Maandag 11/11/2019

Lierke Plezierke

Leen Huet

Tony's boekje Ernest Staas. Advokaat vond ik in de bibliotheek van een vriend; hij had het ontdekt tijdens een papierslag van de scouts, waar het, blijkens een aantekening in paars potlood op de kaft, hem twaalf frank armer maakte. En hij had het met genoegen gelezen, een voorbeeld dat navolging verdient.

De schrijver die zichzelf zo gemoedelijk Tony noemde, heette in werkelijkheid Anton Bergmann (1835-'74). Meester Anton Bergmann, preciseert het titelblad. Meester Bergmann was van Lier; deze gemoedelijke uitdrukking wordt de lezer ingegeven door het voorwoord dat Felix Timmermans aan Ernest Staas (1874) wijdde. Daarin vertelt hij dat de rijke weduwe Bergmann, met grijs haar "in bekskens", wel eens het winkeltje van zijn ouders bezocht om er "pereltjes, pailletten en tule" te kopen. Madame Bergmann, vernam hij van zijn vader, speelde een belangrijke rol in de verhalenbundel die haar man net voor zijn dood gepubliceerd had. Zo raakte het jongetje Felix in zijn eerste literaire betovering verwikkeld: hij zwierf door de straten van Lier op zoek naar door Tony beschreven plaatsen, hij verslond diens werken (waaronder een geschiedenis van Lier en een kleine studie over Philips van Marnix van Sint-Aldegonde). Bovenal hield hij van Ernest Staas: "Dit boek was als een lamp in wier licht ik menige mijner eerste vertellingen schreef." Zijn vader gaf hem aan de hand van deze bundel trouwens een eerste, belangrijke schrijversles: "Dit is nu juist de kunst, van leven en droom zo dooreen te mengelen dat alles leven wordt."

Het simpele pocketje van mijn vriend biedt de lezer niet minder dan drie voorwoorden; het derde is een brief van de Nederlandse schrijver Nicolaas Beets, vol lof over Ernest Staas. Als we de legende mogen geloven, ontving Tony deze brief tijdens zijn doodsstrijd en kon de inhoud hem niet meer voorgelezen worden. Geen wonder dat die twee schrijvers elkaar begrepen: Beets, beter bekend als Hildebrand, had het Nederlandse publiek in 1839 een verfrissend en geestig boek over het dagelijks leven geschonken, Camera obscura. Tony beschouwde hem als zijn leermeester. Felix Timmermans tekende raak de literaire omgeving waar beide mannen in werkten, "dien dorren tijd, toen er nog zooveel pompiersstijl en stadhuistaal uitgekraamd wierd... toen men in den Eiken Boom nog opvoerde Urbina of de Zegenpralende Onnoozelheid waarin zoo maar op 't eerste zicht aan de bedelares Urbina de liefdesverklaring van den rijken jongeling Oron voorkomt. 'Ziedaar een aalmoes schone roos.'

Urbina: 'Verschoon uw dienstmaagd die met ootmoed dan ontvangt dees gift, daardoor verhopende den menschenlist t'ontvluchten.'

Oron: 'Ach zoete rozenmond, ik bid u, wil niet duchten, gij zult mijn bedgenoot en waarde huisvrouw zijn.'

Zoo trok men toen het leven op flesschen."

Tony beschrijft voorvallen uit het leven van het kind, de jongen, de jongeman en de jonge advocaat Ernest Staas. Hij doet dat met een verrukkelijke eenvoud - van alle eenvoudige boeken die ik ooit gelezen heb is dit wel het helderste, zo gemakkelijk en eerlijk vloeit alles uit die pen. Je kunt in dit boek urenlang speuren naar een zweem van literaire pretentie of van zelfingenomenheid - ze zijn er gewoonweg niet. Het blijft een zeldzame ervaring.

Ernest Staas is, zoals het hoort voor knaapjes uit de negentiende-eeuwse letterkunde, een weeskind; maar in tegenstelling tot Oliver Twist, Rémy of Nello wordt hij opgevoed door een beminnelijke oude tante. Samen met Mie, de meid, en Man, de hond, wonen ze in het Pannenhuis - witte muren, groene luiken, rood dak, oude wingerd en vergulde windwijzer. Zulke woorden werken als een toverformule van geborgenheid. Tante breit kousen voor minstens vijftien neefjes en nichtjes en vertelt: "Eerst was het 'Blauwe Baard' en de 'bebloede sleutels', 'Roodkappeken' en de 'Wolf', maar vooral 'Duimken mijn zoon' met den 'Reus'; en als Tante, den Reus nabootsend, met holle stem riep: ''k riek menschenvlees', verstierf mij het bloed in de aderen, en meer dood dan levend, staarde ik naar den ingang, en wachtte hijgend het oogenblik af, dat de deur ging openvliegen, de Reus binnentreden, en met bulderende stem herhalen: ''k riek menschenvlees,' en ik zat de eerste!"

De grote verstoorder van dit soort geluk is altijd het onderwijs. Kleine Ernest bezoekt mademoiselle Monniers oordjesschool pour l'éducation des deux sexes in het Lierse begijnhof om te leren lezen, zijn catechismus opzeggen, fabeltjes voordragen en "nijgen en buigen, 'serviteurkens en servantjes' maken". Ernest vliegt op zijn eerste schooldag al voor straf in het kot, een kast onder de trap, maar hij leert ook Bertha kennen - een bevallig klein meisje met mooie jurkjes en grote ronde hoeden, Timmermans' latere madame Bergmann. De manier waarop de schrijver het thema van de "doellooze neiging" tussen de twee kinderen behandelt, is misschien het zuiverste staaltje van romantiek in dit boek: "Hoe oprecht, hoe vurig beminde ik u, zonder argwaan of achterdocht, zonder eene dier ellendige driften, dier lage berekeningen, treurige vruchten der ondervinding, welke zich later bij de edelste gevoelens mengen, en het zaligste genot verbitteren!"

'Bertha aan Ernest', schrijft het meisje op het schutblad van een boek dat hij als een talisman mee naar college neemt en op zijn kamer verbergt achter Griekse woordenboeken, een paar schaatsen en een zakje knikkers. Tony's beschrijving van het collegeleven mag klassiek worden genoemd. "Hier is het, alsof een loden last op alle harten drukt, alsof een onbekend spook alle monden sluit." De leerlingen zijn gewaarschuwd: "Als jongelingen met twee te zamen zijn, staat de duivel tusschen hen in." Ernests beste vriend krijgt voortdurend straf: "Ik zie den armen jongen nog zitten in de ledige studiezaal, bezig met schrijven en wrijven met twee-drie pennen over elkaar gebonden, zooveel kopij leverend op een half uur als twee stadhuisklerken op eenen geheelen dag..." Strafkopij was gewoonlijk afkomstig uit Télémaque, het boek waarmee een kleinzoon van Lodewijk de Veertiende opgevoed was en dat een dikke honderd vijftig jaar later nog altijd als een pedagogisch standaardwerk gold. Maar ook honderd keer 'De zuiverheid des harten is de duurbaarste schat der jeugd' neerschrijven oefende een heilzame invloed uit.

Ernest Staas, zo leert de ondertitel, wordt advocaat. Wie de gewoonte heeft om zijn beroepsgroep met een zekere reserve te bekijken, denkend aan langgerekte procedureslagen, onverklaarbare erelonen en duister jargon, aan opportunisme tout court, zal zich over dit boek verwonderen. We zien een wat sullige jongeman stage doen bij een bekende strafpleiter, die hem ter oefening een dossier van voor de zondvloed toeschuift. "Gedurende de twee eerste jaren stage had ik weinig aantrek voor het werk getoond. Ik kwam uren te laat op de studie, bleef zoo korten tijd mogelijk, dien ik dan nog met pennen vermaken, letteren trekken, handschoenen passen, sigaren aftoppen en moustachen zwarten aanvulde." Als deze arme jongeman de jongste dochter van zijn patroon ontmoet, wordt hij meteen smoor op haar; elke dag koopt hij een ruikertje bloemen, legt het in de la van zijn lessenaar en hoopt dat de jongedame het kantoor nog eens zal betreden - wat nooit gebeurt.

Die verslensende liefde, het antediluviaanse dossier en een paar in der minne geregelde pro-Deozaken zijn alles wat onze jonge held in die proefjaren bezighoudt. Eenmaal de eigen praktijk geopend gaat het niet veel beter: maandenlang zit Ernest te wachten op zijn eerste opdrachten. "Er bestaan altijd meer rechtsgeleerden dan cliënten, meer advocaten dan processen." Het schrikbeeld van de vrije beroepen vandaag is blijkbaar al stokoud. In plaats van saaie rechtbankverslaggeving krijgt de lezer dan maar een leerzame ontleding van het advocatendom voorgeschoteld, eindigend met de succesvolste vertegenwoordigers van het beroep: de advocaten-met-voorspraak. "De poortier uit de gevangenis, drie bazen van de voornaamste volksherbergen, een tiental politieagenten zijn zijne innige vrienden. Er wordt geen slag geleverd, geen vechter in hechtenis genomen, of aanstonds krijgt hij het adres van Mr. De Volder."

De arme jongen, die lang gestudeerd heeft, zijn tante veel geld kostte en zich afvraagt waar hij uiteindelijk goed voor is, draagt het hart wel op de juiste plaats. Je deelt zijn beginnersverontwaardiging omtrent wetten, die er op papier prachtig uitzien en in de praktijk tot nieuwe onrechtvaardigheden leiden; zijn zenuwachtigheid over zijn eerste pleidooi, dat zijn Vlaamse klanten naar de lengte moeten beoordelen, omdat ze geen Frans verstaan. Zo waanzinnig was het wel, dat je niet in je moedertaal verdedigd of veroordeeld kon worden. Het ergert Ernest Staas allemaal en dat siert hem. Geen kwaad woord over het recht op verdediging, maar het verrast aangenaam, lezen over een jonge advocaat met een slabakkend kantoortje die toch geen huisjesmelkers en afpersers als cliënten aanvaardt. Schuif terzijde die rechtbankthrillers en verdiep u eens in deze charmante kleine klassieker, Ernest Staas. Mens.

Tony (Mr. Anton Bergmann), Ernest Staas. Advokaat, met voorrede van Felix Timmermans en een levensschets van den auteur door dr. J.F.J. Heremans, met reproducties naar de oorspronkelijke etsen van Willem Geets, N.V. Het Kompas, Antwerpen, 1943.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234