Zondag 26/09/2021

InterviewCatherine Verguts

‘‘Lieveke, het komt niet meer goed’: er is geen goed moment om dat te zeggen’: Catherine verloor haar zoon Sander (9)

Catherine Verguts.  Beeld Wouter Van Vooren
Catherine Verguts.Beeld Wouter Van Vooren

Wat als je zoontje voor altijd dat jongetje van negen zal blijven? In Kraanvogel, vlieg beschrijft Catherine Verguts, moeder van drie, hoe dat is: afscheid nemen van een kind. ‘Je kind verliezen, dat móét wel iets zijn wat je nooit meer te boven komt, hoor je dan. Ik heb me al schuldig gevoeld omdat ik niet ongelukkig ben.’

Hij kijkt wazig voor zich uit. “Ik dacht dat het leven meer voor mij in petto had”, roept hij plots. “Bereid je al maar voor op een leven zonder mij!” Alle kleur lijkt uit mijn hoofd weg te trekken tot alleen maar dofheid overblijft.

Buiten op het terras staat de groene sofa, waar ze hem die laatste dag nog door zijn haren woelde. Aan de muur hangt zijn skateboard, als decoratieplankje. Wat verderop een tekening, een fietsbel. En ook: origami kraanvogels, zijn symbool. Sander is hier overal. “Ik wilde er niet zo’n schrijntje van maken, waar dan niet aan geraakt mag worden”, vertelt mama Catherine. “Dat zou niet passen met hoe chaotisch wij zijn.”

Haar lach klinkt gul, maar haar woorden doen je verstillen. Net zoals haar pas verschenen boek Kraanvogel, vlieg, waarin ze ons een inkijk geeft in haar rouw en verdriet. Met kortverhalen – rauw en poëtisch tegelijk – die je de adem afsnijden, en al snel het persoonlijke overstijgen.

Uw boek komt er drie jaar na Sanders overlijden. Voelde het schrijven als therapie?

“Zeker. In het begin hakte het er wel zwaar in. Soms dacht ik: pf, laat maar, ik heb al geen goesting meer. Maar het schrijven heeft me wel geholpen.

“Weet je, die diagnose – een hersentumor, die dan ook nog eens ongeneeslijk bleek – rolde als een tsunami over ons heen. ‘Zorg maar dat je nog geniet’, was de boodschap die mijn man en ik kregen. In zo’n periode is het moeilijk om dicht bij jezelf te blijven. Je zwemt en spartelt daar op de een of andere manier door. Maar door erover te schrijven vond ik een soort berusting: eigenlijk hebben we dat wel oké gedaan.

“Het hielp me ook om opnieuw verbinding te voelen met wie ik was vlak vóór de diagnose. Want ook dat waren turbulente tijden.”

‘Sanders gedrag leek als een zwart gat heel ons gezin op te slorpen’, zegt u daarover. Wat was er aan de hand?

“Hij had in die periode veel woedeaanvallen, was erg gevoelig. Hij raakte sowieso al snel overprikkeld, maar die hersentumor moet zijn autisme nog versterkt hebben, ook door de hoofdpijn waar hij mee kampte. Hij had dikwijls nachtmerries, dus op den duur sliepen wij niet meer. En terwijl we hem vroeger nog handvatten konden geven, zagen we het nu alleen van kwaad naar erger gaan. Ook op school. ‘Hij leert precies niet meer’, zei zijn leraar ons. En dat terwijl Sander toch een slim kind was. Achteraf bekeken heb ik vaak gedacht: hadden al die zaken geen belletje moeten doen rinkelen?”

Catherine Verguts.  Beeld Wouter Van Vooren
Catherine Verguts.Beeld Wouter Van Vooren

Misschien kijken we daar als ouders liever van weg?

(knikt) “Zoals toen Sander ineens scheel begon te kijken. Ik zag dat als een bijwerking van de pillen tegen zijn nachtelijke angsten. Zelfs een week nadat hij met die medicatie was gestopt, bleef ik dat volhouden: ‘Het zijn die pillen.’ Ook al had mijn schoonmoeder toen al laten vallen dat mensen met een hersentumor vaak plots scheel kijken. Tja, dat was echt mijn kop in het zand steken, hè.” (tast naar de kraanvogelketting om haar hals)

‘Twee dagen geleden bood niemand ons hulp’, schrijft u. ‘Een lastig kind hadden we toen. Een ziek kind hebben we nu.’ Het klinkt alsof dat u wel hoog zat, die plotse ommekeer.

“Dat heeft ons heel hard geraakt, ja. Ineens stroomden de WhatsApps binnen: ‘Kunnen we voor de meisjes zorgen?’ ‘Hebben jullie eten?’ Van de ene op de andere dag keek iedereen ook veel milder naar Sander. En waren er allerlei organisaties die ons wilden ondersteunen. En begrijp me niet verkeerd, die moeten er ook zijn. Alleen, het zette wel op scherp hoe ouders van kinderen met ‘gedragsproblemen’ vaak wel in de kou blijven staan. Daar heb ik het erg moeilijk mee gehad, en nog altijd.”

‘Sander, we willen je iets vertellen’, zeg ik. Ik wacht even. Bruno neemt een slok van zijn espresso, zijn geruststellende knikje geeft me de moed om voort te gaan: ‘De slechte cellen in je hoofd, dat is kanker.’ Ik wacht. Ik kijk aandachtig, wil niets missen van de impact van mijn woorden. ‘Ah,’ zegt hij, ‘maar nu snap ik waarom ik onder die rare machines moet gaan liggen, anders eindig ik nog als een dood lijk.’ Ondanks alles moet ik lachen. ‘Wanneer begint dat, die stralen, vandaag?’, vraagt hij olijk.

Heel pakkend: toen Sander in het vierde leerjaar startte, wisten jullie al dat hij dat schooljaar nooit zou afmaken. Maar hij en zijn zussen wisten dat niet. ‘We voelden hoe die leugen brandde’, omschrijft u.

(verzucht) “Ik heb daar heel erg mee geworsteld. Ik wilde eerlijk zijn, wilde hem geen blaasjes wijsmaken. Zijn artsen hebben me daar wel wat in afgeremd. Hun idee was: als hij er zelf naar vraagt, dan moet je wel open kaart spelen. Maar zelfs dan…” (schraapt haar keel)

“De eerste keer toen hij erover begon, zat hij hier met een vriendje aan tafel. ‘Oh nee, niet nu’, dacht ik. Precies alsof er ooit wél een goed moment is om zoiets uit te spreken: ‘Zeg, lieveke, dat komt hier niet meer goed.’ Maar dat hij die vraag – ‘Kan ik wel genezen?’ – uitgerekend toen stelde, met een vriendje erbij, was misschien wel omdat hij stilletjes hoopte dat ik ze niet zou beantwoorden.” (glimlacht)

Jullie zwegen om hem er niet mee te bezwaren?

(knikt) “We wilden er nog het beste van maken, van de tijd die ons samen restte. Daar wilde ik op focussen: laten we er nog iets schoons van maken, zonder die constante schaduw erover. Toen hij negen werd, wisten mijn man en ik het maar al te goed: dit is zijn laatste verjaardag die we vieren. We zijn die dag nog gaan bowlen, dat was heel tof. Maar al van ’s ochtends, toen we onze jarige ontbijt op bed brachten, konden we er niet omheen. Dan zie je die rode strepen op zijn buik van de bestralingen. Dat is zo’n beeld. (pauzeert) Dat maakt het zo tastbaar dat het bijna gedaan is.”

Een plekje voor Sander. Beeld Wouter Van Vooren
Een plekje voor Sander.Beeld Wouter Van Vooren

Jullie konden met Sander nog in Parijs terecht, voor een levensverlengende therapie, met kans op enkele extra maanden. Jullie bedankten vriendelijk. Hoezo?

“Daar was ik heel snel uit, dat dit niet was wat we nodig hadden. De vraag was: wilden we een deel van de weinige tijd die ons nog met Sander restte, opgeven om – in het beste geval – een paar maanden bij te krijgen? Om die extra tijd dan in een ziekenhuis in Parijs door te brengen, weg van zijn familie en vrienden? Nee, dan hielden we het liever klein en dichtbij. Hem meenemen naar een onbekende plek was sowieso al niet vanzelfsprekend. Hij had het al lastig toen we onze rode stoffen zetel vervangen hadden door een blauwe lederen. (lachje)

“Uiteindelijk heeft hij, zonder die therapie, nog veertien mooie maanden gehad.”

Zou hij het zelf ooit doorgehad hebben: ik kan niet meer genezen?

“Toen de tumor weer gegroeid was en de dokters hem vertelden dat ze hem opnieuw zouden bestralen, maar deze keer minder lang en minder krachtig, dat is wel een eyeopener geweest, denk ik. Dan moet hij wel gedacht hebben: ‘Hmm, hoe ga ik hier dan ooit van af geraken?’ Ik merkte dat ook bij onze oudste dochter, toen elf, dat ze zoiets had van: hier ga ik niet te diep over nadenken.

“Ook voor mezelf was dat een kantelmoment. Ik wist: dit is echt het begin van het afscheid nemen. Ik weet nog hoe ik de oncoloog vroeg – opnieuw met mijn kop in het zand: ‘Kunnen we dat niet nog wat uitstellen?’ ‘Nee’, zei ze, ‘want het kan snel gaan nu’. Toen beukte de realiteit erin. De toegevoegde tijd is bijna op.

“Het straffe is: nog voor de diagnose was hij er al over bezig geweest: ‘Mama, ga ik sterven?’ ‘Maar lieveke’, wuifde ik toen nog weg, ‘Ge zijt een jongetje van acht.’ Ik had bijna gezegd: ‘Die sterven niet’.”

(Vlak voor de palliatieve sedatie, op de groene sofa) Wij knijpen in elkaars hand met onze afgesproken morsecode – kort, lang, kort, lang – en doorvoelen allebei de betekenis: ik zie je graag. We blijven lang om de beurt in elkaar hand knijpen. Even doen al onze worstelingen er niet meer toe.

Sander was deels verlamd en kon amper nog praten toen hij thuis overleed. Heeft hij dat zelf ook aangevoeld, dat het zijn laatste dag was?

“Achteraf bekeken heeft hij die laatste dag een paar dingen gedaan waarvan je denkt: wist hij het zó goed? Zo liet hij me nog een cadeau voor Vaderdag bestellen, een computerspel dat hij in een reclame op tv zag passeren. Alleen al hoe hij me dat heeft duidelijk gemaakt, met zijn rauwe klanken, is me een raadsel. Maar ook: hoe hij Lotte, zijn oudste zus, de e-reader gaf, ook al kon hij daar door de vergrote letters opnieuw op lezen. En hoe hij Margot, onze jongste, de afstandsbediening gaf, en zo de controle losliet. Hij moet toch iets hebben gevoeld.”

Catherine Verguts.  Beeld Wouter Van Vooren
Catherine Verguts.Beeld Wouter Van Vooren

Diezelfde avond, na zijn dood, las uw man Sander nog voor uit het boek waarin ze bezig waren: De heksen. Ook nu nog leest hij hem voor, bij zijn graf. Hoe anders is jullie verwerking?

“We doen het helemaal anders, maar zitten niet op een ander spoor. We zijn elkaar altijd blijven vinden. Bruno gaat vaak naar het graf, zorgt dat de bloemenweide netjes is, leest er voor. Heel schoon, maar zelf heb ik daar minder behoefte aan. Bij mij is het toch vooral: praten en schrijven.

“Ook in dat schrijven kwam er een kantelpunt. Ik was er al mee begonnen toen Sander nog ziek was, maar ik merk hoe ik mezelf toen nog veel meer zat te verantwoorden. Alsof ik moest uitleggen waarom we bepaalde keuzes hebben gemaakt. Keuzes die op dat moment zo groot en hartverscheurend zijn, zoals die levensverlengende therapie. Dat verantwoorden heb ik nu wat kunnen loslaten: het is oké zoals het was.

“Ik geloof wel dat die veertien mooie maanden die we nog hadden, nu ook wel helpen in dat verwerkingsproces. Het heeft ons ergens toch wel voorbereid op een afscheid.”

Werd het anders, dat verdriet, in drie jaar tijd?

“Ik vind van niet. Misschien heeft het daar iets meer tijd voor nodig. Of ook niet.

“Vlak nadat hij gestorven was, heb ik mezelf wel expliciet de tijd gegeven. Ik bleef nog drie maanden thuis, en keerde daarna deeltijds terug naar het werk. Maar niet iedereen heeft die luxe, natuurlijk. En dan hoor je beleidsmakers juichen: je hebt nu tien dagen rouwverlof – de grote vernieuwing. Te gek voor woorden, toch? Hoe kun je nu denken dat zoiets volstaat?”

In uw boek vraagt u zich af: ‘Wanneer zal ik me niet meer gedesoriënteerd voelen door de verwachtingen van anderen?’ Wat bedoelt u precies?

“Een kind verliezen, dat móét bijna iets zijn waar je nooit meer over geraakt, hoor je altijd. Dat moet je in een diepe put storten. Je moet haast in je bed blijven liggen en kreunen: ‘Het gaat niet.’ (haar stem breekt) En ik snap dat wel, waarom buitenstaanders dat denken. Niks zo overweldigend als een kind te verliezen. Maar dat idee – dat je het nooit meer te boven komt – maakt wel dat ik me soms schuldig voel. Want ik mis hem elke dag, neem hem elke dag mee, maar voor de rest ben ik niet ongelukkig. En dat mag bijna niet.

“Ooit las ik in een interview, waarin iemand zei: ‘Na het overlijden van mijn dochter heb ik anderhalf jaar niet meer gelachen.’ Ik, daarentegen, lachte al met Lotte op de avond dat Sander stierf. Dan lees je zoiets en grijpt dat naar je keel: ik doe het niet goed. Alsof ik iets verkeerds doe.

“Hetzelfde met sterrenkindjes, die symboliek wordt er haast ingelepeld. Maar dan denk ik: ‘En wat als het eens een bewolkte nacht is? Waar is hij dan?’ (fijntjes) Al neemt dat niet weg dat hij er voor ons altijd bij is.”

Ik zoek steun bij de boodschappenkar. Tussen het koortsachtige zoeken naar room of kaas voor het avond­eten verstijf ik. Ik kan hem dit jaar niet gaan zoeken bij de Pokémon-boekjes of het speelgoed voor het zwembad. Hij zal er niet zijn.

Bij de gezouten boter in de supermarkt, bij de frikadellen met andalouse in de frituur. Hij overvalt u op de kleinste, knulligste momenten, lijkt het wel.

“Vooral dan, ja. We halen hem er vaak bij. ‘Dat had broer wel tof gevonden.’ ‘Dat had hij wel willen zien.’ Dan nemen we een balpen en tekenen we hem er in gedachten bij. We zijn ook nog altijd een gezin van vijf, vind ik. Ik heb nog altijd drie kinderen. Dus als de autoverkoper ons dan verzekert dat ‘die wagen groot genoeg is voor twee kinderen’, dan schreeuwt mijn hele lijf: ‘Nee, geen twee. Drie!’ Maar soms laat ik dat dan rusten, weet hij veel.”

Uw jongste dochter Margot is sinds kort negen, de leeftijd waarop jullie Sander verloren. Doet dat iets?

“Heel heftig is dat. Mijn man en ik hebben die dag echt onze knop moeten omdraaien: kom, laten we haar vieren. We wilden niet dat er een zwaarte boven hing. Maar ik vond die verjaardag wel een lastige. En het zal wellicht nog heftiger zijn als ze tien wordt, als ze hem voorbij zal steken.”

Sander kon ook best hard zijn voor u, las ik. Zoals die keer toen hij uw vegetarische ovenschotel afdeed als ‘de drek die mama me altijd te eten geeft’. U romantiseert hem niet?

(schaterlacht om de herinnering) “Voor mij was het belangrijk dat ook dát een deel werd van het boek: dat het niet altijd makkelijk was. Hoe hij soms kon uithalen, boos kon worden. Dat hoort er in mijn herinnering ook wel bij. (vertederd) Maar ik beken, waarschijnlijk vijl ik de scherpe kantjes er toch wat van af.”

Kraanvogel, vlieg, door Catherine Verguts, uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, 208 blz., 22,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234