Zondag 25/10/2020
Archiefbeeld.

InterviewJelle Jolles

Leven met pubers, een handleiding: ‘Neem de regie strakker in handen’

Archiefbeeld.Beeld Getty Images

Niet alleen Ikea-meubels hebben een gebruiksaanwijzing. De Nederlandse neuropsycholoog Jelle Jolles schreef er een voor tegendraadse tieners, en stelt voor dat ouders die eens grondig doornemen. ‘Veel opvoeders blijven steken in de tweede versnelling.’

‘Ach, wat is het in tijden van lockdown toch fijn om geen lastige puber in huis te hebben.’ Het is een geruststellende gedachte die me de voorbije weken af en toe bekroop als ik weer eens de muren van het appartement opliep: het had erger gekund. Wanneer ik dat voorleg aan neuropsycholoog Jelle Jolles (71), emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam en oprichter van het Centrum Brein & Leren, beginnen zijn oren al meteen te tuiten.

“Puber, dat vind ik zo’n vreselijk denigrerend woord, alsof het een periode is die enkel kommer en kwel brengt. Dat idee achtervolgt ons al duizenden jaren, zelfs op de kleitabletten uit Mesopotamië vind je dat terug. Terwijl er net ontzettend veel kansen en opportuniteiten liggen”, zegt Jolles, die steevast over adolescenten of tieners spreekt. “Al heb je natuurlijk deels gelijk: voor veel ouders waren de voorbije weken hartstikke lastig, net omdat tieners nu eenmaal dwars zijn, een eigen identiteit ontwikkelen en niet willen luisteren. Mijn stelling is juist dat je dat als een uitdaging moet durven zien.”

Die attitude vormt de rode draad in Leer je kind kennen, het nieuwste boek van Jolles. In 2016 schreef hij met Het tienerbrein al een blauwdruk van de waanzin die plots in het hoofd van zoon- of dochterlief kan opduiken. Nu heeft hij naar eigen zeggen ook “de gebruiksaanwijzing” klaar. Volgens Jolles moeten opvoeders – niet alleen ouders, maar ook leraren en sport- of muziekcoaches – weer de regie in eigen handen nemen.

We mogen van tieners niet verwachten dat ze op eigen houtje hun weg vinden?

“In veel populaire opvoedings- en onderwijstheorieën van de laatste dertig jaar wordt inderdaad gezegd: geef je kind de regie over zijn eigen leven en leren. Dat is een mooie filosofie, maar ze klopt gewoon niet. Door de grote hoeveelheid aan kennis over hersenontwikkeling weten we dat het brein dankzij prikkels van buitenaf groeit, en die moeten opvoeders nu eenmaal op hun pad leggen. Dat kan van inspiratie gaan, een vader die ’s avonds in zijn schuur aan fietsen werkt, tot hele simpele feedback: “Leuke keuze die je daar hebt gemaakt, maar was dat achteraf gezien wel zo verstandig?” Dat zijn vragen die ouders constant moeten stellen, maar ze doen het niet meer omdat ze van alle andere ouders op het schoolplein horen: laat je kind vrij, laat het maar zelf exploreren.

“We lijken allemaal te erkennen dat je alleen een toptennisser kan worden als je een goede coach hebt, maar op school of in de opvoeding wuiven we dat idee weg. Veel van de problematieken die we nu ervaren met jongeren zijn nochtans het gevolg van een te terughoudende rol van de opvoeders.”

Over welke problemen heeft u het dan?

“Jongeren die simpelweg niet weten welke richting ze uit moeten. Je moet als ouder geen duw geven, maar je kan wel een mogelijke route aanwijzen en de juiste voorwaarden scheppen. Misschien beslist je 15-jarige zoon plots dat hij school even moe is, geen wiskunde meer nodig heeft en straks wel rijk wordt als dj. Daar kan je de schouders bij ophalen of boos worden, maar als ouder kan je ook meegaan in dat verhaal. ‘Oké, je droomt ervan om te gaan deejayen in Californië? Dan zal je straks je gage moeten bepalen in een andere munteenheid. Hoe ga je dat doen?’ Zo toon je dat wiskunde ook in de stoutste tienerdromen best handig kan zijn.”

Jolles: ‘Voor veel ouders waren de voorbije weken lastig, omdat tieners nu eenmaal dwars zijn.’Beeld Hollandse Hoogte / Dingena Mol

Veel ouders willen geen stoute tienerdromen, maar gewoon goede cijfers op een rapport.

“Ouders hebben inderdaad de neiging om zich te fixeren op dingen die voor een tiener bijzaak zijn. Bovenaan die lijst: cognitieve prestaties. ‘Heb je de cijfers van je toets Engels al binnen?’, is vaak de eerste vraag bij thuiskomst. Terwijl je als moeder ook kan vragen: ‘Zeg, die vriendin van jou had dit weekend leuke schoenen aan. Zou dat ook iets voor mij kunnen zijn?’ Het zou kunnen dat je dochter eens goed lacht, maar door vragen te stellen die bij hun leefwereld aansluiten daag je jouw kind wel uit om breder te gaan denken.”

Wat als een tiener beslist dat die leefwereld jouw zaak niet is?

“We weten al tientallen jaren dat ouders een belangrijke imitatie- en identificatiebron zijn. Dat wil dus ook zeggen dat een tiener gestimuleerd wordt om zichzelf open stellen als een ouder dat doet. Stel: je komt thuis na een lange dag, je 14-jarige dochter is weeral vergeten het vuilnis buiten te zetten, en je reageert nogal heftig. Dan kan je gerust een halfuurtje later zeggen: ‘Het spijt me, ik was erg moe en even niet aardig tegen je. Maar je moet wel begrijpen waarom ik het zo belangrijk vind dat je die taak uitvoert.’ De volgende keer dat je dochter zelf buitensporig reageert, kan ze die emoties dan misschien ook beschrijven. Zoiets zit niet in de genen, je moet het leren.

“Daarom is het ook zo belangrijk dat je ervaringen deelt of adviezen vraagt aan tieners. Wat zouden zij ervan denken als we de kamers herverdelen? Het is tenslotte ook hun huis. Ouders denken vaak dat als je één vinger geeft, ze de hele hand pakken. Heus niet. En je zult zien dat tieners dan misschien ook wel eens uit zichzelf aan hun ouders advies gaan vragen.”

U legt ouders best wel wat druk op in uw boek. Ze moeten manager, adviseur, mentor en nog een heleboel andere rollen kunnen spelen. Kan je zoveel balletjes in de lucht houden?

“Dat hoeft niet. De kunst is om die rollen te gaan afstemmen op wat je kind kan of nodig heeft. Heeft je kind liefdesverdriet? Weet dan dat je een uithuilschouder kan zijn. Niet door te zeggen dat het allemaal wel meevalt - want in het hoofd van een tiener is dat helemaal niet zo – maar gewoon door er te zijn en emotionele steun te geven.

“Meisjes zijn bijvoorbeeld vaak wat braver dan jongens, en mag je wel eens stimuleren om buiten de lijntjes te kleuren. Dat kan verrijkend zijn, al moet je soms ook duidelijke grenzen trekken en op de rem staan. Dat is bij jongens dan weer wat vaker van toepassing. ‘Tot 3 uur ’s nachts uitgaan, zeg je? Neen, je bent om 1 uur thuis.’ Die neen gaat trouwens best gepaard met wat context. Ik herinner me dat mijn zoon, toen hij 16 jaar was, van plan was om van een wel erg hoge brug in het water te springen. Ik ben toen met hem naar het balkon gelopen, en heb van ongeveer dezelfde hoogte een pakje boter naar beneden gegooid. Toen dat alle kanten uiteen spatte, moest hij toch even slikken. Hij en zijn vriendje zijn uiteindelijk niet gesprongen.

“Alles begint met het besef dat je als ouder meer rollen kan opnemen dan alleen de agent of de zorgverlener. Ouders kunnen zelfs inspireren, wat trouwens veel leuker is. Die vader die in zijn fietsenschuurtje aan het werken is, krijgt op een bepaald moment misschien hulp van zoon of dochter.”

Is dat wel zo? Uit uw eigen onderzoek blijkt dat bepaalde hersendelen van tieners oplichten op MRI-scans als ze naar andere tieners kijken, niet als ze naar leraren of ouders kijken. Daar blijkt het tienerbrein totaal niet door geboeid.

“Dat is net omdat opvoeders zich niet als inspiratiebron gedragen. Ze blijven zorgverlener, want dat kennen ze: boterhammen smeren, spaghettisaus maken en zomerkleren uitkiezen. Maar dat is op een bepaald moment voor je kind niet meer van tel, al schommelt de leeftijd waarop natuurlijk van kind tot kind. Er zijn er die al op hun twaalfde rijp genoeg zijn om geen strakke hand meer nodig te hebben, terwijl een andere vijftienjarige misschien nog steeds zijn eigen hockeytas niet kan maken.

“Pas op, nergens beweer ik dat zoiets makkelijk gaat. Opvoeden is zoals met de auto leren rijden. Veel ouders kunnen de sleutel omdraaien, weten welke lampjes oplichten maar ze blijven steken in eerste of tweede versnelling. Oké, je rijdt, maar snel gaat het niet. Door iets meer te leren over je kind, en dat is een heel proces, kan je wél in die derde of vierde versnelling geraken. Het goede nieuws is dat we nu weten dat er meer tijd is: een jongere hoeft nog niet klaar te zijn op zijn achttiende.”

U definieert die adolescentie inderdaad erg breed: van 8 tot en met 25 jaar. Hoezo?

“Mensen denken: op je achttiende moet je al stemmen, dus dan ben je toch volwassen? Een van de grote vondsten in recent hersenonderzoek is echter dat bepaalde structuren, die nodig zijn om in complexe situaties beslissingen te nemen, blijven rijpen tot ver na het twintigste jaar. Dat is ook grote reden waarom ook stemgerechtigde jongeren nog zoveel verkeerde of oliedomme beslissingen nemen. Niet om je te pesten, maar gewoon omdat het nog een rups is en geen vlinder.

“Wees dus als ouder niet te bezorgd als je 15-jarige kind plots als een gothic de deur uitwandelt. Een tiener is gewoon aan het oefenen, zijn identiteit aan het verkennen, en komt uiteindelijk wel op zijn pootjes terecht. Al moet je tegelijk wel alert blijven. Drugs, alcohol en roken blijven erg gevaarlijke zaken voor de ontwikkeling van een jongere en zijn dus terecht grote zorgen.”

Cruciaal in de ontwikkeling zijn volgens u de ‘executieve functies’. Wat bedoelt u daarmee?

“Ik vergelijk het graag met een vluchtcontrolesysteem op een druk vliegveld. Om de zoveel minuten landt of stijgt een vliegtuig op, en soms moet er een op de parkeerbaan omdat een andere vertraging heeft. Zo is het net met de prikkels in ons hoofd. Kiezen, beslissen, prioritiseren of impulsen controleren, dat is niet alleen psychologie. Dat zijn hersenfuncties. Moet ik naar de leerkracht luisteren of toch dat briefje doorgeven in de klas? Slechts bij een klein aandeel van de jongeren zijn die executieve functies voltooid op hun achttiende.

“Die functies ontwikkelen zich het best in een rijke omgeving. Niet financieel rijk – er is genoeg geschreven over welstellende ouders die een schrale omgeving bieden – maar rijk aan prikkels. Zelfs tot laat in de kindertijd weten we bijvoorbeeld dat voorlezen een van de allerbelangrijkste dingen is wat je kan doen als ouder. En als je op het nieuws iets hoort over de Black Lives Matter-protesten, betrek dan je kind erbij. ‘In jouw klas zitten ook een paar jongeren met een donkere huidskleur, praat je daar wel eens over met hen?’”

In het onderwijsdebat in Vlaanderen gaat nooit over die ‘executieve functies’ maar wel over ‘kennisoverdracht’. Staren we ons blind op de PISA-resultaten?

“Het kan best zijn dat een kind een traag groeiende boom is, dat er misschien een zesje op dat rapport staat maar dat er in potentie een negen in schuilt. Dat komt dan vaak omdat zo’n kind sociaal en emotioneel vaak met andere dingen bezig is. Nieuwe vrienden maken is in een sociaal brein zoals dat van een tiener interessanter dan de stelling van Pythagoras.

“Kijk, ik ben weleens door het Vlaamse onderwijsministerie om advies gevraagd, en diegene die zeggen ‘kennis is belangrijk’ hebben volgens mij groot gelijk. De lat moet inderdaad weer hoger. Maar dat kan dus ook via het ontwikkelen van die sociale en emotionele interesses. Door zulke ervaringen groeien namelijk de executieve functies en is een kind beter in staat is om prioriteit te geven aan die vervelende leerkracht in plaats van dat briefje. Helaas hebben veel onderwijsexperts alleen oog voor de cognitieve ontwikkeling. Empathie, het inschatten van de emoties en intenties van anderen, is nochtans een cruciale eigenschap voor het schoolse leren.”

Ook daar mag de lat dus best wat hoger?

“Jazeker. Kinderen worden naar mijn gevoel vaak ondergestimuleerd, terwijl hun brein een nieuwigheidsmachine is. Ze zoeken niet alleen cognitieve, maar ook emotionele, sociale en lichamelijke prikkels. We moeten als ouders, leraren of overheid zorgen dat al die verschillende archiefkastjes in het tienerbrein optimaal gevuld raken, door de juiste voorwaarden te scheppen. In Amsterdam is er in een kansarme wijk een werkplaats gecreëerd waar jongeren leren sleutelen aan hun luidruchtige brommertjes. Daaromheen was er plots ontzettend veel sociale interactie, zo sloegen jongeren bijvoorbeeld aan het rappen.”

Wie is Jelle Jolles?

- 10 april 1949, Den Haag

- Emeritus hoogleraar neuropsychologie aan de Universiteit van Maastricht en de Vrije Universiteit Amsterdam

- Oprichter en directeur van het Centrum voor Brein & Leren

- Auteur van ‘Het Tienerbrein’ (2016) en ‘Leer je kind kennen’ (2020)

- Vaak in Nederlandse media opgevoerd als het over jongeren of opvoeding gaat

De lockdown was niet ideaal voor die interactie. Vreest u een grote impact, bijvoorbeeld op de IQ-punten van jongeren?

“Ik vind het vreselijk wat ze nu doormaken, niet alleen kinderen maar ook twintigers. Maanden zonder vrienden of sociale interactie, geen terrasjes of festivals, dat is een enorme aanslag op wat hun brein verschrikkelijk graag wil. Maar de coronacrisis is nu na enkele maanden wel op zijn retour, en we weten dat een zomervakantie zonder school ook wel te overleven valt. Met een tweede of derde golf kom je in een ander verhaal terecht. Dan zullen we moeten zorgen dat er ruimte blijft voor interactie tussen jongeren, op straat of op school.

“Maar dit tanken ze dus wel bij, denk ik, mits een inhaalbeweging. Helaas zijn kansarme gezinnen daar vaak minder goed voor gewapend, en die kinderen hebben vaak al een grotere achterstand opgelopen omdat ze deze periode hebben doorgebracht met ruziënde ouders of in een klein appartementje. In die zin ben ik vooral bezorgd dat de kloof groter wordt. Daar ligt een gigantische verantwoordelijkheid voor de overheid. Als er miljarden euro’s naar de bedrijven vloeien, mag er ook wat steun zijn voor hen. Al blijf ik er van overtuigd dat je als ouder ook met minder financiële middelen een stimulerende omgeving kan creëren voor je kind. Ook in de Kringloopwinkel vind je leuk speelgoed.’

Hoe wilt u die mensen bereiken? Wie nu moet vechten om te overleven, zal wellicht uw boek niet kopen.

“Daar ben ik me van bewust, maar van mijn vorige boek Het tienerbrein heb ik geleerd dat vooral leerkrachten, pedagogen of maatschappelijke werkers een belangrijk deel van het lezerspubliek vormden. En dat zijn de mensen die op hun beurt die handvaten kunnen overdragen aan ouders.

“Ik zie dan ook enorm veel potentieel in wat ik ‘oudereneducatie’ noem: een stukje voorlichting over die gebruiksaanwijzing van tieners. En scholen zijn volgens mij de ideale plek waar ouders om de zoveel tijd een cursus zouden kunnen volgen over de werking van hun kind: ‘Kijk, het is niet altijd zo lastig als het lijkt.’”

Dat klinkt als nóg een extra taak voor het onderwijs.

“Integendeel, want met die kennis zouden ouders thuis een betere structuur kunnen bieden, helpen met plannen en hun kinderen zélf motiveren. Dat zijn taken die nu vaak bij het onderwijs komen te liggen, terwijl ik ouders net door de scholen wil laten inschakelen.”

Het boek ‘Leer je kind kennen’ verscheen op 9 juni bij Uitgeverij Pluim.

'Leer je kind kennen' - Jelle Jolles.Beeld Uitgeverij Pluim
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234