Maandag 26/10/2020

Lichtelijk geobsedeerd

Heel zijn korte leven heeft Nicolas de Staël (1914-1955) gevochten met het licht: de zinderende zon van het Zuiden en de talloze tinten grijs van het Noorden. De Franse havenstad Le Havre toont nu 130 schilderijen en tekeningen van De Staël. Landschappen en zeegezichten teruggebracht tot de essentie: lijn, kleur, ruimte, en emotie.

Nicolas de Staël wordt vaak in één adem genoemd met Vincent van Gogh. Dat is terecht, maar ook onterecht. Terecht, omdat ze allebei bezeten schilders waren: leven stond gelijk aan schilderen en schilderen was vechten met de verf. Allebei hebben ze een razend leven geleid, een leven 'in galop'. En beiden waren bohemiens: rusteloosheid, drank en vrouwen speelden een hoofdrol in hun bestaan.

Alletwee hebben ze op hoogstpersoonlijke manier de loop van de schilderkunst beïnvloed, en beiden besloten zelf uit het leven te stappen: Van Gogh op zijn 37ste, De Staël op zijn 41ste. Maar Nicolas de Staël had - om maar één essentieel verschil te noemen - wel succes tijdens zijn leven: in galeries van Parijs tot New York. Het is dan ook geen toeval dat het merendeel van de schilderijen in het Musée d'art moderne André Malraux in Le Havre uit privécollecties afkomstig is.

Net als zoveel andere schilders - Monet, Van Rysselberghe, Matisse en natuurlijk Van Gogh - was De Staël een man van het Noorden die aangetrokken werd door het licht van het Zuiden. En De Staël was écht een man van het Noorden. Hij werd geboren in 1914 in Sint-Petersburg als telg van een adellijk geslacht. Het gezin slaat in 1917 op de vlucht voor de Russische Revolutie en komt terecht in Polen. In 1922 sterven de ouders van Nicolas en wordt hij, samen met zijn twee zussen, opgevangen door een Belgisch gezin.

De Staël groeit op in Brussel, gaat naar school in Eigenbrakel en schrijft zich in aan de academie van Brussel en van Sint-Gillis. In de catalogus - een prachtig verzorgd en uitvoerig geïllustreerd naslagwerk - staat een foto van de jonge Nicolas, die in de zomer van 1933 met een schetsboek in de hand zit te tekenen op een duin in De Panne, gefascineerd door de zee en het landschap.

Na reizen door Zuid-Frankrijk, Spanje, Marokko en Italië, vestigt hij zich in 1938 in Frankrijk met zijn eerste vrouw, Jeannine Guillou, die jong sterft. De Staël stort zich op het schilderen. Obsessief, onafgebroken. Tot hij, op 16 maart 1955, in Antibes van het balkon van zijn atelier springt. Een zelfgekozen dood in.

Nicolas de Staël is bij ons niet meteen een grote naam. In Frankrijk wel. Zeker sinds de vaak herdrukte biografie Le Prince foudroyé van Laurent Greilsamer uit 1998 en de grote retrospectieven in de Hermitage van Sint-Petersburg en het Centre Pompidou in Parijs (allebei in 2003) staat de Frans-Russische schilder weer helemaal op de kaart. Voor het MuMa van Le Havre wordt dan ook aangeschoven om de tentoonstelling Lumières du Nord - Lumières du Sud te zien.

Het museum grijpt de honderdste geboortedag van Nicolas De Staël aan om een essentieel aspect van zijn schilderkunst te belichten: het landschap en het zeegezicht. In de laatste drie jaar van zijn leven schilderde De Staël de helft van zijn oeuvre en daarvan bestaat het leeuwendeel uit landschappen en marines. Voor de schilder ging het niet om klassieke landschappen: hij was niet geïnteresseeerd in het herkenbare en anekdotische, maar herleidde het landschap in zijn schilderijen tot de absolute essentie: lijn, licht, horizon, vlakken, kleur.

Maar vooraleer Nicolas de Staël aan zijn landschappen begon, was hij, kort na de Tweede Wereldoorlog , een overtuigd abstract schilder. Hij maakte nogal constructivistische-abstracte doeken met geometrische figuren in duistere bruintinten en korrelige verf. Niet zoals de grote Amerikaanse abstracten Pollock en De Kooning.

'Abstract' was evenwel een woord dat De Staël haatte: voor hem was er geen onderscheid tussen figuratie en abstractie. Er was alleen schilderkunst. "Een schilderij moet tegelijk abstract en figuratief zijn", schrijft hij in een van zijn vele brieven. Want een schilderij is volgens hem tegelijk een muur én de uitbeelding van een ruimte. "L'espace pictural est un mur mais tous les oiseaux du monde y volent librement, à toutes les profondeurs."

Dat neemt niet weg dat vanaf 1951 de 'abstracte' schilderkunst van De Staël merkelijk 'figuratiever' wordt. Het is een scharnierjaar in zijn ontwikkeling en het begin van de chronologisch opgevatte tentoonstelling in Le Havre. In 1951 ontmoet hij de dichter René Char, die hem vraagt een bundel te illustreren. Het leidt tot een serie houtgravures, waarin elementen uit de zichtbare werkelijkheid nadrukkelijker aanwezig zijn.

Als een koek zo dik

Nog voordat hun gezamenlijk boek gepubliceerd wordt, schrijft De Staël aan Char: "Ik kan je niet vaak genoeg zeggen wat het voor mij heeft betekend om voor jou te kunnen werken. Jij hebt er meteen voor gezorgd dat ik de passie heb herontdekt die ik als kind had voor de onmetelijke hemel, bladeren in de herfst en de hele nostalgie naar een directe taal, die dat met zich meebrengt."

Misschien even belangrijk is het bezoek dat De Staël in 1951 aan een tentoonstelling over de mozaïeken van Ravenna brengt. Onmiddellijk daarna zullen zwarte én felgekleurde mozaïekachtige vierkantjes een tijdlang de basis worden van zijn schilderkunst.

Soms laat hij de mozaïekstukjes uit elkaar spatten, soms rangschikt hij ze netjes zoals in zijn groot schilderij Les toits uit 1952, waar je onderaan de hoekige, op het doek geplamuurde leien van de daken van een stad kunt herkennen en daarboven een onmetelijke lucht in alle mogelijke grijstinten.

Vanaf 1951 richt De Staël zijn blik duidelijk naar buiten: de zee, het landschap en de stad worden zijn geliefkoosde onderwerpen. Hoewel hij zal blijven zeggen dat niet het landschap maar het schilderen zelf zijn enige onderwerp is.

Het is opmerkelijk dat hij vaak 'sur le motif' werkt, dat wil zeggen: direct, in de openlucht. Hij wou het landschap zien en vooral aanvoelen: "Ik heb het nodig om het leven voor mij te voelen, het volle leven, zodat het kan binnendringen in mijn ogen en in mijn huid." Anekdotiek of directe herkenbaarheid interesseren hem niet. Of zoals hij het zelf schrijft: "Men schildert nooit wat men ziet of meent te zien, men schildert de klap die men gekregen heeft, met duizend trillingen."

Niet altijd schildert hij ter plaatse. Even vaak maakt hij prachtige schetsen - rudimentaire silhouetten, of beter: skeletten - van landschappen, die hij daarna verder in kleur en op doek uitwerkt. Zijn schilderijen zijn dus of een hoogstpersoonlijke verwerking van een concreet landschap of een herinnering aan een landschap, een nabeeld dat hij achteraf 'uit het hoofd' in zijn atelier schildert. Meestal zo rudimentair mogelijk.

Aanvankelijk werkt De Staël veel met het paletmes: de verf ligt als een koek zo dik op het doek of het karton. De schilder boetseert zijn werken als een beeldhouwer. Hij kneedt zijn verf en krast erin met de steel van zijn penseel. Het zijn stille landschappen van gestold licht.

De landschappen - die vaak een plaatsnaam dragen zoals Fontenay en Gentilly - hebben steevast een lage horizon en heerlijke luchten, waarin de schilder nu eens spierwitte wolken dan weer een vuilbruine regenlucht uitsmeert. De marine Face au Havre (1952) is een prachtig miniatuurtje van nauwelijks 14 bij 22 centimeter, dat De Staël in Honfleur, tegenover Le Havre, op de andere oever van de Seine, schildert.

Allemaal toeval

Dat verblijf, in 1952 aan de monding van de Seine, is het directe verband met Le Havre. Face au Havre toont een vuilgrijze zee met twee schepen als rechthoeken, een vuilblauwe lucht met vier toefjes als wolken en daartussen een donkerblauw trillende horizon. Pure eenvoud, maar wat een colorist was De Staël!

Hij zal in de daaropvolgende jaren vaak heen en weer reizen tussen het noorden en het zuiden van Frankrijk om telkens opnieuw zijn blik te slijpen en het verschil te blijven zien tussen het gedempte, diffuse licht van de Noordzeekust en het schaterende zonlicht van le Midi.

In zijn zuiderse schilderijen laat hij de kleuren ontploffen. De zee mag rood zijn, de hemel geel. De cypressen in het piepkleine schilderij Ménerbes (1953) zinderen van het lavendelpaars. Zijn reizen naar Sicilië leveren doeken op waarin heuvels vlakken knalrood en strogeel zijn. Het licht komt uit de verf. De Staël lijkt zijn inspiratie eerder uit de late kleurrijke collages van Matisse te halen dan uit herkenbare landschappen.

En De Staël blijft zoeken. Hij brengt zijn verf dunner op en gaat met lange, soepele halen schilderen. Zijn landschappen worden op die manier transparanter, frisser en luchtiger. Lucht en licht worden vloeibaar. Alsof de schilder de kortstondigheid van mist, rook en een wolk wil vatten. Maar soms laat hij te veel anekdoiek en details toe, waardoor zijn werk in die periode nu en dan naar het cliché en de zondagskunst neigt.

Op het einde van zijn leven dompelt hij ook het Zuid-Franse Antibes, met zijn haven en zijn fort, onder in de doffe, grijze kleuren van het noorden. Over le fort carré van Antibes, dat hij in 1955 schildert, lijkt net een onweer te zijn losgebarsten. Zo vertolken die werken de stemming waarin hij zich de laatste maanden van zijn leven bevindt.

Er was al een tijd een onmogelijke, onbeantwoorde liefde in zijn leven, waarvoor hij zich in Antibes had gevestigd. De dag voor zijn zelfmoord zou De Staël een bundel briefwisselingen met zijn onbereikbare geliefde, Jeanne Mathieu, aan haar echtgenoot hebben bezorgd met de woorden: "Vous avez gagné."

Of was het toch de schilderkunst die hem tot zelfmoord heeft doen besluiten? Was ook de schilderkunst een onbereikbare geliefde geworden? De laatste dagen had De Staël, opgesloten in zijn toren in Antibes, een waarlijk gigantisch doek opgezet. Le Concert meet 3,5 bij 6 meter. Het doek bestaat hoofdzakelijk uit een enorm rood vlak, waar een piano en een contrabas op voorkomen. Het was ongetwijfeld het doek waarmee De Staël zichzelf wou overtreffen. Misschien heeft hij zich eraan vertild.

Hij had die hele winter als een bezetene geschilderd en zichzelf, misschien ook zijn schilderkunst, uitgeput. Hij was vaak van twijfel vervuld, een diepe twijfel die grensde aan de wanhoop. Als een schilderij geslaagd was, schreef hij dat aan het toeval toe, alsof hij even geluk had gehad.

Le Concert zou hij nooit afwerken. Op 16 maart 1955 sprong hij van het balkon van zijn atelier. Sommige bronnen zeggen dat hij van het dak sprong. Maar de dood blijft hetzelfde.

Nicolas de Staël was geobsedeerd door het licht en wou dat licht laten stollen in verf. Heel zijn leven is daar een verwoede poging toe geweest. Het museum in Le Havre is daarom bij uitstek geschikt om zijn werk te tonen: door ruime glaspartijen mag het weldadige daglicht er naar binnen stromen, het licht van het Noorden.

De schilderijen van De Staël krijgen natuurlijk licht en bovendien alle ruimte om te schitteren met hun kleuren, die niets aan frisheid hebben ingeboet. Daarenboven ligt het Musée Malraux op de dijk: de grens tussen land en zee, die De Staël altijd aangetrokken heeft. Het laatste schilderij is Les Mouettes: meeuwen die het licht tegemoet vliegen. In Le Havre krijsen buiten ook de zeemeeuwen. Het oeuvre van De Staël heeft een ideale ankerplaats gekregen in het genereuze Musée de l'art moderne van de Franse havenstad.

In het Musée Picasso van Antibes loopt tot 7/9 een expo over het naakt in het werk van Nicolas de Staël.

---

Wie is Nicolas de Staël?

1914: geboorte van Nicolas Vladimirovitsj de Staël von Holstein in Sint-Petersburg

1917: door de Russische Revolutie vlucht het gezin naar Polen

1922: de ouders van Nicolas sterven en hij wordt samen met zijn twee zussen opgevangen door een Belgisch gezin in Brussel

1933: studeert aan de academie van Brussel

1947: installeert zich in Parijs

1953: succes in New York

1955: pleegt zelfmoord in Antibes

----

De discrete charme van Le Havre

Le Havre, de overbuur van het veel toeristischere Honfleur aan de Seine, werd zwaar getroffen in de Tweede Wereldoorlog. Begin september 1944 werd het centrum van de havenstad platgebombardeerd door de Engelse luchtmacht om de Duitsers uit te schakelen. Le Havre werd daarna heropgebouwd volgens een strak raster-patroon en met gebruik van gewapend beton.

In 2005 riep UNESCO het centrum van de stad uit tot Werelderfgoed. De recente restauratie van veel woonblokken, de aanleg van een tramlijn en de herinrichting van boulevard Foch met fietspaden en brede trottoirs heeft de stad een fleuriger karakter gegeven.

In Le Havre kunt u de indrukwekkende, betonnen Eglise Saint- Joseph gaan bezoeken en een modelappartement (rue de Paris 181), helemaal heringericht in de Franse fifties-stijl.

Le Havre herdenkt dit najaar ook dat het een eeuw geleden vier jaar lang de hoofdstad van België is geweest. Tussen 1914 en 1918 resideerde de Belgische regering in de bovenstad Sainte Adresse. Een fototentoonstelling in openlucht herinnert daaraan.

www.lehavretourisme.com

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234