Zondag 28/11/2021

Liefste, open je armen zodat ik er ademloos in kan vallen

Waarschijnlijk is er nog één ding erger dan een rampspoedig bestaan: na je dood in handen vallen van een biograaf die te veel van je houdt. Het overkwam Dolly Wilde, die levenslang bezig was met lijken op haar oom Oscar en daarbij nogal eens vergat dat niemand Oscar Wilde beter imiteerde dan Oscar Wilde zelf. Joan Schenkar poogt Dolly's leven te beschrijven, maar knuffelt haar dood.

Erwin Mortier

Joan Schenkar

Truly Wilde. The Unsettling Story of Dolly Wilde, Oscar's unusual niece

Virago Press, 442 p., 1620 frank

Dolly Wilde, voluit Dorothy Ierne Wilde (1895-1941), schitterde en verlepte in hetzelfde milieu waarin Oscar zijn laatste jaren had doorgebracht: de artistieke beau en demi monde van Parijs. Hij rond de eeuwwisseling, zij in het interbellum. Ze had dezelfde lange gestalte, merkten oude bekenden van Oscar op, en door een bestudeerde make-up, coiffures en kleding kon Dolly de gelijkenis nog verder ten top drijven. "Oscaria" noemden haar vrienden haar, en zijzelf vond dat ze vaak meer Oscar was dan Oscar zelf ooit was geweest. Ze had eveneens het Wildiaanse gevoel voor bon-mots en oneliners, waarmee ze André Gide soms zodanig aan het schateren bracht dat de tranen hem over de wangen liepen - iets waar haar oom nooit in was geslaagd. Ze was net als Oscar de Griekse Liefde toegedaan, maar wel in een periode toen dat stilaan in de mode kwam of alleszins meer werd gedoogd dan aan de overkant van het Kanaal. Dolly had van vaderskant helaas ook een neiging naar verslavende stoffen geërfd, waarvan alcohol nog de minst onrustbarende was, die haar uiteindelijk het leven zou kosten.

Haar kinderjaren zijn uiterst schaars gedocumenteerd, maar als je op je negentiende het ouderlijke nest per boot ontvlucht om als ambulancierster aan de fronten van de Eerste Wereldoorlog te werken, kan die kindertijd niet erg gezellig zijn geweest. Aan het front deed Dolly een voorliefde voor snelle wagens op en haar roekeloze rijgedrag, zowel op de weg als in de liefde, en al of niet in combinatie, want haar eerste liefdesaffaire begon achter het stuur van haar ambulance. Mogelijk brachten de stress en de voortdurende angst van het frontleven haar ook tot de morfine, het begin van een levenslange affaire met tal van opiaten, die ze in de meest gedurfde combinaties opsnoof of inspoot, afgewisseld met zelfmoordpogingen, niet door overdoses, maar door zich de polsen over te snijden (naar verluidt zelfs tweemaal terwijl ze bewusteloos was van de pillen) en met 'noodverleidingen' ofte avonturen van een of meerdere nachten met dames waar ze nadien maar moeilijk van afkwam.

Aan het front leerde Dolly waarschijnlijk ook Gertrude Stein kennen, die haar pogingen om de literatuur te vernieuwen om patriottistische redenen had onderbroken en en route met gewonde soldaten de Franse wegen onveilig maakte. Gertrude was achter het stuur minstens even eigenzinnig als Dolly. Verkeersregels vond ze onzin en ze weigerde, een kwestie van waardigheid, steevast in achteruit te rijden. Maar Stein staat bij het nageslacht niet zozeer bekend als gevaar op de weg, dan wel als schrijfster, een van de auteurs die het modernisme de letteren in leidde, of omgekeerd, waar Dolly, al haar ambities ten spijt, nooit in is geslaagd. Ze zou onder meer via Stein in contact komen met het kruim van de literaire wereld, maar nooit meer worden dan een randverschijnsel.

Truly Wilde is het verslag van het verspilde leven van een intrigerende zielenpoot waarin een heel tijdperk tot leven had kunnen komen als dat verslag maar niet uit de pen van Joan Schenkar was gevloeid. De schrijfster geniet in de States vooral bekendheid als auteur van theaterstukken, waaronder een aantal sociale komedies, en ze is duidelijk op haar best wanneer ze dat talent in dienst stelt van haar onderwerp. Bepaalde gebeurtenissen evoceert ze zo beeldend dat het lijkt alsof je er als lezer bij aanwezig bent, maar elders verpietert haar betoog, vooral wanneer ze Dolly's psyche probeert te doorgronden.

Het verhaal steekt pas goed van wal wanneer Dolly in april 1927 haar opwachting maakt in het salon en kort daarop ook de slaapkamer van Natalie Clifford Barney. Het huis van deze Amerikaanse schrijfster aan de linkeroever van de Seine vormde zestig jaar lang een ontmoetingsplaats voor al wie in de kunsten iets te betekenen had en alle fans, pers en parasieten die om dat wereldje heen zoemden. Barney was meteen in de ban van Dolly, van haar conversatie, van de sigarettenas die ze doodgemoedereerd op het tapijt liet vallen en vooral van haar florale handen. Bijna alle vrienden blikken op Dolly terug met behulp van - letterlijk - bloemrijke metaforen en ook Schenkar zelf laat er zich geregeld door op sleeptouw nemen: "Ze zag er even vol en delicaat geschakeerd uit als een boeket witte pioenen, miraculeus afgeleverd uit een zoeter seizoen en een exotischer land."

Niet slecht als verbloeming van de lagen poeder waarmee, zo getuigen de foto's, Dolly haar delicate aanschijn bereikte, maar wel ergerlijk als het op een elegante manier de aandacht afleidt van de veel minder welriekende conclusie dat de lyrische bewoordingen waarin Dolly door haar vrienden beschreven wordt, ook een intense betutteling kunnen verhullen. Een betutteling waarvan Dolly, geliefd als dubbelganger, als bedgenote, als roddeltante, kortom als accessoire, zich terdege bewust was. "Ik heb de indruk", schrijft ze in een van haar brieven aan Barney, "dat ik voor jullie een soort renpaard ben, eeuwig bekritiseerd, afwisselend bewonderd en afgekat naargelang de luimen van het publiek."

De eerlijkheid gebiedt hieraan toe te voegen dat dat wispelturige publiek geregeld gealarmeerd was door Dolly's verslavingen, en dat haar meer intieme vrienden haar verscheidene keren moesten redden uit hotelkamers waar ze zelfmoord wilde plegen of haar te hulp schieten om haar van een van haar 'noodverleidingen' af te helpen.

Het is Schenkar vooral om Dolly's brieven te doen, om het uitmuntende schrijftalent dat er uit zou blijken, de voornaamste reden om haar aan de vergetelheid en de voetnoten in andermans biografieën te ontrukken. Maar juist daarin weet Truly Wilde maar matig te overtuigen. In het boek schuilt namelijk een dubbelzinnigheid die aan Schenkar, hoezeer ze zich in haar inleiding ook rekenschap geeft van de risico's van het biografische genre, volkomen voorbij is gegaan. Hoe maak je een biografie over iemand wiens voornaamste literaire verwezenlijking bestaat in een volgens jou schitterende verzameling brieven, die echter nog nooit werd gepubliceerd? Doorgaans is een oeuvre de aanleiding tot een biografie van de maker ervan. Schenkar wil het omgekeerde ondernemen: een biografie als 'reclame' voor een oeuvre dat niemand kent of kan kennen, want Dolly's brieven bevinden zich in obscure bibliotheken en depots, of in het privé-bezit van nog levende getuigen, die niet zelden de koekentrommel stevig dichthouden en in een paar gevallen ook last hadden van al of niet geveinsd geheugenverlies.

Het is dan eigenlijk niet te vermijden dat je je als biograaf tussen je onderwerp en de lezer in wurmt, iets waarmee Schenkar hoe dan ook weinig moeite heeft. Ze vergast ons uitgebreid op haar zoektocht naar vrienden van Dolly en laat ons deelnemen aan haar verrukking wanneer ze hier een ouwe geliefde, daar een bundel brieven terugvindt. In een apart hoofdstuk wijst Schenkar op de epistolaire talenten van Dolly, maar verder worden de brieven even grondig verknipt als Dolly's organen nadat ze in april 1941 dood werd aangetroffen in haar Londense flat. Het verslag van de gerechtsarts wordt wel omstandig weergegeven. Truly Wilde is eigenlijk geen levensbeschrijving, maar iets dat het midden houdt tussen een autopsie en een spiritistische seance. Je wordt op zijn minst kribbig wanneer de schrijfster meedeelt dat nogal wat van de informatie die ze aan haar lezers presenteert, afkomstig is van "intense telepathieën voortgebracht door de vereniging met mijn onderwerp". Een mens vraagt zich af of wat doordeweekse verbeelding niet had volstaan. Helemaal gortig wordt het wanneer Schenkar een afdruk van Dolly's linker handpalm meeneemt naar een handlijnkundige en diens vier pagina's tellende verslag als appendix afdrukt, naast een recept voor 'Kip Maryland', naar verluidt Natalie Barneys favoriete lunch. Het is vermoedelijk allemaal ironisch bedoeld, een poging van de schrijfster om Dolly's gevoel voor absurde humor over te hevelen naar haar eigen relaas, maar je kan er zo gul mee omspringen dat het uitdraait op verholen minachting voor je onderwerp. Dubbel jammer is dat voor iemand als Dolly, van wie waarschijnlijk niet snel een tweede biografie te verwachten valt. Schenkar laat zien dat haar leven een goede biografie had kunnen worden, als ze maar niet zo stelselmatig naast de kwestie had gekeken. Terecht stipt ze aan dat het milieu van hele en halve artistieke talenten aan de Parijse rive gauche voor Dolly de ideale biotoop vormde waarin ze als een pioen kon bloeien. De passages waarin Dolly openbloeit zijn juist die waarin Schenkar haar in die context schetst. Maar elders blaast ze haar onderwerp veel te veel op, bijvoorbeeld wanneer ze Dolly's vlucht naar Frankrijk Byroniaanse dimensies verleent: "Dolly moet zelf veel van Byrons chaotische aandriften hebben gevoeld: zijn deelname aan de Griekse oorlogen was het perfecte paradigma romantisch gedrag - wat is er opwindender dan een verloren zaak?" Dolly's verloren zaak was Dolly zelf, de verovering van haar eigen chaotische persoon en Truly Wilde had het bijtende relaas kunnen zijn van een chronische mislukking. Dolly komt nu al te zeer uit Schenkars woorden naar voren als een pathetische kloon van haar oom, een schaap van een vrouwmens. De tweede beste Wilde, noemt Schenkar haar, en de tweede beste minnares van enkele illustere geliefden. Dolly kreeg een gelijksoortige biografie. Of het lot daarmee onrechtvaardig dan wel consequent is geweest, doet weinig terzake. Lees Truly Wilde als een ongelijk verslag van een tragisch leven, en laten we hopen dat iemand ooit die brieven publiceert.

Dolly Wilde in een brief aan de Amerikaanse schrijfster Natalie Clifford Barney: 'Ik heb de indruk dat ik voor jullie een soort renpaard ben, eeuwig bekritiseerd, afwisselend bewonderd en afgekat naargelang de luimen van het publiek'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234