opstapte en we zo onze tweede stem kwijt raakten, dacht ik: ha, misschien kan ik Polly vragen? Tijdens de drie jaar dat ze meedeed ging ze met rasse schreden vooruit. Maar toen ik het op een bepaald moment te druk had met lesgeven en producen, raakte ze gefrustreerd en besloot ze haar eigen ding te doen. De rest is geschiedenis: vijf optredens later had ze een platencontract."

Wie From a Diva to a Diver heeft gehoord, kan het bevestigen: de plaat heeft de tand des tijds moeiteloos doorstaan, al is de invloed van Lou Reed wel heel nadrukkelijk merkbaar. "Tja, ik ben een fan, al vind ik niet alles wat hij gedaan heeft even fantastisch. Maar in die tijd schreef ik nogal woordrijke teksten en zong ik op een manier die je semi-parlando zou kunnen noemen. Dan is het wel bijzonder moeilijk niet als Lou Reed te klinken, wel?

Dat John Parish, ook ten tijde van Automatic Dlamini, al een onconventionele songwriter was, blijkt ten overvloede uit het geestige 'Roland Barthes Didn't Do Country'. Ten slotte kom je binnen het bestek van een popsong niet iedere dag een semioloog tegen.

"Uiteraard was dat tongue-in-cheek bedoeld, maar het is een van de weinige teksten waar ik nog altijd tevreden over ben. Een van de dingen die Polly me, terecht, altijd heeft aangewreven is dat ik, in mijn angst verkeerd begrepen te worden, geneigd ben de dingen een keer te vaak uit te leggen. En ook al is 'Roland Barthes' een doorvoelde lovesong, het is wellicht mijn eerste nummer waarin ik precies gezegd kreeg wat ik kwijt wilde, op een luchtige manier. Zelf ben ik niet erg belezen, maar mijn toenmalige vriendin, inmiddels mijn vrouw, is docente Culturele Studies. Op een dag vertelde ze me over Barthes en zijn theorie dat alles artificieel is. Dat bracht bij mij meteen een denkproces op gang, want ik ben een groot countryliefhebber en in die muziek draait net àlles om het natuurlijke. Die tegenstelling fascineerde me."

Net zoals Polly Harvey was John Parish de jongste jaren af en toe als gast te horen bij Spleen, een vreemdsoortig collectief, geleid door drummer en multi-instrumentalist Rob Ellis. Een en ander leidde tot cd's als Soundtrack to Spleen (1996) en Little Scratches (1998).

"Rob is een experimenteel ingestelde componist - een experimentele geest tout court. Vaak nodigt hij allerlei muzikanten uit voor zijn sessies waarin vrijelijk wordt geïmproviseerd. En als hij vindt dat je bijdrage relevant is voor een compositie, krijg je een vermelding als coauteur. Zijn werk is niet altijd makkelijk te doorgronden, maar het loont wel altijd de moeite. Net voor we met PJ Harvey op tournee vertrokken, gaven we met Spleen een paar shows in Londen, en dat was fantastisch, omdat het live beter overkomt dan op de plaat. Het klinkt concreter, toegankelijker. Spleen bloeide echt open op het podium. Jammer dat er geen tijd was voor meer concerten."

Tegenwoordig voelt Parish zich het best als Man in de Schaduw. "Ten tijde van Automatic Dlamini had ik nog geen moeite met mijn status als voorman. Maar ik voel er steeds minder voor in het brandpunt van de belangstelling te staan. Laat mij mijn gang maar gaan op de achtergrond. Ik ben geen veelschrijver: het heeft me vijf jaar gekost om de teksten te bedenken die op From a Diva to a Diver staan. En ik ken sowieso al niet veel mensen die goed met woorden overweg kunnen. Stel dat ik echt zou willen blijven zingen --wellicht zou ik dan, met mijn tempo, slechts om de tien jaar een plaat kunnen maken. Terwijl ik als componist wèl doorlopend aan de gang blijf. Ik wil mezelf gewoon nodeloze frustraties besparen."

John Parish & Band voeren de soundtrack van Rosie live uit tijdens De Nachten in DeSingel in Antwerpen op zaterdag 23 januari; een dag later in de Cactus Club in Brugge. De cd verscheen bij Swarf Finger Records, via Bang!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234