Dinsdag 19/01/2021

Lieve Dood,

Vandaag, 2 november, Allerzielen, herdenken we onze dierbare overledenen. Silvie Moors, artistiek leider van de literaire organisatie DE DAGEN, schrijft een brief aan de Dood, die ook in de kinder-literatuur vele gezichten heeft.

Sinds Wolf Erlbruchs De eend, de dood en de tulp (Erlbruch, 2007) geloof ik steevast in uw vriendelijkheid. U doet ook maar wat u opgedragen werd (God mag weten door wie) en het is elke keer weer even slikken als u iemand dat laatste zuchtje levensadem ontneemt.

Dat neemt niet weg, lieve Dood, dat u er een beetje akelig uit blijft zien. Dat hoofd bijvoorbeeld, moet dat een schedel zijn? Moeten we u zien zoals we later zelf zullen zijn: enkel bot, leeg en verder ook nog koud? U maakt het ons niet makkelijk, Dood, maar ik blijf erbij, u bedoelt het vast niet slecht.

Er zijn mensen trouwens die oprecht blij zijn met uw komst. Kinderen zelfs. Lidewijde, dat meisje uit Kleine Dood en het meisje (Kitty Crowther, 2004), zat op u te wachten. Kleine Sofie uit Kleine Sofie en Lange Wapper (Els Pelgrom, 1985) ook, geloof ik. U kunt behalve vriendelijk, ook verlossend uit de hoek komen en ons bevrijden van pijn of andere ellende. Tenminste, als we niet naar de hel gestuurd worden om daar als gebraden kippetjes gebakken te worden. Er zijn mensen die dat écht geloven.

Liever blijft u toch maar bij onze kinderen uit de buurt. De grootste tragedie is immers een kind dat u meeneemt.

Dat doet u niet met opzet. Daar zorgt het leven voor, zoals een snel rijdende vrachtwagen, een akelige ziekte, een belachelijk ongeluk, een miskraam of andere slechte grappen van de natuur.

Als ik dat zomaar vragen mag, beste Dood, oefen u dan in het zachte sterven van kleine dieren. Dat is geen fraaie vraag van een vegetariër als ik. Insecten van een dag, oude huisdieren, koeien, schapen, geiten die een heerlijk lang leven hebben kunnen grazen, vogels die uitgevlogen zijn. Wij zullen ze samen met u naar de overkant helpen. Kikker deed dat al in Kikker en het vogeltje (Max Velthuijs, 1991), en in De mooiste begrafenis van de wereld (Ulf Nilsson, 2007) wordt het een waarlijke zomeractiviteit voor een groepje kinderen.

Praten over dode huisdieren, dat kunnen we. In Siens hemel (Bibi Dumon Tak, 2016) is het Klein Broertje dat de taal aanreikt, prachtige taal en vooral veel vragen. Het is dat Klein Broertje dat de taal van de troost spreekt. Net zoals in Dat is heel wat voor een kat (Judith Viorst & Fleur van der Weel, 2007) komt de eenvoudige, maar broodnodige troost uit een kindermond. Beide boeken zijn onmisbaar bij rouwverwerking van jonge kinderen.

Want, lieve Dood, u laat een slagveld achter. Zachter uitdrukken is moeilijk. Wat te denken immers van de oorlog die de twee broertjes Hidde en Jeppe voeren? Het verdriet van Hidde in Spinder (Simon van der Geest, 2012) lees je tussen de regels. De onmacht, de angst, het schuldbesef en de zwaarte van een akelig geheim vermengt de schrijver met humor en een prille verliefdheid. Dat is zo geloofwaardig gedaan dat hij er een Gouden Griffel voor kreeg.

Niks tussen de regels dan weer in Verdriet (Michael Rosen & Quentin Blake, 2005). Daarin zien we een vader die verschrikkelijk droevig, wanhopig, verward is door het overlijden van zijn zoon. 'Soms doe ik van verdriet slechte dingen', zegt hij.

Dit ben ik. Ik heb verdriet.

Als je deze tekening ziet, denk je misschien dat ik vrolijk ben.

Maar dat is niet zo.

Ik heb verdriet en ik doe alsof ik vrolijk ben.

Omdat ik denk dat mensen mij niet aardig vinden als ik laat

zien dat ik verdriet heb.

Soms is verdriet heel groot.

Het is overal in me en om me heen.

Dan zie ik er zo uit.

Ik kan daar niets aan doen.

Het verdrietigst ben ik als ik aan mijn zoon Eddie denk.

Hij is doodgegaan.

Ik hield ontzettend veel van hem en toch ging hij dood.

Ergens in een recensie vraagt iemand zich af of je dit boek wel aan kinderen kunt geven. Omdat het zo intens verdrietig is. Maar het is natuurlijk ook heel herkenbaar. Verlies is verdriet, beste Dood. Wie heeft u zoal verloren?

Minder moeilijk om te aanvaarden in de afvalrace van het leven zijn héle oude oma's en opa's. Zoals die lieve oma Pluis (Dick Bruna, 1996), de oma van Nijntje. Dat heeft u zachtjes aangepakt, zo zachtjes dat ze ook werkelijk zachtjes in haar kist ligt. Of Vogeltje lief (Kristien Aertssen, 2007), dat warm de dood van Merels oma vertelt.

Al brengt de dood van een grootouder soms ook onverwachte verhalen naar boven. In het wondermooie Krassen in het tafelblad (Guus Kuijer, 1991) blijkt oma een heel bijzonder iemand geweest. Dit is het begin:

Oma is dood, maar Madelief hoeft er niet van te huilen.

Toen oma nog leefde, woonde ze ver weg. Madelief heeft haar maar een paar keer gezien. Nu is ze opeens dood. Wat moet je daar nou van zeggen?

'Vind jij 't erg?' vraagt Madelief.

'Ik vind 't erg voor opa', zegt haar moeder. 'Die is nu alleen.'

'Moet jij d'r niet van huilen?'

'Nee, nu niet. Misschien vannacht, als ik in bed lig. Of overmorgen, op de begrafenis. Ik weet 't niet. Misschien huil ik helemaal niet.'

'Wat gek,' zegt Madelief, ''t is toch zeker jouw moeder?'

'Nou én?' vraagt haar moeder kwaad. 'Mag ik zélf weten wat ik doe? Ik huil nou eenmaal niet zo gauw.'

Ze zijn stil. Het is net of ze kwaad zijn. Het is een naar soort stilte, waar je niks aan hebt.

'Als je dood bent, word je helemaal stijf,' zegt Madelief.

'Daar hoef je niet voor dood te gaan', bromt haar moeder. 'Oma was al stijf. Ze kon haast d'r stoel niet meer uit.'

'O', zegt Madelief. Ze zou een heleboel willen vragen. Waarom ze nooit naar oma toe gingen bijvoorbeeld. Maar ze doet het niet.

Wat ik me toch afvraag, Dood, is die Grote Vraag: waar neemt u ons mee naartoe? Is dat naar Schemerland (Astrid Lindgren & Marit Törnqvist, 2007) of naar Ugri-la-brek (Thomas & Anna-Clara Tidholm, 1996) en kunnen we wie ons lief was ginder ver een bezoekje brengen, kunnen we nog samen spelen of fietsen zoals in Groter dan een droom (Jef Aerts & Marit Törnqvist, 2014), waar het dode zusje haar broer komt bezoeken? Mogen we geloven in onze dromen of houden ze ons voor de gek? Is het na jouw genadeslag helemaal gedaan of komt er een dag dat we weer op zullen staan, zoals in dit gedicht uit de bundel Doodgewoon (Bette Westera & Sylvia Weve, 2014):

Ik ben niet bang om dood te gaan.

De dood is maar voor even.

Het lijkt misschien een eeuwigheid,

maar in het graf bestaat geen tijd.

De tijd hoort bij het leven.

Ik ben niet bang om dood te gaan.

Soms zie ik in mijn dromen

de dood die lokt, de dood die lacht,

de dood die ongeduldig wacht,

die weet dat ik zal komen.

Ik ben niet bang om dood te gaan.

De dood hoort bij het leven.

Hij grijpt je zomaar bij je kraag.

Ik ben niet bang, al was ik graag

nog eventjes gebleven.

Ik ben niet bang om dood te gaan.

Ik kan er zelfs van dromen.

De pijn verdwijnt, ik ben op reis.

Ik wandel door een paradijs

met eeuwenoude bomen.

Ik ben niet bang om dood te gaan.

De dood is maar voor even.

Gaan sterven voelt als slapen gaan

om eens weer op te mogen staan.

Ooit, in een ander leven.

Weet je wat, Dood, doe het gewoon wat rustig aan de komende tijd.

En praat eens met Leven. Zij maakt er een potje van en u kunt het opruimen.

Je zou van minder moe worden.

Goede moed en tot later, véél later,

Silvie

dedagen.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234