Zondag 31/05/2020

Leonardo en legenden

door Leen Huet

Mensen in Krakau vertellen je zomaar, bij een kopje thee, mooie verhalen. Dat de Grote Markt van hun stad regelmatig vier Nobelprijswinnaars zag rondwandelen, bijvoorbeeld: Lech Walesa, Czeslaw Milosz, Wislawa Szymborska en Joseph Brodsky (nu Brodsky gestorven is, zijn het er nog maar drie). Of dat het nodig is om de plaatsen zelf te zien - Nederland om de Nederlandse schilderkunst te begrijpen, de Russische berkenbossen om al de Russische drukte erover te vatten. "Hier zijn berken stomme twijgen," legde mijn gastheer in de Wawelburcht uit, "maar ginder zijn ze als eiken - met witte stammen en lichtgroene kruinen, hele wouden daarvan." We besloten dat ze er als sprookjesbossen uitzagen: hij in herinnering, ik in verbeelding. Daarna wandelden we de troonzaal binnen en zag ik uit de cassettes van de zoldering, als uit ramen, dertig mensenhoofden, gesneden in hout en beschilderd, naar ons kijken - er was een Habsburger bij, een acteur, een hoogleraar en een vrouw met een doek voor de mond. Tot dan toe was het de mooiste interieurdecoratie die ik ooit gezien had, maar kort daarop vernam ik dat een andere zoldering in het paleis op dezelfde manier versierd was geweest met levensgrote houten vogels, waarvan sommige konden bewegen.

En terwijl we in het Czartoryski-museum keken naar de Dame met de hermelijn van Leonardo da Vinci, onthulde een dame me de laatste theorie daarover. Cecilia Gallerani, maîtresse van Leonardo's opdrachtgever, verklaarde in een brief dat Leonardo haar portret schilderde toen zij nog imperfetta was. "Nog geen vrouw," verduidelijkte mijn lieve begeleidster, en fluisterde: "vóór de menstruatie". Imperfetta trof me als een mooi woord voor deze zaak - "maar als ze imperfetta was, kon ze toch geen maîtresse zijn?" "Wie weet?" antwoordde mijn begeleidster wijs.

Het oude Krakau is een wonderlijke aristocratische enclave, die alle gruwelen van de geschiedenis doorstaan lijkt te hebben - en die gruwelen zijn dichtbij, want het eerste wat ik zag toen ik het station uitkwam, was de bus naar Auschwitz. Een splitsing van wegen zal zelden zulke contrasten opleveren: de bus in of de stad in. Het werd de stad, waarvan de schoonheid nu ook kon beginnen schrijnen. Met een barokke jezuïetenkerk als overbuur - alle levensgrote apostelen op de gevel in een kap van sneeuw -, de Wawelburcht als nevenbuur en een gekasseid straatje naar het centrum vond ik een mooi vertrekpunt.

Krakau stelde me hoffelijk voor aan een feit: sommige steden zijn kunstwerken, levend, democratisch en prachtig voor alle mensen die er wonen, gewoond hebben, zullen wonen. Er zijn Poolse, Chinese, hippe en Italiaanse restaurants; etalages met Italiaanse mode, handgemaakte schoenen, zilver en amber, fruit en boeken. De binnenplaatsen voeren vrij regelmatig naar antiquariaten; gek genoeg vind je er soms ook Nederlandse romans. Een poster van Stalin wordt er te koop aangeboden naast een Stamboom van den hond; en natuurlijk is er een exemplaar van de Duitse vertaling van Pallieter. Weifelend tussen een Franse vertaling van de brieven van Bismarck en een Engels boekje met Poolse legenden maakte ik de verkeerde keuze. Als kind kreeg ik het al op mijn zenuwen van legenden - het vrouwtje van Stavoren heeft me nooit meer ontlokt dan een geeuw, alle andere verhalen ben ik vergeten. Maar Poolse legenden zouden me misschien iets bijbrengen over mijn gastland. En de inhoudsopgave vermeldde duidelijk het verhaal van de plaatselijke draak, listig verslagen door Krak, die de stad later zijn naam gaf.

Dat de schrijver van dit boekje er, zoals de flaptekst trots meedeelt, een geslaagde loopbaan als geleerde en journalist op na hield, neem ik met plezier aan, maar één ding gunden de goden hem niet: de gave van het vertellen, die voor legenden toch broodnodig lijkt. Als hij dit boek alleen voor kinderen bedoelde, stel ik me hem voor als iemand die vindt dat je tegen hen luid en traag moet praten en ook waar mogelijk pedagogisch herhalen. Zo lieten deze verhalen uit het oude Polen een zekere treurigheid achter; het deed geen deugd om al die op zich goede stof verknoeid te zien. Bovendien: "wreedheid en roofzucht stonden op hun voorhoofden geschreven. Het waren Duitsers," kan dan al een persoonlijke overtuiging zijn, gevoed door persoonlijke ervaring - in een boek maakt het een slechte indruk.

Toch heb ik wel dingen geleerd. De oudste stad van Polen was waarschijnlijk Gniezno; en dan is het prettig om je reisgids open te slaan en over het huidige Gniezno te lezen - waar, in een zilveren sarcofaag, Sint-Adelbert begraven ligt. Hij werd gedood tijdens een poging tot bekering van de heidense Pruisen in 997 - de Poolse heerser Boleslaw de Dappere betaalde de Pruisen voor zijn lijk het gewicht in goud. En de legende luidt: het goud dat Boleslaws gezanten bij zich hadden, volstond niet; zij gooiden al hun sieraden mee op de weegschaal; nog was het niet genoeg. Toen kwam een arme vrouw uit de buurt, die Adelbert bij zijn eerste doortocht een nap melk aangeboden had, met een klein goudstukje - haar enige munt en alles wat er overbleef van haar bruidsschat. Het wonder gebeurde: ze legde de munt bij het Poolse losgeld en plotseling hingen de schalen in evenwicht.

Twee reizigers die slecht ontvangen worden aan het hof en goed onthaald bij een arme boer, moeten wel engelen zijn. Een kleine prins die blind was, maar geneest op het feest dat zijn kindertijd besluit, staat natuurlijk symbool voor de bekering van Polen tot het christendom, in 966. Eenmaal volwassen had deze prins naar heidens gebruik zeven echtgenotes. Toen werd hij verliefd op een Tsjechische, katholieke prinses, die alleen met hem wilde trouwen op voorwaarde dat hij zich bekeerde en zijn zeven heidense vrouwen verstootte; hetgeen hij deed, waardoor ik medelijden kreeg met de zeven. Wat er met hen gebeurde, vertelt zo'n legende niet.

Leonardo's Dame met de hermelijn tekent zich glimlachend af tegen een donkere achtergrond. De verhalen die mensen me twee dagen lang in Krakau vertelden, steken even mooi en levendig af tegen het duister van deze gemompelde legenden.

Sigmund H. Uminski, Tales of Early Poland, Endurance Press, Detroit, Michigan, 1968. Antykwariat Rara Avis, ul. Szpitalna 7/4, 31-024 Krakau, Polen (Http://www.raraavis.krakow.pl). Niet in voorraad, 31,65 zloty (ongeveer 320 frank).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234