Dinsdag 26/01/2021

Levende legende René de Obaldia

De kleine Nederlandse uitgeverij Coppens & Frenks is onvoorspelbaar én eigenzinnig als de pest, maar ze heeft wél het patent op het ontginnen van allerhande pareltjes. Keer op keer laten de heren je rechtveren voor een nieuwe ontdekking uit een literair schemergebied. Zo schonk Coppens & Frenks ons al het bijna complete oeuvre van de Egyptisch-Franse dandy-bohemien Albert Cossery. Maar ook hoogst opmerkelijke maar nagenoeg onbekende Franse auteurs als Jean de La Ville de Mirmont en Maurice Pons of de Braziliaan Graciliano Ramos werden in het Nederlandse taalgebied geïntroduceerd, telkens in bijzonder verzorgde uitgaven. De verwantschap tussen deze einzelgängers? Een wat duister, boosaardig universum vol noodlottigheid, dat telkens oversaust wordt met groteske, tegendraadse humor.

Doem en waanzin

Dat is niet anders bij De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Emile, een uit de dood opgewekte roman uit 1956 van René de Obaldia, de nog steeds levende legende van de Franse literatuur. Ook hier waart de doem rond en ligt de waanzin op de loer. Maar de Obaldia geeft er een wel heel aparte twist aan. Het boek is geschreven volgens de style obaldien: “Een tragisch levensgevoel, maar ook humor waarmee dat gevoel overstegen wordt.” De in 1918 in Hong Kong geboren de Obaldia is apetrots op het label van vrolijke pessimist. Op zijn krasse tweeënnegentigste zetelt hij, na een roerige levensloop met een ingewikkelde half-Panamese stamboom, nog steeds in de Académie française. In Frankrijk is hij vermaard als toneelauteur, waarbij hij vaak met Ionesco en Beckett wordt vergeleken. Zijn prozawerk laveert dan weer avontuurlijk tussen droom en werkelijkheid. Zijn cassante humor blijft “een wapen om de wanhoop te bestrijden”, zoals vertaalster Mirjam de Veth in haar nawoord opmerkt.

De Graf Zeppelin is een ingrijpende leeservaring. De roman van hooguit honderd pagina’s sleurt ons mee in de weinig benijdenswaardige helletocht van de sullige bediende Emile. De extreem bijziende klerk werkt op een verzekeringskantoor, waar hij niet bijzonder veel ambitie aan de dag legt. Emile slaat volledig tilt wanneer plots het vaderschap aan de einder opdoemt. Dat zijn vrouw Angélique zwanger is, kan hij eerst haast niet geloven. Toch spreken de feiten voor zich. In hun Parijse tweekamerappartement wordt hij door haar opzwellende buik bijna letterlijk in het nauw gedreven, in bed dreigt hij als een vlieg tegen het bloemetjesbehang te worden geplet. “Emile hoorde de buik daar op het bed, hoorde duidelijk de adem van een grijsaard in de buik; hij had een mes willen hebben en steken, steken, die enorme machinerie stopzetten, maar de buik was de sterkste, de buik ‘gedijde’, ja, inderdaad, gedijde, dijde uit ten koste van hem, Emile, de auteur van de buik.” Hij wordt bestookt met angstvisioenen, die niet wijken wanneer het wezen effectief ter wereld komt. Integendeel. Emile durft nauwelijks zijn zoon Baptiste in het ziekenhuis gaan monsteren. De pasgeborene ziet er trouwens uit als een cycloop, met zijn ene oog nog lodderig dicht. De klerk wordt getroffen door de rij mannen die aan de geboortebedden geposteerd zitten: “Twintig echtgenoten, twintig mannen die tegelijkertijd hetzelfde idee hadden gehad en die daarom daar zaten, volledig uit het veld geslagen: een leger zonder kanonnen, eten zonder zout, tijgers zonder kaken.” Hij belandt in een koortsig delirium, overmand door al die opdringerige aandacht voor dat kind, het eeuwige gekrijs (“schelle kreten doorboorden de trommelvliezen”) én de bemoeienissen van familie en collega’s. Fataal behekst door een existentiële angst, ligt hij te zieltogen in bed. Beelden van zeppelins, gevuld met waterstof, bestoken hem nacht na nacht. De logge luchtschepen staan symbool voor de bolle buik van Angélique. Later verschijnt Emile toch weer ten kantore, broodmager als een skelet, “het ontbrak er nog maar aan dat hij een zeis droeg om de gelijkenis compleet te maken”. Thuis neemt de wieg intussen “de proporties aan van een slagschip”, iedere dag oefende Baptiste “meer zijn verwoestende macht” uit. De grijze muis zoekt in opperste wanhoop soelaas bij een hoertje, bij wie hij uiteindelijk een koortsachtige brief aan zijn Baptiste fabriceert. Dat het slecht afloopt met de antivader Emile, laat zich raden.

Titanengevecht met de taal

De Obaldia voert in De Graf Zeppelin een waarlijk titanengevecht met de taal. En ondanks de opzichtige symboliek raakt de verbijsterde lezer compleet opgeslorpt door de woorddronken waanzin van Emile. Het motto van Miguel de Unamuno, dat vooraan in het boek prijkt, wordt waargemaakt: “Wie nadenkt over het mysterie van het vaderschap, kan er volkomen gek van worden.” Dit boek leg je maar beter niet op het nachtkastje van hoogzwangere vrouwen en aanstaande vaders. Maar lezers met enige schokbestendigheid beveel ik dit meesterwerkje blindelings aan. Temeer omdat dit alweer een modeluitgave is, met prachtig en speels vertaalwerk van Mirjam de Veth en een verhelderend nawoord over het intrigerende universum van de Obaldia, de schrijver “die zich met verve vastklampt aan het leven”.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234