Zondag 08/12/2019

Lege landkaarten

De mens heeft vermoedelijk altijd aan een onstilbare ontdekkingshonger geleden

Door Annelies Verbeke

Het lijkt mij stug dat ik als schrijver ooit zal besluiten met pensioen te gaan, maar mocht het ooit toch zo ver komen, weet ik alvast welke hobby ik mij in mijn oude dag eigen zal maken. Ik zal een verwoed verzamelaar worden van oude landkaarten en deze met niet aflatende interesse van achter mijn leesbril bestuderen.

De mens heeft vermoedelijk altijd aan een onstilbare ontdekkingshonger geleden en al heel lang probeert hij een beter zicht te krijgen op pas ontdekt gebied door het nauwkeurig neer te tekenen. De eerste landkaarten waar men weet van heeft, zouden rond 3800 voor Christus gemaakt zijn door de Babyloniërs. De eerste atlassen stammen uit de tweede eeuw en zijn van de hand van Claudius Ptolemaeus. Zij werden echter pas 'atlassen' toen onze eigen Mercator besloot boeken met landkaarten zo te noemen. Na eeuwen van eindeloze zeereizen, schrikwekkende ontmoetingen, revelerende vergissingen, handel, kolonisatie, onderwerping, scheurbuik en moord, is de twintigste-eeuwse mens erin geslaagd de laatste witte vlekken op de landkaarten op te vullen.

Niet dat men voorheen niet aan opvulling deed. In de middeleeuwen zijn landkaarten bijvoorbeeld bezaaid met draken, eekhoorns, paradijsvogels en vreemde volkeren die geen hoofd hebben of zich voeden met geuren. Deze kaarten waren begrijpelijkerwijze veeleer als theologische verhalen bedoeld dan als praktische hulpmiddelen bij het oriënteren.

In de negentiende eeuw was men echter goed op weg alles te hebben ontdekt en onderworpen, al werden de binnenlanden van Zuid-Amerika, Azië en Afrika pas dan in kaart gebracht. De laatste witte vlekken die in het begin van de twintigste eeuw werden opgevuld, betroffen de binnenlanden van Australië en Nieuw-Guinea, de noordkust van Canada, Antarctica en enkele gebieden in Centraal-Afrika.

In 1868 wijst een negenjarig Pools jongetje naar een witte vlek op een kaart van Afrika. "Hier zal ik heen gaan!", verkondigt hij vastberaden. Zijn naam is Józef Teodor Konrad Korzeniowsky. Hij is verslaafd aan reisverhalen. Hij zal een groot deel van zijn leven aan boord van schepen doorbrengen, zichzelf Joseph Conrad noemen en enkele boeken schrijven die de eeuwigheid trotseren.

De mate waarin de witte vlekken op kaarten hem als kind intrigeerden, werd door Conrad uitvoerig aangehaald in zijn autobiografie A Personal Record en in een essay getiteld 'Geography and Some Explorers', waarin hij het heeft over "exciting spaces of white paper". In zijn meest beroemde roman Heart of Darkness geeft Conrad zijn hoofdpersonage Marlow een gelijkaardige jeugd mee. De jonge Marlow droomt van reizen naar witte vlekken: naar de Noordpool en naar enkele plaatsen rond de evenaar. Maar het meest wil hij naar het grote witte vlak dat hij tot zijn ontzetting in snel tempo opgevuld ziet worden: "It had got filled since my boyhood with rivers and lakes and names. It had ceased to be a blank space of delightful mystery - a white patch for a boy to dream gloriously over. It had become a place of darkness." Op die manier begint Conrad zijn roman al met de suggestie dat ontdekkingsreizigers het gebied 'verduisterd' hebben. Aan het einde van het boek voegt hij eraan toe dat zij het onbekende tot "the unspeakable" hebben omgevormd. In plaats van het donkere onbekende op te klaren, hebben de leden van de missie enkel de duisternis in hun eigen hart ontdekt.

Heart of Darkness beschrijft de reis die Marlow onderneemt door het hart van Afrika, langs de Kongo rivier, op zoek naar Kurtz, een gegeven dat vele decennia later door Coppola naar een Vietnamese setting werd verplaatst in Apocalypse Now, met inbegrip van Kurtz' beroemde woorden "The horror! The horror!"

De ontmoeting tussen Marlow en Kurtz heeft veel weg van die tussen Stanley en Livingstone. Hij vindt hem niet alleen, hij krijgt ook zijn persoonlijke dagboeken en brieven. Hoewel hij daar nergens wat over zegt, moet Conrad zich zeker gebaseerd hebben op Stanley's In Darkest Afrika (1890).

In 1876 hield Leopold II de Conférence Géographique Africaine. Ook hij gebruikt daar beelden van licht en donker wanneer hij zijn doelen uit de doeken doet: "om het enige deel van onze aardbol open te stellen voor de beschaving die daar nog niet heeft doorgedrongen, om de duisternis te doorboren die hele bevolkingen omvat, dat is een kruistocht deze eeuw van vooruitgang waardig". Om deze doelen mee te verwezenlijken, sprak hij Stanley aan, van wie hij nogal onder de indruk was. Stanley aanvaardde het aanbod voor Leopold II diplomatieke taken uit te voeren in Congo, maar verbond die met taken die de Britten (in Oost-Afrika en Soedan) en de Amerikanen (Zanzibar) hem oplegden. In dit opzicht viel Stanley te vergelijken met Kurtz; een pionier van een nieuw soort imperialisme. Marlow vraagt zich over hem af: "How many powers of darkness claimed him for their own?"

Tijdens zijn laatste missie onder Leopold II begaf Stanley zich met zijn mannen van de monding van de Congo rivier naar Matadi. Dat is dezelfde reis als degene die Conrad zelf enkele jaren later maakte en die Marlow beschrijft in Heart of Darkness. Dat hij Stanley niet al te hoog achtte, zal er wel mee te maken hebben dat hij verzwijgt dat hij in diens voetsporen treedt. In 'Geography and Some Explorers' beschrijft Conrad dat hij zich plots erg terneergeslagen voelt wanneer hij bij de Stanley Watervallen een pijp staat te roken. Hij realiseert zich namelijk dat Stanley en Leopold II zijn "idealised realities of a boy's daydreams" hebben bevuild. Hij lijkt hen kwalijk te nemen dat ze de heldere leegte op de kaart uit zijn jeugd hebben ingekleurd, inktzwart en buiten de lijntjes.

Conrads verlangen naar de vervlogen witte vlekken, maakt ook dat hij het in Heart of Darkness nergens letterlijk over 'Afrika' of 'Congo' heeft. Hij wil het mysterie van Marlows tocht bewaren en laat die daarom als het ware plaatsvinden over de onbeschreven rivieren en in het onontgonnen oerwoud van de opwindende stukjes wit papier.

In 'Geography and Some Explorers' poneert Conrad dat de aardrijkskunde zich ontwikkelt heeft van een "fabulous phase" naar een "geography militant phase". Die eerste fase houdt zich aldus Conrad bezig met fantasierijke en extravagante speculaties. De middeleeuwse landkaarten zijn hier een uiting van. De fase van wat hij noemt de "geography militant" wordt enerzijds gekenmerkt door hebzucht, anderzijds door een wetenschappelijke zoektocht naar waarheid. Conrad ergert zich bovenmatig aan al die ontdekkingsreizigers "who climbed mountains, pushed through forests, swam rivers, floundered in bogs, without giving a single thought to the science of geography". Ook in Heart of Darkness laat hij zich laatdunkend uit over de hysterische goudkoorts van de conquistadores. Een aanklacht van de uitbuiting van gekoloniseerde volkeren sijpelt door, hoewel men zich ook vragen kan stellen bij het feit dat het kwaad in Kurtz aan de oppervlakte is gekomen door als de inboorlingen te gaan leven. Bovenal pleit Conrad voor voorzichtigheid en respect bij het verkennen van nieuw gebied. Vermoedelijk was hij graag de eerste geweest die de Congo rivier bevoer. Om met uiterste nauwkeurigheid en toewijding de kaart op te vullen.

Ook in Heart of Darkness laat Conrad zich laatdunkend uit over de hysterische goudkoorts van de conquistadores

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234