Woensdag 16/10/2019

Portret

Léon Degrelle: hoe de Führer uit Bouillon onsterfelijk werd

Léon ­Degrelle speecht ­tijdens een bijeenkomst van de Franse Waffen-SS, op 1 maart 1944. Beeld Photo News

Léon Degrelle, leider van Rex, aanvoerder van het Waals Legioen en na WO II bij verstek ter dood veroordeeld, blijft door ons geheugen spoken. Dat komt omdat België nooit een manier gevonden heeft om met Degrelle om te gaan, zegt auteur Bruno Cheyns in een meesterlijke nieuwe biografie.

Is België klaar met Léon Degrelle? Neen. De tientallen kranten- en tijdschriftartikels waarin ’s mans naam alleen het voorbije jaar weer opdook, spreken voor zich: de ­leider van Rex – alweer 23 jaar geleden overleden – fascineert, roept verontwaardiging op en is een ijkpunt voor al wie parallellen ziet tussen ons tijdvak en de jaren 30.

Bruno Cheyns, 'Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon', Uitgeverij Vrijdag, 590 p., 39 euro. Beeld rv

In het Belgisch-Luxemburgse Gouvy ­bijvoorbeeld, een uur noordwaarts van Bouillon waar Degrelle in 1906 geboren werd, zoeken nabestaanden van oorlogsslachtoffers nog altijd naar gerechtigheid voor een moordpartij waar ze, zoals ze onlangs in De Morgen getuigden, Degrelle mee schuldig aan achten.

Of er zijn hedendaagse politici die door andere politici met Degrelle vergeleken worden: het is een eer die Jean-Marie Dedecker te beurt viel, zo schreef hij in Knack, bij monde van de Molenbeekse PS’er en oud-burgemeester Philippe Moureaux.

In een artikel naar aanleiding van nieuwkomer Emmanuel Macron die Frankrijks oude partijen van de kaart veegde, verwijst ook Walter Pauli, collega bij dat laatste blad, naar Léon Degrelle. Immers, bij de Belgische parlementsverkiezingen van 1936 forceerde ook híj, tot nakijken van de gevestigde machten, een ongeziene doorbraak.

Er kwam nog meer Degrelle op ons af: in het boek Ils admiraient Hitler van historicus Arnaud de la Croix bijvoorbeeld, die schetst waarom de Ardense stokebrand zich zo tot Hitler aangetrokken voelde. De Belgisch-Franse romanschrijver Patrick Roegiers zorgde dan weer voor wrevel bij de erven-Simenon. Dat deed hij door Georges Simenons broer Christian in een nieuw werk op te voeren: die had zich in de Tweede Wereld­oorlog bij Rex gevoegd. En bij uitgever Polis kwam net nog Het dienstmeisje van Degrelle van Simone Korkus uit, een verhaal met een Joods-Brusselse insteek.

‘Vandaag, ruim twintig jaar na het overlijden van Degrelle, is België nog steeds niet klaar om zijn meest beruchte zoon definitief ten grave te dragen’, schrijft ook Bruno Cheyns in zijn eerstdaags te verschijnen, monumentale biografie.

Sinds Cheyns als student aan de Gentse universiteit het werk Collaboratie in België, Léon Degrelle en het rexisme, 1940-1944 van de Britse historicus Martin Conway onder ogen kreeg, inmiddels 15 jaar geleden, liet het onderwerp hem niet meer los. Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon, zoals de biografie heet, is het resultaat van een decennium graafwerk: in verhalen van getuigen die Degrelle zelf van nabij meegemaakt hebben, in naslag­werken, in archieven.

Hoewel ook Cheyns geen aanspraak maakt op volledigheid – zijn werk behelst vooral de politieke ­carrière van Degrelle – wil hij de gebreken in de traditionele Belgische omgang met het ­heerschap overstijgen.

Het gros van het materiaal dat over de flamboyante brouwerszoon is verschenen, zegt Cheyns, slaat op WO II, de oprichting van het Waals Legioen, de strijd aan het oostfront en de betrekkingen die Léon Degrelle met nazi-Duitsland aanknoopte, incluis figuren als Heinrich Himmler en Adolf Hitler.

Die focus op de periode 1940-1945 heeft ‘de perceptie over de rexistenleider sterk beïnvloed’ en heeft het tijdperk dat daaraan voorafging, het interbellum waarin Degrelle ‘de Belgische ­politiek op haar grondvesten deed daveren’, enigszins veronachtzaamd.

De auteur stelt ook vast dat, los van Conway, niemand ooit een echt synthesewerk over het rexisme heeft geschreven. Het was wachten tot vorig jaar, 2016, voor de Franstalige collaboratie in België haar beslag kreeg onder de vorm van een vuistdikke encyclopedie.

Vorsers blijven kampen met een tekort aan objectief bronnenmateriaal, met versnipperde archieven en met de intrinsieke complexiteit van de collaboratie in Wallonië, zegt Cheyns. Dat alles maakt dat van Degrelle een nogal karikaturaal beeld ontstaan is, wars van veel historisch perspectief. De meticuleuze speurtocht die De Führer van Bouillon om het lijf had, en de lezer een ­karrenvracht aan namen, data, citaten en bibliografische referenties oplevert, is een keurmerk voor sérieux.

Tussen ridder en Rimbaud

Nochtans en niettemin, de verleiding blijft groot om het leven van Léon Degrelle – hoe politiek fout dan ook– als romanesk te beschouwen. Want wie fietst er nu als 13-jarige jongen, in 1919, één jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, over de kille kammen van Luxemburg naar Duitsland om daar, in Trier, overnachting te vinden in een ­psychiatrische instelling? En wie klopt op de terugweg, geveld door griep, bij de monniken van Clervaux op de deur om daar weer aan te sterken? Hoeveel prille twintigers trokken destijds van België naar Mexico om er de katholieken te steunen die door de revolutie in de verdrukking gekomen waren? Wie blufte al op jonge leeftijd de katholieke kerk omver om, bevlogen en streberig als Léon Degrelle, een opstap naar macht, eer en daadkracht af te dwingen?

De latere rexist blijkt alles tussen ridder en Rimbaud, literair fantast en braniemaker. De magie werkt, óók in het anders zo geleerde boek van Cheyns: de auteur is gefascineerd door zijn studieobject en laat precies daardoor zien waarom in de jaren 30 ook de opinie zo in de ban raakt van Degrelle.

De in 1936 uitgegeven brochure 'De boodschap van Rex'. Beeld rv

Léon Degrelle, die rechten studeerde in Namen en in Leuven, ging in die laatste stad aan de slag voor de kleine ­uitgeverij Christus Rex (‘Christus Koning’), die het blad Rex in haar portfolio had. Als hij op zijn beurt Les Editions du Rex lanceert, in 1934, hoopt Degrelle de Katholieke Partij op het pad van het nationaal-katholicisme te krijgen. “De enige leidraad in onze actie is het dienen van Kerk en Vaderland”, pocht hij.

In het hoofdstuk ‘De coup van Kortrijk’ legt Cheyns uit hoe ­monseigneur Picard, de nochtans Mussolini gezinde proost van de Association Catholique de la Jeunesse Belge (ACJB), kardinaal Van Roey waarschuwde voor de agitprop van Rex.

Ongelijk had Picard allicht niet. In november 1935 vond in de Guldensporenstad het congres van de Katholieke Kringen plaats, waar Degrelle inderdaad een poging zou wagen om de Katholieke Partij naar zijn hand te zetten. Het opzet mislukte, maar Degrelles bravoure sloeg aan: aanvang 1936 richt hij Rex op – of hoe een blaadje een politieke formatie werd.

‘Voor Degrelle waren corruptieschandalen gefundenes Fressen om de teloorgang van de politieke kaste aan de kaak te stellen en de aflossing van de wacht te eisen’, schrijft Cheyns.

Degrelle trekt niet alleen van leer tegen de partijen, ook het grootkapitaal, de Boerenbond en links maken kennis met ’s mans vitriool. Rex ging ervan uit dat België bestuurd werd door ‘de dictatuur van het hyperkapitalisme, de cumulatie en de demoralisering van de administratieve kaders’. Dat het kabinet-Van Zeeland tot de devaluatie van de Belgische frank beslist had en in één pennentrek duizenden nieuwe financiële slachtoffers maakte, hielp Degrelle al evengoed.

Zijn eind 20ste eeuw door het Vlaams Blok overgenomen slogan Groote kuisch! deed de rest: bij de verkiezingen van 24 mei 1936 behaalde Rex vanuit het niets 21 zetels in de Kamer. Zelfs in Vlaanderen ging de uiterst Belgische partij, die weliswaar als eerste een federale structuur zou aannemen, op 7 procent van de stemmen prat.

Dood gewaand

Degrelles ster rijst zienderogen, in Rome mag hij bij de Duce op bezoek, kort daarna zal Rex zelfs financiële steun van het fascistische regime krijgen. Terwijl de nazi’s in Duitsland er aanvankelijk alles aan deden om zich terughoudend op te stellen (en, aldus een persnota van het ministerie van Propaganda, de indruk te vermijden ‘dat Degrelle door Duitsland wordt opgeëist’, wat bij patriottische kiezers in slechte aarde zou zijn gevallen), speelt Berlijn ten slotte alsnog open kaart: Rex krijgt 250.000 Reichsmark ter beschikking, het equivalent van 925.000 euro anno nu.

Maar na hoogmoed, wispelturigheid en ­strategisch geblunder, komt genadeloos de val: bij de tussentijdse verkiezingen van 1937, die door Degrelle zelf waren uitgelokt, moet Rex het onderspit delven. Aan de vooravond van WO II, in 1939, blijkt de ­parlementaire rol van de partij alweer ­uitgespeeld. Ze houdt hooguit vier Kamerzetels over, en één in de Senaat.

Katten hebben negen levens. Bij Léon Degrelle, inmiddels een bemiddeld man met een riante villa aan de rand van het Zoniënwoud, zal het weinig schelen. Op 10 mei 1940 valt Duitsland België binnen en wordt de Rex-leider door de paniekerige Belgische autoriteiten aangehouden – nood breekt wet, want eigenlijk geniet hij parlementaire onschendbaarheid. Degrelle wordt op een transport naar Frankrijk gezet. Een tijdlang heerst er onzekerheid over zijn lot en wordt hij dood gewaand, inderhaast terechtgesteld zoals Verdinaso-kopstuk Joris Van Severen.

Maar dan vindt een Rex-delegatie die via Vichy omreist hem terug in het gevangeniskamp van Vernet, aan de voet van de Pyreneeën. Omdat Leopold III intussen gekapituleerd heeft en nazi-Duitsland ook in Brussel aan de knoppen zit, komt Degrelle, flink verzwakt, op vrije voeten.

Kort daarna staan de Duitsers toe dat hij zijn blad Le Pays Réel opnieuw uitbrengt. Léon Degrelle kleeft nu openlijk de Nieuwe Orde aan, toont zich antisemitischer dan tot dan toe het geval geweest was en beweegt hemel en aarde om bij de bezetters en Hitler in het gevlij te komen: de rexist is er alles aan ­gelegen te vermijden dat de Flamenpolitik, die de Vlaams-Nationalisten een ideologisch voetje voor geeft, zijn eigen aanzien in het gedrang brengt. ‘Degrelle wilde opnieuw een rol van betekenis spelen’, schrijft Cheyns, ‘en hoopte, met de steun van de nazi's, België voor te bereiden op een nieuw politiek tijdperk.’

Of zoals Léon Degrelle zelf oreerde: “We kijken reikhalzend uit naar de dag dat Hitler de laatste plutocraat in het Kanaal verdrinkt! (…) Aan hem onze wensen, ons vertrouwen en onze hoop! Door Europa te redden zal hij ons ook redden! Heil Hitler!”

Hauptsturmführer Degrelle in 1944 op audiëntie bij Hitler na de slag bij Tsjerkasy (Oekraïne). De Führer beloont hem met het prestigieuze Ridderkruis met Eikenloof. Beeld BELGAIMAGE

Degrelle mocht er dan meermaals op aan­gedrongen hebben om tot de Waffen-SS toe te ­treden, hij kreeg nul op het rekest. Pas na de inval in de Sovjet-Unie, toen de ­kansen van nazi-Duitsland aan het keren waren, stemde Berlijn ermee in dat hij het antibolsjewistische Légion Wallonie oprichtte. In de zomer van 1941 slaagt Degrelle erin een contingent van 850 vrijwilligers op de been te brengen, ‘mannen’, zo citeert Cheyns Conway, ‘uit alle lagen van de bevolking’. De meesten waren ‘geen jonge ontwortelde avonturiers, maar lieden die hun werk en familie hadden achtergelaten om hun leider te volgen’.

Zelf vertrok Degrelle als gewoon soldaat, schopte het tot luitenant en werd met het IJzeren Kruis onderscheiden. Naarmate de Waalse contingenten elkaar opvolgden, klom Degrelle in de hiërarchie. Halfweg 1943 wordt het Legioen onder het gezag van de Waffen-SS geplaatst; ­politiek kleeft Degrelle intussen het standpunt aan dat de Walen cultureel verdwaalde Germanen zijn en dat ook zij hun plaats ­verdienen in het Groot-Germaanse rijk.

Als de oorlog naar zijn einde loopt, begin 1944, leveren de Walen verbeten gevechten in Tsjerkasy, in Oekraïne. Degrelle zelf, intussen tot SS-Hauptsturmführer gepromoveerd, raakt er gewond. Hij wordt door de Luftwaffe geëvacueerd en naar Adolf Hitler in persoon overgebracht. Die decoreert hem met het Ridderkruis met Eikenloof en beschouwt hem, luidens Degrelles eigen apocriefe versie, als een ideale zoon. Het Legioen vecht nog mee tijdens het Ardennenoffensief van 1945, waarna het doek valt over nazi-Duitsland.

Verboden memoires

Romanesk, dat leven van Degrelle? Als het niet zo beladen was, dan zeker. Want wie slaagt er nu in om met het vliegtuig van Reichs­minister Albert Speer uit het nog nét bezette Noorwegen weg te vluchten, met nét genoeg benzine koers te zetten naar het Spanje van Franco, nét over de meet neer te storten in de baai van San Sebastián – en er god aan toe nog heelhuids van afkomt?

In Le sec et l’humide, een werk dat in 2008 uitkwam en dat dienstdeed als postscriptum bij zijn met de Prix Goncourt bedachte oorlogsroman De welwillenden, schreef auteur Jonathan Littell dat ‘het er helemaal naar uitziet dat voor Degrelle (een van de inspiratiebronnen voor diens personage Max Aue, LD) de tijd in 1945 letterlijk tot stilstand gekomen was. Degrelle bleef leeg achter, gefixeerd in zijn eigen mentale beelden, stijf en tegen de werkelijkheid beschermd door zijn SS-uniform, zoals een kreeft door zijn schild.’

Degrelle keert in 1944 met het Waals Legioen terug in België en groet de Brusselaars. Beeld BELGA

Ook Littell, die Degrelles eind jaren 40 verschenen werk La campagne de Russie uitrafelde en onder een psycholinguïstische loep nam, benaderde hem als literair figuur. Cheyns noemt dat, al dan niet terecht, ‘pejoratieve framing’, onder te verstaan: ‘wetenschappelijk onverantwoord’. Nochtans: Littell heeft Degrelle óók serieus doorgrond en heeft er eveneens boeiende dingen over te vertellen. Toch heeft Cheyns een punt als hij kritisch is voor het ontmenselijkingsproces waar de rexist, aldus Littell, onderhevig aan zou zijn geweest.

Het is zonneklaar dat het zwaartepunt in De Führer uit Bouillon bij de aanloop naar, en het verloop van, de oorlog ligt. Toch besteedt Cheyns ook aandacht aan de naoorlogse, Spaanse Degrelle, alias León José de Ramírez Reina, zoals hij op zijn nieuwe papieren heette. Degrelle boert aanvankelijk niet slecht als zakenman, stelt zijn in Frankrijk en België verboden memoires te boek, speelt via de Spaanse staat een kat-en-muisspel met België in verband met een uitlevering die er nooit komt.

Toch zou hijzelf – zegt aan De Morgen, op nadrukkelijk verzoek van anonimiteit, een bron die de oudere Degrelle tot het eind heeft meegemaakt – niets liever gewild hebben, omdat hij uit was op eerherstel. “In Léons ogen waren het de Belgische politici die hem niet moesten en bang waren dat zijn terugkeer oude lijken uit de kast zou doen vallen.”

Spaans biertje

Cheyns werkstuk is vooral aan de politicus Degrelle gewijd, minder aan de privépersoon. Maar ontmenselijkt? Neen. We leren dat hij een niet zo gesmeerd huwelijk met Marie-Paule Lemay had, dat zijn zoon later in een motor­ongeval om het leven zou komen, dat hij in 1984, na Marie-Paules dood, hertrouwde met Jeanne Brevet, de liefde van zijn leven en weduwe van de Franse journalist en collaborateur Henry Charbonneau (en niet, zoals in de drukproef bij wijze van schoonheidsfout te lezen viel, François Brigneaux).

Een tweede anonieme bron schetst een Degrelle die in Málaga een burgerlijk maar al bij al gewoon bestaan leidde. “Al bleef hij wel hard fulmineren. Zo had hij een hekel aan tijdverlies en aan lieden die hem de indruk gaven dat hij zijn tijd verloor.”

Tot aan zijn dood in 1994 zou Degrelle, die jarenlang bewonderaars bleef ontvangen en vaak nog provocerend in de pen klom, een resolute optimist gebleven zijn, die niet teerde op rancune.

Cheyns schrijft: ‘Er wordt vaak gezegd dat Léon in het verleden bleef steken en nostalgisch was. Dat klopt niet. Hij was jong van geest, leefde met zijn tijd mee en begreep dat, na de democratisering van Spanje, de wereld anders geworden was. U gelooft het of niet, hij schoot op met mensen van allerlei stand en rang, ook met mensen die het politiek grondig met hem oneens waren, en het te verduren kregen onder het franquisme.’

In 1982 bezochten leden van de Vlaamse Militanten Orde Léon Degrelle in Barcelona. Beeld rv

De late Degrelle reisde door een Spanje dat hij met hart en ziel beminde, woonde conferenties bij over archeologie en kunstgeschiedenis, raakte gefascineerd door tekstverwerkingssystemen, las El País, Le Monde en Valeurs Actuelles, ‘maar nooit Le Soir’. Af en toe nog kwamen er ook Belgen over de vloer, die bier meebrachten. ‘Toch dronk Léon niets liever dan een Spaanse Mahou, waar hij graag een sandwich bij at.’ In die relatieve ­banaliteit, zij het omringd door fascistische en nazi-parafernalia, is Léon Degrelle gestorven.

Maar dan wordt hij schielijk toch weer romanesk: op het einde van het boek beschrijft Cheyns wat er tussen Spanje, de vallei van de Semois en Berchtesgaden mogelijk met zijn as gebeurde. Een avontuur op zich, want België verzette zich tegen asverstrooiing op zijn grondgebied en opende zo de deur naar nieuw mysterie.

Heeft ons land er goed aan gedaan Degrelle na de oorlog zo veel mogelijk uit het nationaal geheugen te wissen? De vraag is legitiem, al denkt Bruno Cheyns duidelijk van niet.

Zoals hij in zijn slotwoord betoogt: ‘Waarschijnlijk realiseert België met zijn verkrampte houding net Degrelles grootste droom: onsterfelijkheid.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234