Vrijdag 24/01/2020

Liefde in tijden van eenzaamheid

Tim Krabbé jongleert met wraak en woede in Een goede dag voor de ezel, Marja Pruis schreef het very British relatiedrama De vertrouweling, David Nolens toont zich een groot stilist in de ietwat etherische roman Het kind. Herman Leenders voert ons in De echtbreukeling mee langs de sluipwegen van de (v)echtscheiding. Dirk Leyman las recent Nederlands proza.

Wraak en personages die de pedalen verliezen: dat is een kolfje naar Krabbés hand

Bij Tim Krabbé (°1943) weet je meestal wat je krijgt voor je leesgeld. Hij produceert glashelder, meeslepend proza met een verende ritmiek en grossiert in uitgekiende plots die het ongemak onbarmhartig doen overslaan. De auteur van kleinoden als Het gouden ei en de klassieke wielerroman De renner is een geslepen vakman met - zoals dat heet - veel psychologisch inlevingsvermogen. De laatste jaren leek er wat sleet te komen op de dwingende kracht van Krabbés verhalen. Zo bleef de in 2004 verschenen mininovelle Drie slechte schaatsers behoorlijk mat en vrijblijvend.

Een goede dag voor de ezel begint opnieuw met achteloze bravoure en met zo'n typische Krabbé-zin: "Gelukkig zijn was het makkelijkste wat er was." Dat het geluk zwaar in de waagschaal zal worden geworpen, is dan al een zekerheid. In deel één volgen we het spoor van Mischa Korenman die in het afgelegen dorp IJperloo met een geladen pistool rondbanjert. Deze weinig succesvolle schrijver heeft het plan opgevat om zijn ex-vrouw te vermoorden, maar tijdens een schietoefening in een verlaten bos roept hij zichzelf weer tot de orde. Toch pleegt Mischa luttele momenten later wel degelijk een moord. In een opwelling doodt hij Bart Meeuwse, een lompige jongeman met een hakenkruis op zijn schooltas. Net daarvoor had deze dwingeland op de bus een zekere Esther vernederd door haar "Viskutje" toe te roepen. Prangend beschrijft Krabbé hoe Mischa's woede zich door deze gebeurtenis naar een ander slachtoffer 'verplaatst' en hem tot een handelende automaat maakt. Bart Meeuwse blijkt een kleine crimineel en notoir geweldenaar, die ook de aanstichter is van groepsverkrachtingen. IJperloo haalt bijna opgelucht adem. Mischa blijft op vrije voeten, anoniem wordt zijn 'rechtvaardige' daad geprezen. De Man met de Gele IJsmuts (zoals hij in de media bekend zal komen te staan) zoekt veiligheidshalve toch zijn heil in Australië en ontmoet er Lynda, de vrouw van zijn leven. "Gelukkig worden door een moord - het was alsof hij met een vals toegangskaartje het paradijs was binnengekomen", staat er.

In het tweede hoofdstuk geeft Krabbé een ander, verrassend perspectief op de uitgezette verhaallijnen. Esther, alias Viskutje, blijkt het liefje van Bart Meeuwse te zijn geweest. Herhaaldelijk is ze door hem en zijn vrienden seksueel misbruikt. Wanneer zij aan haar bezorgde vader de ware toedracht vertelt, cultiveert deze een helse woede, die dreigt over te gaan in blinde moordzucht. Intussen weet de lezer dat De Man met de Gele IJsmuts de klus voor hem heeft geklaard.

Tot hier (en niet verder) houdt Krabbé zijn boek geloofwaardig en op kruissnelheid. Wraak, opvonkende woede en personages die de pedalen verliezen: dat is tenslotte een kolfje naar Krabbés hand. In het slotdeel gaat het echter goed mis. Krabbé laat Viskutje, haar vader en moordenaar Mischa wel héél toevallig elkaars pad kruisen, zonder dat hij er dramatisch nog één jota mee aanvangt. Een goede dag voor de ezel dooft daardoor uit als een nachtkaars. Dat het boek ook een resem foeilelijke zinnen bevat ("Het was zo vies, dat wat jij aan een ander gaf omdat jij jij was en die ander die ander, aan mensen vertoond werd die er niets mee te maken hadden") maakt de nasmaak nog fletser.

Tim Krabbé

Een goede dag voor de ezel

Prometheus, Amsterdam, 119 p., 14,95 euro.

Pruis geniet te veel van haar eigen bedaarde kronkels over de liefde

Twee geslaagde mislukkingen heeft de Nederlandse Marja Pruis (°1959) op haar actief: het biografische De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (dat op te veel benen tegelijk hinkte) en de lustfilosofische roman Bloem (waarin ze zich aan de liefde vertilde). Met De vertrouweling voegt ze daar een derde exemplaar aan toe. Vreemd: telkens is het of Pruis haar verhaalstof volledig naar haar hand zal weten te zetten, maar altijd weer hebben haar boeken iets gekunstelds en onafs, alsof ze met de handrem op schrijft.

In De vertrouweling wroet Pruis weer met hartstochtelijke ijver in de geheimen van een relatie en redeneert ze erop los over vriendschap, het belang van kinderen en de immer bedreigde harmonie van het 'hemelse span' dat het huwelijk zou moeten zijn. Het boek is volledig opgehangen aan de verdwijning van Gwen. Zij woont in Oxford, is getrouwd met Vince en moeder van de puberdochter Anna. De onrustbarende gebeurtenis voltrekt zich wanneer het Nederlandse koppel Saskia en Geert met hun twee zoontjes op visite is. Aanvankelijk lijkt er geen verklaring mogelijk. Er was geen vuiltje aan de lucht in het modelgezin, alles leek intiem en hooguit gezapig. Maar - zo lijkt Pruis te suggereren - kennen we de ander wel en moet je in een relatie niet steeds voorbereid zijn op een donderslag bij heldere hemel? "Je weet het soms niet hoe wanhopig iemand is. [...] Je weet het gewoon niet." Volgens het principe van de langzame onthulling vernemen we in korte hoofdstukjes meer over het geaccidenteerde huwelijk van Gwen en Vince. Telkens wisselt het perspectief, het merendeel van de tijd laat Pruis vriendin Saskia aan het woord, maar ook dochter Anna en Gwen zelf mogen ons inzicht bieden. Dat werkt lange tijd goed, al is de stijl zuinig en soms storend kortaf, met dokkerende zinnetjes. Pruis legt weinig animo in haar verhaal: het raakt ons niet dat zowel Vince als Gwen scheve schaatsen rijden en een kind hebben bij een ander. Telkens wanneer je vermoedt dat het boek écht open zal breken, blijft het rondjes rond de eigen navel maken. De eindeloze bedenkingen van vooral Saskia worden voorspelbaar en vlak (en daar kunnen de talloze hints naar Angelsaksische voorbeelden als Ian McEwan, Anne Tyler of de Bröntes geen redding brengen): nee, het is niet eenvoudig om je aan de wurggreep van de dagelijkse sleur te onttrekken; ja, het leven staat stijf van de banaliteit; maar laten we het toch maar weer eens proberen: "Ik zou hem vragen hoe het was, hoe zijn leven was. En hij zou in zijn koffie turen en me dan weer aankijken. Ach, zou hij zeggen." Te weten dat wijlen Raymond Carver dit huis-, tuin en keukenverdriet allemaal al honderd maal beter in verhalen heeft gevat, volstaat om dit boek terzijde te leggen. Die vergelijking is oneerlijk. Pruis geniet gewoon te veel van haar eigen bedaarde kronkels over de liefde en de eenzaamheid en vergeet daarbij haar lezers. Die willen vooruit, tenminste in dit boek.

Marja Pruis

De vertrouweling

Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam, 216 p., 16,50 euro.

Het kind staat tjokvol zinnen die je blindelings zou willen kunnen citeren

Dat statisch, navelstarend proza geenszins vervelend hoeft te zijn, bewijst David Nolens (°1973) in Het kind. Na zijn debuut Vrint (2002), waarin hij zijn stilistische eigenzinnigheid al genoegzaam demonstreerde, verbaast hij met een vreemdsoortig gevoelige novelle over mentale verlamming en het totale onvermogen om in het volle leven te stappen.

Het is een uiterst klein universum waarin de vier personages Paul, Judith, Fien en Bug zich verschansen. Je zou kunnen zeggen dat zij uitsluitend in hun eigen lichaam en hoofd toeven en dat de buitenwereld een voortdurend te vermijden bedreiging is. Vooral Paul is één brok besluiteloosheid en inertie. Hij lijdt aan een ziekte: "Zij heeft als belangrijkste symptoom dat niets als echt wordt ervaren." Hij is een man zonder eigenschappen, "hij kan zich veel levens dromen maar geen enkel in gang zetten." Paul doet niets liever dan "de zwaartekracht optimaal verdelen": hij slaapt, hij ligt, hij mijmert, hij is niet in staat om te werken en "verveelt zich sierlijk". Paul is zich hyperbewust van zichzelf en praat over zijn toestand met de bakker Bug, terwijl die zijn deeg ranselt. Pauls dadenloosheid heeft een oorzaak, zo weten wij vanaf de aanvangspagina's. Het komt omdat hij zijn vader voor zijn ogen heeft zien doodvallen en hem laatste onbegrijpelijke woorden heeft horen murmelen. Het tekent Paul voorgoed, het slaat een bres in zijn bestaan. Daarom is hij immobiel geworden. "Zijn pijn verdient een schoonheid die recht evenredig is": dat is zijn vrouw Judith, het adoptiemeisje met haar huid van cacao. Judith lijdt dan weer onder haar esthetica en is al evenzeer behept met twijfelzucht en levensangst. Toch zorgt zij voor de broodwinning en tolereert zij Pauls status-quo. Dan neemt Paul een besluit: een kind zal hun beider leven een bestemming, een finaliteit geven, al zal hij dan misschien een "Vadertje Niemand" zijn. Het zal een jongen zijn en hij zal Fabian heten. Eens Judith zwanger is, vergroot Pauls verwarring, zodanig dat hij zelfs bij de voluptueuze bakkersvrouw Fien "zijn portie troost [gaat] uitlepelen" en zich aan haar borsten laaft. Maar ook het kind zal zijn leven niet wakker schudden. Geen wonder dat de opgroeiende zoon Fabian later in hetzelfde bedje ziek is: "Ze hebben van hem een dorre tak aan een stamboom gemaakt. Nu vragen ze hem te bloeien. Ze spreken uit monden gegoten uit plastic." Fabians leven vindt evenmin een bestemming: "Als mijn leven een boek is, dan een somber, meelijwekkend en misschien wel afschuwelijk boek dat niemand wil lezen."

Het kind gaat over mensen die het leven niet meester kunnen. Omdat ze de instrumenten niet hebben of omdat ze niet in staat zijn hun eigen bestemming te ontdekken? Omdat ze existentiële wroeters zijn of als een koppige vorm van verzet? Lang niet toevallig doet Het kind ook denken aan Un homme qui dort (1967) van Georges Perec, waarin een man zich ook in nietsdoen, staren en slapen vermeit. Nolens' personages zijn bijwijlen van een verregaande abstractie, terwijl ze toch erg plastisch denken. Het kind staat tjokvol zinnen die je blindelings zou willen kunnen citeren. Vanwege de rijkdom aan motieven, de slimme - maar nooit opdringerige - literaire referenties en de vaak beroezende taal, reken ik dit boek tot de beste Vlaamse novelles van dit jaar.

David Nolens

Het kind

Meulenhoff/Manteau, Antwerpen, 155 p., 17,95 euro.

Er moet een gretige markt zijn

voor deze petite histoire

De West-Vlaming Herman Leenders (°1960) is een onopvallende, spaarzaam publicerende eenzaat in de Nederlandse letteren. Als dichter heeft hij enige renommee en vergaarde hij een paar bekroningen; als prozaïst publiceerde hij elf jaar geleden enkel Het mennegat. Op vestzakformaat is er nu De echtbreukeling, een bitter, bij momenten ongenadig boekje over een man wiens leven verbrijzeld wordt door een toornige ex-echtgenote en noodgedwongen alle perfide stadia van een slepende echtscheiding doorloopt.

Op zekere dag wordt ene K. bruusk voor de rechtbank gehaald door zijn echtgenote Frida, met wie zijn huwelijk al langer op een laag pitje staat. Wat volgt is een onvervalste nachtmerrie, waarin K. (de obligate Kafka-verwijzing is overigens nogal misplaatst) in talloze varianten het mes op de keel krijgt. Hij wordt uit zijn huis gejaagd, verliest zijn spullen en op allerlei slinkse manieren ontzegt Frida hem het contact met zijn kinderen. "Hij wordt weer in de tijd teruggezet, teruggeslagen door de vloedgolf die zijn leven overspoeld heeft." Gaandeweg raakt hij volkomen geïsoleerd, want ook zijn hypocriete vrienden en op sensatie beluste kennissen belasten hem met schuld en boetedoening. De verdraaide woorden, de eindeloze communicatiestoornissen, het getouwtrek om de kinderen, de liefde die in haat omslaat, de mentale loopgravenoorlog én Frida's gejengel om 'respect': Leenders laat geen detail onbesproken en vertelt snedig de ontluistering van zijn hoofdpersonage. Hij moet niet veel moeite doen om je aan de kant van K. te krijgen. De slome maar scherpziende man die amper nog verweer heeft, wentelt zich immers zelden in de rol van slachtoffer en draagt zijn lot waardig. Frida's woorden daarentegen zijn als geladen wapens: "Woorden zijn bodembedekkers. Onder de woorden schuilt een netwerk van intriges, net zo onuitroeibaar als het fijne wortelgestel van klaver in een gazon." Toch is het beste kapitteltje misschien wel dat waar K. zich weifelend in een nieuwe relatie begeeft en met Bettina meteen in een poel van burgerlijkheid verzandt, waar hij vol dubbelhartigheid uit probeert te raken.

De echtbreukeling (wat een kromme, stroeve titel trouwens) is zeker geen onmisbaar boek. Daarvoor is het te beperkt in zijn ambitie en is het slot een beetje knullig. Af en toe wordt het geschrift ook ontsierd door al te rancuneuze oprispingen, door Leenders - gelukkig - ingekapseld achter een deklaag cynisme. Zonder twijfel zorgt Leenders voor instant herkenbaarheid bij de 30.000 koppels die in dit land jaarlijks in een echtscheiding verwikkeld zitten. Er moet een gretige markt zijn voor deze petite histoire, waarin levensechte staaltjes schuilen van galopperende scheldtirades tussen de vroegere bedgenoten.

Herman Leenders

De echtbreukeling

De Arbeiderspers, Amsterdam, 144 p., 14,95 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234