Donderdag 22/10/2020

interviewLiesbeth Van Impe

Liesbeth Van Impe: ‘Je vecht niet tegen kanker. Je ondergaat’

Liesbeth Van Impe.Beeld Stefaan Temmerman

Ze dacht dat over borstkanker alles gezegd en geschreven was. Maar toen Liesbeth Van Impe (43), hoofdredacteur van Het Nieuwsblad, zelf ziek werd, besefte ze dat ze er niets over wist. In het boek Chemodag is de beste dag van de week pende ze haar reiservaring door kankerland neer. ‘Stop met het een gevecht te noemen.’

Ze had me vooraf gewaarschuwd: ze ziet er nu anders uit. Haar lange, steile haardos heeft plaatsgemaakt voor stug, opkrullend haar waar af en toe een grijze spriet doorschemert. Maar zodra ze me tegemoet loopt op de redactie van Het Nieuwsblad in Antwerpen en een brede grijnslach bovenhaalt, gevolgd door goedkeurend gemompel, weet ik: ze is geen haar veranderd.

Ik ken Liesbeth nog van toen we collega’s waren bij De Morgen. Zij zat een eiland verder dan ik, waar ze als nieuwkomer indruk maakte als politiek journalist. De Wetstraat had weinig geheimen voor haar. Ze doorzag het politieke spel, dat ze met zichtbaar genoegen meespeelde en waarover ze haar chefs na een paar telefoontjes met veel aplomb briefte. Dat ze het ooit tot hoofdredacteur zou schoppen, weliswaar bij een andere krant, en een ­veelgevraagde praatgast op televisie zou worden, leek bijna een vanzelfsprekendheid.

Een knobbeltje in haar borst zette haar carrière vorig jaar op pauze. In de maanden die volgden, gebeurde er iets geks: plots moest de journalist die zich altijd zo vlot had weten uit te drukken, op zoek gaan naar woorden om te vertellen wat haar was overkomen.

“Ik heb vrienden die kanker hebben gehad en had met kankerpatiënten gesproken, maar al na een week met mijn eigen kanker kwam ik tot het besef dat ik niets wist. Dat ­verwonderde mij. Ik dacht dat ik altijd goed had opgelet, maar blijkbaar heb ik iets niet gevat en moeten we het ­verhaal elke keer opnieuw vertellen. We worstelen met hoe we over kanker spreken, patiënten hebben moeite om uit te leggen hoe ze zich voelen. Je zegt dat je moe bent, maar je bedoelt iets anders dan gewoon moe.”

Met Chemodag is de beste dag van de week vindt Liesbeth stilaan haar stem terug. Maar tegelijk beseft ze dat ze er nog niet is. “Corona helpt daar niet bij. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik vastzit. De fase dat alles weer kan, dat je kan vieren dat je er van af bent, heb ik niet meegemaakt. Mijn laatste behandeldag was 13 maart. ’s Middags kwam ik uit het ziekenhuis, acht uur later ging het land op slot. Als ik nu nog aan het rouwen ben, dan komt dat ook door corona.

“Ik had een mandje met kankerparafernalia, dat ik met veel plezier wilde weggooien. Maar datzelfde weekend heb ik mijn handgel en mondmaskers opnieuw boven moeten halen. Intussen ruikt de hele wereld zoals een ziekenhuis, met al die alcoholgel. Ook vandaag heb ik mijn kanker­modus nog nodig: ondergaan, ondergaan, ondergaan. Het werk heeft geholpen, gelukkig. Het laatste wat ik wilde, was weer in mijn zetel gaan zitten. (lacht) Als er ooit een corona-bevrijdingsfeest komt, gaan ze mij en mijn vlag van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal moeten plukken.”

Kan je zeggen dat je genezen bent?

“Nee. De prognose is goed: de behandeling is aangeslagen, ik ben in volledige remissie. Maar ik heb 5 tot 10 procent kans dat het terugkomt. Als dat zo is, zal het omwille van mijn soort tumor snel gebeuren. Normaal duurt het vijf jaar voor iemand kankervrij wordt verklaard, in mijn geval zal het iets sneller zijn.

“Ondertussen probeer ik niet in uitstel te leven. Iedereen kent het beeld van post-kanker: je gaat met een cava op het strand zitten, de zon schijnt, iedereen lacht weer. Het is rot dat dat nu niet kan, want mijn wereld moet dringend weer groter worden. Maar waarschijnlijk zou ik op dat strand met hetzelfde worstelen als hier: dat het niet afgerond is. Kanker maakt nog heel erg deel uit van mijn identiteit, in mijn hoofd heb ik nog altijd een muts op – een pruik had ik wel, maar heb ik nooit gedragen. Het is geruststellend dat ik om de drie maanden naar het ziekenhuis moet voor een ­controle.”

Liesbeth Van Impe

geboren op 20 april 1977 in Roeselare / studeerde Romaanse taal-en letterkunde aan de KU Leuven / schreef van 2004 tot 2009 als politiek journalist voor De Morgen / werkte daarna als politiek ­journalist voor Het Nieuwsbladwerd in 2013 hoofdredacteur / doceert politieke journalistiek aan de KU Leuven / woont afwisselend in haar ­appartement in Brussel en in een studio in Antwerpen

Wie kanker krijgt, voelt de grond onder zijn voeten wegzakken. Hoe heb jij de eerste weken beleefd?

“Ik heb een week de tijd gehad om aan het idee te wennen dat ik kanker heb. Ik voelde een knobbeltje in mijn borst. Vriendinnen stelden me gerust – ‘Het zal wel een cyste zijn’ – en ook de huisdokter zei me geen zorgen te maken. Maar voor de zekerheid moest ik toch een echo-mammografie laten nemen. Tijdens dat onderzoek kreeg ik in de gaten dat er iets niet klopte. Het duurde te lang, de radioloog bleef maar kijken. Enkele dagen later volgde een punctie.

“Ondertussen moest ik met Pascal (Weiss, co-hoofd­redacteur van ‘Het Nieuwsblad’, SS) voor het werk naar Amsterdam. Daar hebben we bij een nachtelijke pizza een morbide spelletje ‘wat als’ gespeeld: wat als ik kanker heb? Naar welk ziekenhuis ga ik dan? Wie gaat de standpunten schrijven? Moet er een nieuwe hoofdredacteur komen? Ik zeg niet dat ik daar rustig van werd, maar toen het gevreesde telefoontje kwam, was ik aan het idee gewend. Al keek ik uiteraard op tegen de berg die ik moest beklimmen en was doodgaan het eerste waar ik aan dacht.”

Je kreeg te horen dat je triple negatieve borstkanker had. Van alle borstkankers kreeg jij de slechtste.

“Dat dringt niet tot je door. Het is pas later dat je beseft: dit is niet goed. Wat zo ontwrichtend is aan kanker, is dat het je compleet uit je evenwicht brengt. Er zijn mensen die naar de dokter gaan omdat ze zich niet goed voelen of verontrustend aan het vermageren zijn. Als je dan een diagnose krijgt, weet je tenminste wat er aan de hand is. Ik heb veel mensen gesproken die perfect gezond waren, maar die na een routineonderzoek plots te horen kregen dat ze borst- of darmkanker hebben. Dat hakt erin. Je hebt kanker maar je voelt je niet ziek. Dat komt pas weken later, door de chemo.

“Ik ben trouwens snel gestopt met googelen. Het eerste wat je googelt, zijn je overlevingskansen. Je ziet cijfers voorbijkomen waarvan je niet weet wat te denken. Ik heb het geluk gehad dat ik snel de dokters vond die ik nodig had en aan wie ik al mijn vragen kon stellen. Zolang ik hen kon geloven, hoefde ik niet elders op zoek te gaan naar informatie.”

Hoe kies je een goede dokter als je kanker hebt?

“Door rond te horen en raad te vragen aan mensen die het kunnen weten. Blijkbaar is een borstchirurg de eerste met wie je een afspraak moet maken als je borstkanker hebt. Een vriend kende iemand in het UZ Antwerpen met een goede reputatie. Het klikte meteen. Ik had ook een oncoloog nodig. Mijn dokters zijn twee verschillende types: de chirurg is empathisch, legt alles goed uit, maakt tekeningen, vraagt of je het begrepen hebt. De oncologe is klein, vinnig en klettert op hoge hakken door de ziekenhuisgangen. Met haar energie heeft ze me erdoor gesleurd.”

Je schetst gedetailleerd hoe je behandeling verliep: eerst kreeg je het minder zware carbotaxol, ‘chemo on the rocks’ in jouw woorden. Daarna volgden de zware AC-chemo, een operatie en bestralingen. Opvallend toch, dat we in 2020 nog met een kanon op een mug moeten schieten en er geen geïndividualiseerde kankerbehandeling mogelijk is.

“Ik sluit niet uit dat die periode snel tot het verleden zal behoren. Wetenschappers zijn hoopvol over een nieuwe aanpak. Zelfs tijdens mijn behandeling sprak mijn oncologe al over de volgende generatie therapieën. Het is niet dat we immunotherapie moeten vinden voor borstkanker, we moeten immunotherapie vinden voor triple negatieve borstkanker, voor hormonale borstkanker, voor herceptingevoelige borstkanker.

“De huidige behandeling is een bruut en ouderwets kanon, maar het is het eerste kanon dat we hebben in de strijd tegen kanker. Wellicht zal AC-chemo binnenkort niet meer nodig zijn – dat is het mosterdgas van de Eerste Wereldoorlog, waardoor je van de wereld bent. Het heeft mij heel diep geduwd. Maar ik heb er geen seconde over getwijfeld. Als zo’n zware behandeling zelfs maar drie, vier procent toevoegt aan je overlevingskansen, zeg je: doe maar. Je wilt niet doodgaan.

“Kanker voelt voor mij als verlies. En als uit je lijf vallen. Je herkent je eigen lichaam niet meer. Mijn voetzolen ­hebben vijf maanden in brand gestaan. Geen ai-pijn, maar een zenuwpijn die je bij iedere stap voelt. Je ruikt niet meer zoals vroeger, je vel is niet meer hetzelfde. Je bent ­voortdurend bezig met kleine ongemakken onder controle te houden. Mijn lijf was een slagveld.”

De zware chemo nam je alles af: je haren, je wenkbrauwen, je smaak. Maar ook op geestelijk vlak was het een kaalslag: je verloor je vertrouwen, energie en interesses. Wat blijft er dan nog over?

“Niets. De week na de AC-chemo blijkt dat wie je bent, dat wat je als je kern definieert, er niet meer is. Ik kan niet zeggen dat ik depressief of zwaarmoedig was, want zelfs daar had ik de energie niet meer voor. Je bent een lege huls die de tijd laat voorbijgaan. Ik zat uren naar Njam! te kijken, terwijl ik amper iets at. Netflixen lukte niet meer. Weet je hoeveel energie het vraagt om bij een serie te onthouden wie de personages zijn en wat er vijf minuten geleden is gebeurd?

“Het werd donker in mijn hoofd en zelfs dat vond ik niet erg. Af en toe had ik een metamoment waarop ik me afvroeg hoe het kwam dat het me niets meer scheelde.”

Liesbeth Van Impe: ‘Het idee dat je houding bepaalt of je geneest of niet... Je zegt tegen iemand met hartproblemen toch ook niet: positief denken, dan zal je geen hartaanval krijgen!’Beeld Stefaan Temmerman

In die donkerste diepte stelde je je voor dat dat is hoe het moet zijn om te sterven. Je hebt bijna alles afgegeven en denkt: ‘Hier, het laatste stukje, dat kan ook nog. Neem maar.’ Niet het spectaculaire sterven, maar stilletjes uitdoven. Dat is heftig.

“Het is een neerwaartse spiraal. De avond na de chemo zit je lijf nog vol cortisone, je voelt je goed. Maar je ziet de verpleegsters met handschoenen aan voorzichtig de baxters met chemo aanhangen – het mag niet druppelen, want het goedje is zo toxisch dat het gaten in de linoleumvloer kan branden. Het idee dat dat in je lijf gaat, is mind-boggling. Iedereen die de tweede keer op bed gaat zitten om die chemo te krijgen, verdient een prijs voor moed en zelfopoffering. Je wilt het op een lopen zetten, maar je blijft, goed wetende dat de week die volgt de hel zal zijn.

“Op een avond tijdens zo’n kuur lag ik thuis in mijn bed – ruis in mijn oren, mijn voeten in brand. Mijn temperatuur zakte, mijn handen werden bleek. Ik bekeek ze en dacht: dit zijn de handen van een dode. Er schoot niets meer over van mij. Het zal wel een illusie zijn, maar ik had het gevoel dat ik het daar en dan had kunnen loslaten, terwijl ik geen enkele intentie had om dat te doen.

“Ik heb lang getwijfeld of ik het zo moest opschrijven, maar ik vond het een essentiële ervaring. Je zit zo diep en twee weken later moet je het opnieuw laten gebeuren. Dat vraagt alles van je. Een van de chemo’s is rood, je ziet die in een buisje dichterbij komen. Zodra de vloeistof mijn lichaam bereikte, begon ik te wenen. Je voelt er niets van, maar het vooruitzicht dat je over een paar dagen begint af te glijden en weer een zombie wordt die daar zit en de tijd laat voorbijgaan...”

Hoe ben je uit die donkere episode geraakt?

“Simpel: door rode bloedcellen te krijgen. (lacht) Eens de chemo was uitgewerkt, begon mijn beenmerg weer rode bloedcellen aan te maken. Je lichaam is niets meer dan chemie en biologie.”

Wanneer dacht je: hier zit een boek in?

“Vrij laat. Ik stuurde een nieuwsbrief naar vrienden en collega’s, maar dat was omdat ik de eerste maanden nog op de redactie rondliep en niet telkens hetzelfde verhaal wilde doen – en ook om het machogehalte wat te counteren. Ik had met luide trom verkondigd dat ik hier zeker geen boek over ging schrijven. Er bestaat zoveel literatuur over en over borstkanker is alles gezegd – dacht ik.

“Ik wilde wel een stuk voor de krant schrijven. Ik ben het gezicht van de krant en was een paar maanden weggeweest, je kan niet doen alsof er niets is gebeurd. De reacties op dat stuk hebben me over de streep getrokken.”

Toch schreef je in het voorwoord: ‘Niet nog een boek over kanker’. Alsof je jezelf daarvoor moet verantwoorden.

“Wat ik niet wilde doen, is opschrijven hoe kanker mij het leven heeft doen begrijpen en mij diepere inzichten heeft verschaft. Dat is het narratief waar kanker in zit: je moet positief blijven denken en sterk zijn, en in alle donkerte en ellende zal je de zin van het leven ontdekken. Daar heb ik het verschrikkelijk moeilijk mee – en dat is nog zacht uitgedrukt. Ik ben niet tegen positief denken, ik geloof in positivisme als levenshouding. Maar het idee dat dat bepaalt of je geneest of niet... Je zegt tegen iemand met hartproblemen toch ook niet: positief denken, dan zal je geen hartaanval krijgen! Dat gelooft toch niemand? Maar bij kanker hoor je dat constant. Die goedbedoelde raad ook: wees nu maar met de essentie bezig. Het is bijna de romantisering van de ziekte. Ik wil niet oordelen over kankerpatiënten die daar wel in geloven, maar ik werd er lastig van.”

Meer zelfs: je omschrijft het als ‘de terreur van het positief denken’.

“Heb je ooit een folder gezien waar mensen op staan die kankermutsen en pruiken dragen? Hoe patiënten daarop beaat aan het glimlachen zijn en er stralend uitzien... Volgens mij zijn dat niet eens kankerpatiënten. Zo zie je er toch niet uit als je kanker hebt? Kanker is gewoon lelijk en intriest en als je als patiënt het gevoel krijgt dat je die lelijkheid en tristesse niet mag laten zien, dan zeg ik neen.

“Ik noem het de kankerpirouette en ik heb ze zelf honderden keren gemaakt. Als je van iemand hoort dat die kanker heeft, dan is het eerste wat je zegt: ze kunnen tegenwoordig veel. Positief denken! Ik heb regelmatig de vraag gekregen of ik bang ben om dood te gaan. Vaak zat daar een sous-entendu in die inhield dat ik ‘neen’ moest antwoorden, want je gelooft in de wetenschap en de prognoses zijn goed. Maar natuurlijk was ik bezig met de dood! Ik was 42 en als de chemo niet aansloeg, dan was dat mijn grafsteen.”

Wat is de juiste vraag die je kan stellen aan iemand die kanker heeft?

“Ik wil er geen zeg-niet-zeg-wel-lijstje van maken, maar als je aan een kankerpatiënt vraagt of hij bang is om dood te gaan, stel de vraag dan op zo’n manier dat het antwoord ook ja kan zijn. En weet dat als het antwoord ja is, dat er nog een gesprek volgt. Ik ben mij ervan bewust dat veel kankerpatiënten en mensen die zwaar ziek zijn daar niet over willen praten. Maar je kan dat niet ruiken. Ook kankerpatiënten moeten aangeven waarover ze het wel en niet willen hebben.

“Er is geen gemakkelijke roadmap met de juiste vragen voor het perfecte gesprek met een kankerpatiënt. Creëer de ruimte waarin alles kan gezegd worden. Ik erger me aan het ‘jij bent sterk, jij overleeft het wel’-discours, wat op het eerste gezicht als een mooi compliment klinkt, maar eigenlijk complete onzin is. En kom bij mij niet af met vlierbloesemthee of een alternatieve therapie uit China. (rolt met ogen) Waar ik ook niet tegen kan, is het woord ‘gevecht’.”

Hou op met het een strijd te noemen, schrijf je. Kanker beleven is volgens jou een plek vinden in je hoofd waar je de ziekte kan ondergaan.

“Het zijn de dokters die het gevecht voeren. Ik voel me de wei van Waterloo: ik ben het slagveld, ik ben degene die het heeft moeten ondergaan. Dat klinkt passief, maar dat is het niet. Er gaan zitten en iedere keer opnieuw zeggen: doe maar, dat vraagt alles van je.

“Je niet verzetten, dat is het punt. Dat is mijn kanker­modus: de blik op oneindig en focussen op de volgende tien meter. En als dat niet gaat, op de volgende tien centimeter. Je geraakt er wel. Het woord ‘vechten’ is bijna lachwekkend. Zo voelt het echt niet.”

Het boek leest ook als een ode aan de vriendschap. Je verzamelde een netwerk van zorgenden rond je, van vrienden en collega’s die een stuk met je op weg gingen.

“Drie jaar geleden kreeg een van mijn beste vriendinnen borstkanker. Toen dacht ik: hoe zou ik dat in godsnaam aanpakken? Ik ben single! Het was mijn grootste schrik toen ik de diagnose kreeg. Dat het zo snel in een plooi is gevallen, is in de eerste plaats dankzij Pascal en mijn goeie vriend Bert (Bultinck, hoofdredacteur van ‘Knack’ en Liesbeths ex-collega bij ‘De Morgen’, SS). Pascal ging mee naar al mijn doktersafspraken, deed mijn afwas, ging voor mij boodschappen doen.

“Mensen zeiden: kom logeren als het niet gaat. Maar ik ken mezelf, ik sta op mijn privacy en mijn onafhankelijkheid. Ik wist dat ik thuis wilde blijven. En dus had ik veel mensen nodig om mij te helpen. We hebben het methodisch georganiseerd, met concentrische cirkels. Dat ging snel goed, na een week hoefde ik me daar al geen zorgen over te maken. Plots was iedereen met elkaar aan het mailen: mijn broers met Pascal, Pascal met Bert, zij met de collega’s.”

Je organiseerde chemodates, waar zelfs collega’s mee naartoe gingen. Hoe moeilijk was het om tegenover hen je kwetsbaarheid te tonen?

“Dat collega’s mee wilden op chemodate, heeft me verrast. Ik had zestien beurten voor de boeg, waarvan uiteindelijk twee derde door mensen van het werk is ingevuld. Ik ben nu acht jaar hoofdredacteur van Het Nieuwsblad. Ik maak lange dagen – met veel plezier: mijn job is voor een groot stuk mijn leven. Ik was op voorhand gewaarschuwd. Door mijn ziekte zou ik te weten komen wie mijn echte vrienden zijn. Maar bijna alle mensen hebben me positief verrast. En ik heb nog nooit zoveel roddels over het werk gehoord als toen.

Liesbeth Van Impe: ‘Iedereen vraagt: wat heb je geleerd? Weer die druk om er iets moois van te maken! In mijn geval heeft mijn oude leven me gered. Ik wist: ik heb in de juiste mensen geïnvesteerd.’Beeld Stefaan Temmerman

“Misschien was het gemakkelijk om mij te helpen omdat ik single ben. Iedereen wist dat ik het niet alleen kon. Bij koppels zullen mensen sneller het gevoel krijgen dat ze in de weg lopen. Maar eigenlijk zou je de zieke partner van een koppel vaker moeten benaderen alsof die single is. Er komt vaak een gigantisch gewicht bij de andere partner te liggen, die het gevoel heeft dat hij of zij het móét doen. Maar die mensen zitten al de hele dag samen – en dan nog eens zes uur tijdens de chemo. Breek dat open! Neem andere ­mensen mee, maak er een dagje uit van. Want chemodag is de beste dag van de week: je bent genoeg hersteld van de vorige keer en je gaat opgepompt van de cortisone naar huis.”

Meegaan op chemodate zou je ook kunnen zien als een vorm van misplaatst medelijden.

“Neenee, het is net de demystificatie van kanker. Je neemt een stuk van de schroom rond kanker weg door het zichtbaar te maken. Mensen stellen zich van alles voor, alsof je daar half zieltogend aan een baxter hangt. Nee, drie dagen later, dan is het verschrikkelijk! De dagkliniek is een vrij aangename plek. Ze komen er rond met koffie en je kan er rustig praten.

“Die chemodates waren voor mij een brug tussen de gewone wereld en die van de zieken. Nu wordt iemand ziek en verdwijnt die uit het gezichtsveld. Met de beste ­bedoelingen, want hij of zij moet focussen op herstel. Maar de scheidingslijn is te strikt. Door te blijven werken bracht ik mijn ziekte naar de redactie en door mensen mee te nemen op chemodate, trok ik hen in een wereld die ze niet kenden. Zo maak je het gesprek gemakkelijker bij de volgende kankerpatiënt die ze tegenkomen.”

Tijdens de lichte chemokuur bleef je werken en gebruikte je je vakantiedagen om naar de dagkliniek te gaan. Want deeltijds ziek zijn, dat gaat niet.

“Je kan wel deeltijds ziek zijn, maar alleen als je het eerst voltijds bent geweest. En ja, die vakantiedagen, dat is een aberratie, maar ik had ze toch niet nodig. (lacht) Voor alle duidelijkheid: ik ben vijf maanden fulltime out geweest. Maar de druk om van in het begin thuis te blijven, onder een dekentje te verdwijnen en na te denken over de zin van het bestaan, is groot als je ziek bent. Je moet ook uitleggen waarom je aan het werk bent – het wantrouwen van de overheid is groot. Ik snap dat wel: je wilt niet dat iemand onder druk wordt gezet om te blijven werken bij ziekte. Maar kanker is al erg genoeg. Er kan toch geen discussie over zijn dat je tijdens een chemokuur op de ziekteverzekering terugvalt?

“Als hoofdredacteur zie ik medewerkers soms vertrekken met ziekte of burn-out. Als ze terugkomen, moeten ze een drempel over. Vaak staan ze met het zweet in hun handen aan de deur. Meestal is pas bekendgemaakt dat ze ziek zijn toen ze al weg waren en is de eerste confrontatie met ­collega’s pas maanden later. Dat heb ik bewust vermeden. Ik wilde het zelf op de redactie zeggen. Ik kan je verzekeren: als je 180 man ongemakkelijk op zijn stoel wilt zien ­schuifelen, dan moet je een kankermail sturen. Maar het is belangrijk dat het ongemak zo snel mogelijk weg is. Door het moment uit te stellen, wordt het alleen maar groter.”

Ben je niet bang dat je met zo’n directe aanpak een norm hebt geïnstalleerd voor de volgende kankerpatiënt op je werk?

“Ik hoop van niet. Het ergste wat er kan gebeuren, is dat de mensen hier denken dat ze doodziek moeten komen werken, ‘want bij ons komen ze zelfs met kanker naar het werk’. Ik heb dat ook expliciet aan de redactie gemeld: dit is hoe ik het doe. Je kan er ook voor kiezen om alle energie in je gezin te steken. Maar dat heb ik niet. Ik wist dat hele dagen thuiszitten mij niet zou helpen.”

Je schrijft dat je ziekte je geen nieuwe inzichten heeft verschaft. Had je een loutering verwacht?

“Nee, maar dat is wat iedereen me nu wel vraagt: wat heb je geleerd? Weer die druk om er iets moois van te maken! Ik kan me voorstellen dat als mensen je ontgoochelen of als je niets van collega’s hoort, dat je dan de zaken gaat overdenken en op zoek gaat naar een andere draai in je leven. Maar in mijn geval heeft mijn oude leven me gered. Ik wist: ik heb in de juiste mensen geïnvesteerd en dat is een hele geruststelling.”

Chemodag is de beste dag van de week van Liesbeth Van Impe ­verschijnt op 16 oktober bij Borgerhoff & Lamberigts, 22,99 euro. 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234