Zondag 19/09/2021

Libanon van modelland naar schrikbeeld (en terug?)

Henry Kissinger, de voormalige maar nog altijd wereldwijd verguisde VS-minister van Buitenlandse Zaken, vatte de evolutie van Libanon enkele jaren geleden zo samen: 'Wat ooit een model was van een mogelijke oplossing voor het Midden-Oosten is nu dé illustratie geworden van de problemen in die regio.' Een eerste probleem is dat de mensen niet willen weten wat er is misgelopen met hun ooit zo welvarende land. Ze willen 'verstenen, vergeten, verzwijgen en zich intussen amuseren'.

Rudi Rotthier / foto's magnum

Beiroet herbergt bijna de helft van 's lands bewoners. De stad en het land verdronken ooit in de vergelijkingen: Beiroet werd het Parijs van het oosten genoemd (wat onder meer verwees naar het mondaine uitgaansleven) en Libanon was volgens reisbrochures een Arabisch Zwitserland (de bergen en de banken), Zwitserland aan zee, de long van de Arabische wereld, de Arabische Rivièra, de long van Iran. Tot vandaag zijn de omschrijvingen niet helemaal verkeerd. Er wordt nog altijd gefeest in Beiroet, de bankwereld is nog altijd vrij sterk, de vrijheden - politiek en economisch - zijn wat groter dan elders in de Arabische wereld, in sommige straten worden winkels voor meer geld verhuurd dan op de Champs-Elysées.

Wat ooit net buiten de stad lag, ligt er nu middenin. Chatila, allicht het bekendste vluchtelingenkamp van de wereld, heeft niet veel met Parijs of met Zwitserland te maken. In de steegjes wandel je over afval, over onbeschutte pijpen van een geïmproviseerde waterleiding, over plassen, over resten groenafval. Kinderen draaien rond de wandelaars, wild en agressief.

Ongeveer 12.000 Palestijnse vluchtelingen leven hier op anderhalve vierkante kilometer. De bevolking van het kamp zou volgens Palestijnse bewoners nog de helft hoger liggen. Gastarbeiders uit Syrië hebben zich recentelijk bij de vluchtelingen vervoegd. De huurgelden liggen lager, de Libanese overheid controleert minder: voor Syriërs is Chatila een toevluchtsoord geworden.

Ik word door het kamp gegidst door Raida, een Libanese vrijwilligster bij de organisatie Najdeh (SOS), die probeert Palestijnse vrouwen te helpen overleven. Dat is niet gemakkelijk. Najdeh heeft bijvoorbeeld computercursussen georganiseerd die vrouwen in staat moesten stellen werk te vinden als secretaresse. Amir, de eerste vrouw bij wie we op de koffie gaan, is na het voleindigen van die cursus even werkloos als tevoren. Ze heeft, behalve een werkloze echtgenoot, vier kinderen, en ze kan moeilijk de hele dag de deur uit. Ze heeft dat nochtans enige tijd geprobeerd, met gemengd resultaat. De Libanese werkgever die haar een job aanbood, ging ervan uit dat ze voor iets meer dan de helft van het loon van een Libanees zou werken, en dat ze zich in ruil voor dat geld naar zijn believen zou laten bepotelen. Ze is vertrokken voordat ze kon ervaren hoe ver zijn handtastelijkheden zouden reiken, zegt ze. Ze heeft eraan gedacht thuis secretariaatswerk te verrichten, maar ze heeft geen computer en de elektriciteit is hier een onberekenbaar gegeven. Ze wijst door het raam naar de vreemde vertakking van de kabels. De Libanese water- en elektriciteitsmaatschappijen leveren hier officieel niet. Wie toch water of elektriciteit wil, moet dat van een Libanese abonnee aftappen, via ineengeknutselde lijnen.

Amir is momenteel op zoek naar niet-elektrisch gedreven huisvlijt. "Het probleem daarmee", legt Raida uit, "is dat het aanbod de vraag overstijgt. Syrische en Turkse producten zijn zo goedkoop dat bijna niemand nog lokaal kleren laat maken."

Hoe overleeft deze familie dan?

"Eerst hebben we ons eigen appartement opgegeven", zegt Amir. "Sinds mijn echtgenoot drie jaar geleden zijn job verloor, wonen we bij mijn ouders in. Met de huur die we voor ons oude appartement krijgen, kunnen we een deel van onze kosten dekken." De huishuur bedraagt 170 dollar, wat ongeveer de helft is van het maandloon dat haar echtgenoot als bouwvakker opstreek.

Daarnaast wordt de familie ondersteund door verwanten in het buitenland. Hoe lang dat zal blijven duren weet ze niet. "Die familieleden hebben natuurlijk hun eigen problemen, hun eigen behoeften. Wij vormen voor hen een bodemloze put, we vragen maar en we kunnen nooit iets teruggeven."

Amir is in Chatila geboren. Ze heeft, in september 1982, de moordpartij meegemaakt die door Israël gesuperviseerde christelijke milities organiseerden, met 1.700 doden tot gevolg. Drie broers van haar echtgenoot zijn in de latere jaren tachtig bij bombardementen door of gevechten met de sjiitische Amal-milities om het leven gekomen. Een andere schoonbroer heeft toen een been verloren, evenals een deel van de resterende voet (hij komt zich tijdens het gesprek beklagen over de prijs die hij betaalde voor zijn nieuwe krukken). "En toch", zegt ze, "heb ik de indruk dat het nu erger is dan toen. Toen was er een vijand die ons wilde vernietigen en tegen wie we ons konden verweren. Intussen zitten onze leiders in Palestina en worden wij heel langzaam economisch doodgedrukt. De kampleiding is geïnfiltreerd door Syriërs. Als je de tv aanzet, praat iedereen over de intifada maar niemand praat nog over ons. Wij worden doorgaans zelfs niet langer vermeld aan de onderhandelingstafel. Men wacht tot we van de aardbol verdwijnen.

"Soms denk ik dat dat uiteindelijk ook zal gebeuren. Wie kan, verdwijnt naar Europa of naar de VS. Ik blijf omdat ik niet weg geraak, en ik weet niet wat ik mijn kinderen als toekomstperspectief kan voorschotelen. Kun je ons misschien aan Belgische papieren helpen?"

Is ze zich bewust van de afkeer die bij Libanezen bestaat voor Palestijnen? De afkeer is wederzijds, zegt ze. Vooral meisjes en vrouwen komen het kamp niet uit omdat ze beducht zijn voor wat de Libanezen nu weer zullen zeggen of doen. Amir beseft dat de Palestijnen fouten hebben gemaakt, dat ze door te interveniëren in de burgeroorlog lokaal wonden hebben geslagen, "maar degenen die daartoe beslist hebben, leven nu op de Westelijke Jordaanoever, terwijl wij, de arme achterblijvers, met de gevolgen zitten".

Palestina en de Palestijnen illustreren de schizofrenie van Libanon, aldus Raida: "Aan de ene kant konden de Libanese politici niet fors genoeg hun solidariteit met de intifada uitdrukken, aan de andere kant beknotten ze de rechten van de Palestijnse vluchtelingen in hun eigen land." Zowel het ene luik als het andere is populair bij de kiezer. "Deze vluchtelingen zijn hier geboren. Waarom is hier geen ophaling van het afval? Waarom krijgen ze geen rechten? Waarom komt de internationale gemeenschap niet tussenbeide?"

Tweede familie, tweede kop koffie, tweede bourgeois interieur met nooit gedoofde tv, tweede keer dat de muren versierd worden met enkele koranverzen naast foto's van de grootouders, tweede radeloze moeder met vier kinderen. "Ik ben te jong getrouwd", geeft Latifeh toe. "Ik was vijftien, mijn vader was gestorven en een huwelijk leek de gemakkelijkste manier om in leven te blijven." Ze is nu zevenentwintig, en in leven blijven is nog altijd een opgave. Haar echtgenoot werkt, maar na aftrek van de huur blijft van zijn maandloon hooguit 200 dollar over. Daarmee moet ze zes monden vullen en twee kinderen aan medische zorgen helpen. Moha, haar dochter van vijf, heeft twee jaar geleden een potlood in haar rechteroog gestoken. Ze is nu blind in dat oog. In principe kan haar zicht hersteld worden door een lenstransplantatie, maar zo'n operatie zou duizenden dollars kosten en wordt niet eens overwogen. De oogbol draait weg en om de twee jaar zou de bol operatief gecorrigeerd moeten worden. Een eerste operatie heeft Latifeh met behulp van een lening en de steun van enkele ngo's kunnen financieren, maar voor ze aan een tweede operatie kan denken moet ze eerst de aangegane schuld zien af te lossen. En dat zal misschien wel nooit lukken, zucht ze.

Ahmed, haar zoontje, is er nog erger aan toe. Hij lijdt aan een erfelijke bloedziekte, thalassemie, die via bloedtransfusies of dure en moeizame andere technieken kan worden bestreden. "Hij is elf, maar hij ziet er niet ouder uit dan zes. Hij heeft niet voldoende energie om zich te ontwikkelen." Ahmed moet het zonder bloedtransfusies en andere dure ingrepen stellen. Hij krijgt pillen. Dat helpt niet zoveel, maar dat is wat zijn familie zich kan veroorloven.

De enige gespecialiseerde kliniek in Libanon weigert Palestijnse thalassemiepatiënten op te nemen, beweert Radia, en er zijn nogal wat kampbewoners die aan de ziekte lijden.

UNRWA, de Uno-vertakking die Palestijnse vluchtelingen van assistentie voorziet, draagt in dit soort gevallen niet bij in de kosten. De gratis medische zorgen zijn beperkt tot elementaire procedures: besmettelijke ziekten, bevallingen, inentingen, en "alles wat met antibiotica te bestrijden valt". Wat daarbuiten valt, moeten vluchtelingen zelf betalen. Bovendien is UNRWA al enkele jaren aan het bezuinigen.

Helpen de sociale islamitische groepen niet, Hamas of Hezbollah? Hamas is uit de kampen verdreven, zegt Latifeh, en Hezbollah belooft af en toe iets, maar als puntje bij paaltje komt ondersteunt die groep toch liever de eigen, sjiitische achterban dan de soennitische Palestijnen.

Indien haar echtgenoot Libanees was, zou de werkgever misschien een ziekteverzekering voor de familie betalen, maar voor Palestijnen gebeurt zoiets niet. Palestijnen werken in het zwart of in het grijs, wat vooral de werkgevers goed uitkomt.

"Wat is het perspectief?" Bedachtzaam herhaalt Latifeh de vraag. Ze lacht verontschuldigend en verweesd. Ze weet het niet. Uitwijken is ook geen oplossing. Ze kan niets, ze kent niets, en haar echtgenoot kan niets behalve met groentekratten zeulen. Hoe zouden ze in een vreemd land kunnen gedijen? Terugkeren naar de streek waar haar familie uit stamde? "Ik zou naar Palestina vertrekken, als daar plaats voor ons zou zijn." Ze betwijfelt evenwel of daar plaats gemaakt zal worden voor haar en haar familie.

Derde huis, derde moeder met vier kinderen en weer problemen. Ik vraag haar net niet of ze in 1948 is gevlucht, maar ze ziet er oud genoeg uit om die vraag te wettigen. Ze is zesendertig, hoor ik even later. Raja, heet ze. "Dit is geen gemakkelijk leven." Ze heeft een tijdje in Libië gewerkt, maar toen stuurde Kadhafi de Palestijnen opeens het land uit, uit ongenoegen over een vredesverdrag. Net zo goed, vindt Raja: "Als je dan toch een tweederangsburger moet zijn, ben ik dat liever in een gebied met vrienden en kennissen."

Haar echtgenoot werkt op een bouwwerf in Saida, op een uur rijden met de bus van Chatila. Hij heeft een erfelijk defect aan zijn rug dat hem constant pijn berokkent, maar ook zijn behandeling wordt niet door ziekteverzekering of UNRWA gedekt. "Vrienden hebben een operatie helpen financieren."

Zijzelf heeft een deel van de kampgruwelen meegemaakt, maar haar dochter, die nu vijftien is en die eigenlijk zelf niets heeft meegemaakt, lijkt daar tegenwoordig het meest onder te lijden. "Zij heeft nachtmerries. Er wordt ook nog zoveel over die slachtpartijen verteld. Ze hoort bovendien onophoudelijk berichten over de intifada en de wreedheden van het Israëlische regime."

Nachtmerries zijn niet uitzonderlijk. Vrijwilligers van Najdeh proberen bewoners ervan te overtuigen hun tv niet onophoudelijk te laten staan op zenders die nieuws brengen over Palestina. Ze merken dat er wel meer kinderen en jongeren met angstdromen kampen.

Het nijpendste probleem voor Raja is momenteel Wail, haar twintigjarige zoon. Die heeft met vrucht zijn middelbare school afgemaakt op een gratis UNRWA-school (ook op die scholen wordt momenteel bezuinigd) en hij zou aan de universiteit computerwetenschappen willen studeren. De Libanese overheid heeft het inschrijvingsgeld voor Palestijnen aan overheidsuniversiteiten echter opgetrokken van 100 tot 1.200 dollar. Zoveel geld kan de familie nooit bij elkaar sprokkelen. Wail zal werk moeten zoeken en hopen dat hij na enkele jaren voldoende heeft gespaard om het eerste jaar aan te vatten.

Zijn er geen beurzen?

Raja schudt schamper het hoofd.

"Als ik geluk heb, ben ik op mijn vijfendertigste afgestudeerd", zegt Wail bitter. "Voorlopig zit hij daar maar te zitten", mort zijn moeder. "En ik vind geen woorden om hem op te beuren. Een kind zou van minder op het slechte pad geraken. We hebben daar voldoende voorbeelden van binnen het kamp: drugs, lijm, kleine criminaliteit, geweld binnen de familie... Neen, we zijn er nu zeker erger aan toe dan ten tijde van de burgeroorlog."

De politiek is voor een groot stuk uit de kampen verdwenen. Daar is geen ruimte meer voor, nu zoveel andere problemen nijpen.

Libanon telt ongeveer 380.000 Palestijnse vluchtelingen. Dat is meer dan een tiende van de bevolking. De vluchtelingen zijn ongewenst omdat ze problemen creëren. Ze houden land vast (het gerucht gaat dat men Chatila wil onteigenen om een snelweg richting Israël aan te leggen, volgens dat gerucht zou die route de 'snelweg van de vrede' genoemd worden) en ze verstoren de labiele balans tussen groepen en subgroepen. De christenen willen niet weten van de Palestijnen omdat ze overwegend moslim zijn, de sjiieten willen niet weten van de Palestijnen omdat ze overwegend soenniet zijn. En de soennieten willen niet weten van de Palestijnen omdat ze het land economisch en politiek schade toebrengen en omdat ze buitenlandse inmenging veroorzaken. "Libanezen", decreteert Radia, "houden niet van Palestijnen omdat die hen confronteren met hun eigen contradicties."

Ik wandel van het kamp terug naar het Parijs van het Midden-Oosten.

Sami Makarem is letterlijk professor in ruste. Zijn heup is onlangs vervangen en als hij enkele tellen heeft rondgepikkeld, met behulp van een stok, ploft hij uitgeput neer op de canapé. Hij is in het dagelijkse leven docent godsdienstwetenschap in de afdeling arabistiek van de Amerikaanse universiteit van Beiroet. "Praten doe ik nog zonder krukken."

"Stel je dit land als volgt voor", probeert hij. "Er zijn duizend bergen en elke berg wordt geregeerd door een lokale potentaat. De berg hangt dezelfde religie aan en wil zo weinig mogelijk met de volgende berg te maken hebben." Religie is dan meer een element van identiteit dan van devotie. "Ik zou niet durven beweren dat Libanezen heel religieus zijn."

Maar er wordt wel gevochten, en de gevechten hebben een religieuze component.

"Alle religies zijn min of meer vredelievend. Mensen vechten om hun land, hun inkomen of hun identiteit veilig te stellen, niet omdat de religie hun dat dicteert."

Makarem is zelf druus en kan uren praten over de filosofische nuances van die religie, die een afgeleide is van het sjiisme ("Besef je trouwens", vraagt hij, "dat de ayatollah Khomeini in het verlengde zat van wat de Grieken de filosoof-koning noemden?") maar er Griekse filosofie, oosterse religie en soefisme in verweeft. De druzen dromen ervan de republiek van Plato te realiseren, de deugd te verspreiden en de menselijke principes in overeenstemming te brengen met ideale, goddelijke principes. "Pleeg geen overspel", zegt de religie, "want dan zondig je tegen het idee van liefde; dood niet, want dan vernietig je een stukje van de goddelijke waardigheid, en dat kan alleen als het dient om je eigen waardigheid, je eigen geest te beschermen."

Maar die hoog mikkende ideeën, geeft hij toe, waren nauwelijks geformuleerd of de druzen werden een volk van militairen. De moslim-heersers in het gebied schakelden hen in om de kust tegen invasies van christenen te verdedigen, ze dienden als buffer tijdens conflicten. Later vochten ze tegen de Turken. "Er was altijd wel een of andere noodtoestand. De religie werd op een zijspoor geplaatst omdat er dringender aangelegenheden waren."

Was het gedrag van de druzen in overeenstemming met hun godsdienst? Neen. Was dat gedrag nodig om te overleven? Misschien wel, al zijn er wreedheden begaan die nergens voor nodig waren.

Historisch gesproken zijn de druzen voor Makarem een voortzetting van een periode in de geschiedenis van de islam die heel open was. Christenen werden in de vroege islamtijd minder vervolgd dan ten tijde van Byzantium. "Een moslimfilosoof kon Aristoteles als 'de eerste mens' omschrijven. Tegenwoordig zou ongeveer iedere moslim de profeet als de eerste mens naar voren schuiven. De tolerantie voor christenen had ook daarmee te maken: men had de christenen nodig om de kennis van de klassieken door te geven."

Al minstens sinds de kruistochten zijn de religieuze wittebroodsweken van deze regio voorbij. De ene berg vecht af en toe met de andere, elke berg wil andere bergen domineren, en elke vreemde mogendheid die passeert zoekt bondgenoten, die op hun beurt voordeel halen uit de bezetting. De Turken bevoordeelden de soennieten, de Fransen de maronieten, de Britten de druzen.

Omdat er tot vandaag internationale inmenging is, zijn Libanezen geneigd hun eigen aandeel in de recente burgeroorlog te minimaliseren. "We kennen een diaspora van de schuld. De schuld ligt altijd elders, het liefst bij verre buitenlandse mogendheden. Dat komt ons goed uit."

"Stel je dit land als volgt voor", suggereert de hoge ambtenaar, een maroniet. "Je woont zelf in Beiroet, wat voor jou ongeveer hetzelfde is als Marseille. Je bent geïnteresseerd in sport, in boeken, in wat er op tv is, in uitgaan. Maar op 10 kilometer van je deur begint Afghanistan. Daar gelden regels die je niet kunt bevatten, daar heersen fanatisme en stammentwisten. Ons gezicht kijkt in de richting van het Westen, maar met onze hielen zitten we vast in het Oosten. Of bekijk het historisch. We leefden ons leven zoals Fransen dat zouden doen. We wisten wel dat er achterlijke gebieden waren, maar ineens werd achterlijkheid iets om trots op te zijn. Ineens stonden boeren met portretten van Khomeini te zwaaien. De eensgezindheid om te kiezen voor een westerse levensstijl was verbroken - als ze al ooit had bestaan.

"Sindsdien vraag ik me af wat er typisch Libanees zou kunnen zijn. Ik kom altijd op enkele elementen uit. We zijn individualistisch: we kunnen echt met niemand samenwerken. Zet op mijn ministerie twintig mensen samen en in het beste geval kijken negentien mensen toe terwijl er een werkt. Commercieel aangelegd. Geldzuchtig. Zachtaardig: hoe gruwelijk de oorlog ook was, we maakten niet de massale plunderingen en verkrachtingen mee die in ex-Joegoslavië hebben plaatsgevonden. Behulpzaam: wij zullen niemand in nood laten verkommeren zoals in Europa gebeurt; iemand die op straat in elkaar stort, wordt geholpen. Egoïstisch: als we iemands plaats kunnen afpakken, zullen we het niet laten. Dat zijn Libanezen."

Klopt het dat de Libanezen tijdens hun burgeroorlog zachtaardiger waren dan de oorlogvoerenden in ex-Joegoslavië? "Ik denk van wel", zegt Robert Fisk, die al zesentwintig jaar correspondent is in Libanon, het recentst voor de Britse krant The Independent en via copyright voor De Morgen. We zitten op het balkon van zijn appartement met uitzicht op de Corniche van Beiroet. Hij nipt bedachtzaam van een kop thee. Hij heeft eerder uitvoerig zitten vertellen over de gruwelen van de oorlog. Hoe druzen (maar gelijkaardige dingen gebeurden in andere gemeenschappen) gevangen christenen naar een brug voerden en ze daar een voor een de keel doorsneden en in het water gooiden. De eerste slachtoffers hadden het geluk dat ze niet te lang moesten toekijken. Een van de gevangenen overleefde de executie echter en vertelde erover. Bij de volgende executie liet de commandant van de druzen eerst de tongen van de gevangenen afsnijden alvorens het mes over de kelen werd gehaald. "Dat soort dingen kwam voor, vergelding, gruwel. Maar het was nooit op de massale schaal van ex-Joegoslavië.

"Het is moeilijk te zeggen wat nu precies de oorlog veroorzaakte. Er was een aantal incidenten. Een opstand van vissers werd bloedig neergeslagen. Een bus met Palestijnen werd door falangisten (rechtse christelijke milities, RR) aangevallen. Een ding is zeker: de Libanezen voerden onderling oorlog. Weet je hoe men de oorlog in het Arabisch noemt? 'De oorlog van de anderen'. Het buitenland heeft zich er zeker mee bemoeid, maar in oorsprong was het een burgeroorlog en niet een oorlog van de anderen.

"Ik ben zelf een Brit van Ierse oorsprong en dit is iets wat me al mijn hele leven fascineert. Na de Eerste Wereldoorlog heeft de wereld drie regio's proberen te pacificeren: de Balkan, Ierland en Libanon. In die drie gevallen is het op een gruwelijke vergissing uitgedraaid. De Ierse protestanten wilden en kregen op een zo klein mogelijk gebied een zo groot mogelijke meerderheid, maar dat heeft het conflict niet kunnen voorkomen. De maronieten wilden daarentegen een zo groot mogelijk gebied waar ze toch nog een meerderheid zouden halen. Daartoe creëerden ze, met Franse steun, een kunstmatig land uit een gebied dat al vele eeuwen deel uitmaakte van Syrië. Maar de demografie veranderde, en hoewel men nooit volkstellingen liet houden was het duidelijk dat de meerderheid een minderheid was geworden."

Was dat dan de bedoeling van de oorlog? Dat de maronieten de macht wilden behouden?

"Ze wierpen zich op als verdedigers van de westerse beschaving. Ze wilden, denk ik, dit deel van de wereld afschermen van de rest van de Arabische wereld, van het nasserisme, het islamisme, van het socialisme en het communisme. Ze voelden zich vaak meer Frans dan Arabisch. Nog altijd trouwens. Ze noemen zich Pierre en ze willen dat ik Frans met hen praat. Mij goed, maar is dat een realistische optie in deze regio?

"De oorlog heeft niet zo erg veel veranderend. De moslims kregen enkele parlementszetels bij, de macht van de maronitische president is een beetje ingeperkt, maar de verzuiling is gebleven. En daar vinden de partijen elkaar. Een tijdje geleden stelde een politicus voor om het burgerlijk huwelijk in te voeren. Gewone mensen waren daar enthousiast over. Maar de moefti ging overleg plegen bij de patriarch en binnen de kortste keren waren alle partijen tegen. Waarom? Zolang de sekten de huwelijken sluiten, en, wat financieel meer opbrengt, de echtscheidingen uitspreken, behouden ze hun greep op hun gemeenschap en wordt de groep in stand gehouden. Zolang er geen burgerlijk huwelijk is, ben je bijna verplicht om binnen je groep te trouwen, tenzij je rijk genoeg bent om in Cyprus te trouwen.

"Dit land heeft niet veel geleerd van de oorlog, wat mij doet vrezen dat hij opnieuw zal opflakkeren. Misschien niet gedurende mijn levensloop, maar ooit. Men praat nog altijd over 'de andere kant'. Het leger bivakkeert nog altijd langs de oude scheidslijn tussen christenen en moslims, de Groene Lijn. Ik begrijp trouwens niet waarom de Libanezen zo angstvallig over die oorlog zwijgen, misschien uit angst dat woorden weer tot daden zouden leiden. Toen Al-Jazeera enkele jaren geleden een twaalfdelige serie over de burgeroorlog uitzond, waren de straten verlaten. Er bestaat dus wel belangstelling voor, wat men ook zegt. Maar men zwijgt. Men voert oorlog op een andere manier. De soennieten hebben plannen om een gigantische moskee te bouwen, hoger dan alles, vlak bij de maronitische kathedraal. Niemand durft daartegen te protesteren. En naderhand willen de Grieks-orthodoxen allicht ook een nieuwe kerk in de buurt. Op zondag is er een decibellengevecht in de binnenstad. De maronieten hebben een geluidsinstallatie aan hun klokken gezet. Een minuut nadat de klokken opgehouden zijn, weerklinkt met megawattversterking het 'Allah Akbar' van de minaretten.

"Een ding is misschien wel ten gronde veranderd. De macht van de feodale heersers is gehavend uit de burgeroorlog gekomen. De eerste minister is nu een zakenman, zijn entourage bestaat uit zakenlui. Dat is wellicht de reden waarom Libanon al bij al nog niet zo slecht draait, ook al bestaat er corruptie. Je kunt hier daarenboven redelijk vrij je mening zeggen." Dat zijn eigen boek over Libanon, Pity the Nation, verboden is, heeft volgens hem met een ongelukkige samenloop van omstandigheden te maken.

Kan Libanon nog een model zijn voor de Arabische wereld, zoals het ooit placht te zijn?

"Dat was een mythe. Net voor de burgeroorlog uitbrak, kwam ik hier met vakantie. Je kon toen bij de jetset aan het strand zitten, maar ik maakte een tocht door het zuiden en daar vond ik dorpen zonder school en zonder elektriciteit. Was dat het model voor de Arabische wereld? Dan zijn die dorpen er nu beter aan toe met hun Hezbollah-bestuur... In Ierland hadden we een gelijkaardige mythe, over hoe protestanten en katholieken ooit vreedzaam hadden samengeleefd. Onzin natuurlijk, net zoals dat hier onzin was: er zijn altijd conflicten en messengevechten geweest, ook in tijden van zogenaamde vrede. Mensen hebben zo'n mythe nodig om te geloven dat ze ergens op kunnen terugvallen.

"Wat kan de toekomst zijn van de Arabische wereld? Je hebt overal versteende regimes die aan de macht zijn gekomen ten gevolge van staatsgrepen, nooit door een populaire omwenteling. De staat vraagt veel van zijn onderdanen maar geeft weinig terug. En als burger moet je bedelen om wat je krijgt. Om de zoveel tijd beloven de regimes beterschap, en dan is er even een strijd tegen corruptie, met ellenlange processen die meestal tot niet veel leiden. De regimes zijn verstard. Het moderne Egypte is verstarder dan het Egypte van de farao's was. Er studeren honderdduizenden studenten af die zich te pletter lopen tegen een immense administratie. Hoe kan dat veranderen? Ik weet het niet. De enige suggestie die ik zou doen is: los de Palestijnse kwestie op. Daar halen die regimes nog enige legitimiteit uit. Hoe kun je van hen verwachten dat ze consequent zijn als je internationaal dubbele standaarden laat gelden? Haal dat weg en mensen zullen zich de vraag beginnen te stellen die ik onlangs in Jordanië al hoorde: 'Wat is het nut van onze koning?' Wat is het nut van Saddam Hoessein? Van Moebarak? Wij westerlingen hebben die lui op hun plaats gezet, en zolang ze de olie tegen een betaalbare prijs oppompen, mogen ze van ons blijven zitten. Laten we vooral niet doen alsof wij de democratie in deze regio zo belangrijk vinden."

Over de hele Arabische en moslimwereld wordt Fisk nu geprezen als de stem van de redelijkheid. Is dat een oncomfortabele positie? "Neen, voor het eerst in zesentwintig jaar krijg ik de indruk dat mijn werk er misschien iets toedoet. En de beroemdheid maakt het gemakkelijker om mensen te ontmoeten: ze weten al wie ik ben, deuren gaan open. Er wordt beter geluisterd als ik kritiek geef."

Het grootste verschil vindt Fisk in Amerika. "Duizenden mensen volgen er via het internet wat ik schrijf. Ik geef lezingen voor duizenden belangstellenden, die genoeg hebben van de zelfingenomenheid van hun politieke leiders, van hun kortzichtigheid, van de vooroordelen in hun media." Het succes heeft ook een keerzijde. "Je weet dat de acteur John Malkovich in Cambridge heeft gezegd dat hij me zou willen neerknallen, blijkbaar omdat ik heb geschreven dat 11 september verklaard kan worden, dat er oorzaken voor aan te duiden zijn, dat er verbanden zijn met Amerikaanse politieke stellingnames. Na de uitspraak van Malkovich kwam er een hele heisa op het net. Iemand schreef dat Malkovich niet mocht voorspringen, dat er veel anderen voor hem op het idee gekomen waren om mij te vermoorden. Iemand creëerde een website waarop ik, of een beeld van mij, werd vermoord. Heel luguber allemaal, maar uiteindelijk concentreer ik me op een mentaliteitsverandering die er in de VS kan komen. Ik begin mijn lezingen altijd met een scheldpartij: het is een schande dat jullie geen journalist uit eigen land kunnen uitnodigen die jullie vertelt hoe het echt in elkaar zit. Waarom is er een buitenlander voor nodig om dat te proberen?"

Spraakwaterval Fisk woont in de moslimbuurt, enkele minuten lopen van de American University. Ooit werden de professoren van deze universiteit met de dood bedreigd door onder meer de Hezbollah - als handlangers van het Amerikaanse imperialisme. Tegenwoordig vind je op de campus alweer aanhangers van Hezbollah die netjes, op kosten van hun gegoede ouders, hun diploma economische wetenschappen willen behalen. De campus is in meer dan een opzicht een vrijplaats. Koppeltjes gebruiken de banken en de bomen om de intimiteit te zoeken die elders moeilijk te vinden is.

Samir Khalaf, professor sociologie, weet niet goed wat hij van zijn studenten moet denken. Hij heeft zopas een vrij wanhopig boek gepubliceerd over de evoluties in zijn land: Civil and uncivil Violence in Lebanon (uitgegeven bij Columbia University Press). Hij gelooft, in tegenstelling tot Fisk, heel erg in de gouden jaren zestig en zeventig van zijn land, toen er films gemaakt en goede boeken geschreven werden, toen Libanon op wereldschaal enigszins meetelde. Korte tijd later bleek ineens dat hijzelf een doelwit kon zijn en dat hij maar beter enige tijd naar het buitenland kon trekken. Geweld, zegt hij, werd in die periode "heilig verklaard. Eerst droeg men nog maskers om onherkenbaar te zijn. Toen vielen de maskers af. Men doodde niet langer wie men wilde doden, men doodde wie men kon doden. Men veranderde van vijand en vermoordde even gemakkelijk de vroegere bondgenoot. Men doodde en sliep toch de slaap der onschuldigen. Dat is wat er gebeurde". "Je kunt op verschillende manieren op die gruwelen reageren. In mijn dorp is men versteend. Men woont op 15 kilometer van de hoofdstad, maar niemand gaat er nog naartoe. Je kunt het conflict verdonkeremanen: dat merk ik hier meer dan ooit. Mensen consumeren. Er zijn onlangs zes lifestylemagazines uitgekomen, met foto's van chic aangeklede lui die niets te vertellen hebben, en met titels als 'Prestige'. De jongeren willen hun schade inhalen, en ze willen niets weten, ze verkiezen gebakken lucht. Verstenen, vergeten, verzwijgen en zich intussen amuseren. Een derde optie is te proberen iets uit het conflict te leren, iets te veranderen, maar dat gebeurt zelden. Ik ga ervan uit dat we, als we het vorige conflict niet verwerken, binnen twintig jaar opnieuw vechten.

"Het sektarisme is sterker dan ooit. Gebieden waar mensen vroeger samenleefden, behoren nu toe aan een groep. Als ik zeg voor welke basketbalclub ik supporter, menen mensen te weten uit welke gemeenschap ik afkomstig ben. En er is geen ideologie die de sektarische verschillen overstijgt, zoals het nasserisme of het socialisme dat in het verleden konden. Ik denk soms dat een groene beweging in dit land een kans zou maken, maar die is er nog niet. De scholen zijn sektarisch, en op plaatsen die niet sektarisch zijn, zoals deze universiteit, houden de studenten zich in omdat ze bang zijn voor wat hun woorden kunnen veroorzaken."

Waar kunnen de sekten elkaar vinden? "Er moeten publieke ruimtes gecreëerd worden waar dat mogelijk is. De regering probeert dergelijke ruimtes te scheppen, maar tot dusver is de ontmoeting uitgebleven."

Libanon is een speciaal land, met een christelijke gemeenschap die Arabisch is - hoewel ze dat zelf soms betwist - en die maakt dat je niet zomaar 'Arabisch' en 'moslim' kunt gelijkschakelen. De waarde van dat onderscheid is vele moslims niet langer duidelijk. De waarde van de inbreng van het oosten is vele christenen niet langer duidelijk.

Het zuiden van het land is nog altijd enigszins gemengd. Ook hier blijven de onderlinge bloedbaden het liefst onvermeld, al is de Hezbollah, de sociaal-militaire (volgens sommigen linkse, pro-Iraanse, terroristische) sjiitische groep die hier nu de plak zwaait, bezig het stilzwijgen te doorbreken met vreemde, tweetalige publiciteitsborden (Arabisch-Engels). "Hier had het Israëlische leger een observatiepost", lees ik, "van waaruit het, samen met zijn handlangers van de SLA, in 1999 werd verdreven." De borden bevatten foto's die de beweringen illustreren. De uitkijkpost voor en na werd vernietigd, met nog enkele restanten van lijken om de aard van de overwinning duidelijk te maken.

Ze mogen ideologisch nog zo tegen de Hezbollah gekant zijn, Libanezen bewaren een warm plekje in hun hart voor de organisatie die in 2000 het Israëlische leger uit Zuid-Libanon wist te verdrijven.

Ali rijdt me naar de gevangenis van Khiam, waar het Israëlische leger (tussen 1985 en 1988) en later de SLA (het christelijke, pro-Israëlische Zuid-Libanese leger) Libanese en Palestijnse tegenstanders opsloten en martelden. Ali heeft enige tijd voor de Hezbollah gevochten, zegt hij, maar sinds een jaar werkt hij opnieuw gewoon als burger, als taxichauffeur.

Hij loopt met me mee van de ene vleugel van de gevangenis naar de andere, hij toont de elektrische leidingen waaraan martelelektroden hingen, hij toont de ruimtes waar gevangenen om de veertig dagen gelucht werden, hij toont de kooien en kasten waarin gevangenen soms wekenlang in isolatie geplaatst werden. Sommige van die kasten lieten het slachtoffer niet toe rechtop te staan, andere kasten waren te eng om te kunnen zitten. De gevangenis is door een tactische blunder van het zich terugtrekkende Israëlische leger in 2000 niet vernietigd. Dat maakt een bezoek zo gruwelijk. Tweeënhalf jaar geleden werd hier nog gemarteld en gemoord. Al had het Rode Kruis gedurende de laatste vijf jaar toegang tot het kamp en zouden de gruwelen sindsdien iets milder zijn geweest.

In de vrouwenafdeling heeft een gedetineerde iets geschreven wat Ali me wil tonen. Het staat nu naast een slogan die een latere bezoeker heeft aangebracht: 'All jews must die'. De vrouw had een intelligentere boodschap: 'Op dit land is zoveel bloed gevloeid, en wat is er uit dat bloed gegroeid?' "Ze bedoelde", legt Ali uit: "Hebben we voldoende positieve dingen gedaan om al dat bloed te verantwoorden?"

"Stel je dit land als volgt voor", suggereert de gewezen Hezbollah-strijder, en hij spert zijn rechterhand open, zo ver hij kan. "Wat we nodig hebben is dit." Hij krult zijn vingers en balt een vuist. Hij slaat hard met de rechtervuist in de open linkerhand. "Er is zoveel te doen." Wanneer ik even later over mijn schouder kijk, merk ik dat de vuist nog altijd in de linkerhand zit. Ali schudt dromerig het hoofd. Ik denk dat hij zich afvraagt wat hij met zijn vuist aan moet.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234