Zaterdag 14/12/2019

Lees slechte poëzie, maar doe het met mate

Vandaag moet het mogelijk zijn te denken dat de poëzie van T'Hooft niet veel voorstelt in het licht van andere, straffere dichters én dat ze belangrijk is

DOOR BERT BULTINCK

De Oost-Vlaamse dichter Jotie T'Hooft had minder talent voor poëzie dan voor gelegenheden. Anders dan gebruikelijk in het genre zijn zowat al de gedichten van de kapot gevierde auteur gelegenheidspoëzie. Niet in de zin van begrafenisversjes of verjaardagsboodschappen, maar in de zin van: neem de speciale gelegenheden weg en veel poëzie blijft er niet over. Anekdotiek aangekleed met adjectieven: daar komt niet veel l'art pour l'art in tussen. Zoals bekend schiep de cultheld de gelegenheden het liefste zelf, met een drugsverslaving vanaf zijn veertiende, en een einde waar hij altijd naar op zoek was. Dat leidde veeleer tot bombast dan taalexperimenten. Slaappillen, scheermesjes en cocaïne gaven zijn verzen vooral postuum een donkere aantrekkingskracht, voor adolescenten die in die tijd nog heel even op Joy Division moesten wachten. "Jarenlang Luminal Johnnie Walker Peragon / Maken de mens tot dof oog / Gekneld in verstijfd licht" heet het, geheel autobiografisch, in het gedicht 'Levensverhaal'. Zijn bundels Schreeuwlandschap en Junkieverdriet zijn van 1975 en '76, Ian Curtis van Joy Division liet Unknown Pleasures los in 1979.

Eind vorige week was het alweer dertig jaar geleden dat T'Hooft overleed. Maar dat hij net als Curtis vandaag springlevend is, hoeft geen verbazing te wekken. In een tijd waarin de levenverwachting voor adolescenten een heel eind voorbij de dertig ligt, kan men er niet genoeg van krijgen. In zwarte inkt gedoopte troost doet het altijd goed als clichés over een gebrek aan oriëntatiepunten vroeg of laat werkelijkheid worden - de dodelijke mix van teenage angst en zwarte romantiek is volstrekt hedendaags. De soundtrack hoeft dus niet te veranderen, ook al rammelt die. Om kort te gaan: T'Hooft "wou het helemaal zeggen" (Herman Gorter), maar ook hij kon het niet - en dat blijkt zijn lezers eigenlijk niet veel te kunnen schelen: dan maar krakkemikkig. Of antiek. T'Hooft nam zijn toevlucht tot de stervende taal van de archaïsmen. Ruïneus het leven, ruïneus de namen - ziek zelfs en betekenisloos, behalve eentje: "Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen / Die nooit voorbij zouden gaan, / waarvan sommige al vergeten zijn / Terwijl wij andere beramen. / Dat alles binnen de taal / Keelklank, eeuwenoude kwaal: / Slechts één naam legt iets bloot / De eeuwenoude roepnaam Dood." ('Namen'). Met hoofdletter. Het Griekse besef van tragiek wordt ingeruild - als het er ooit al was - voor een onbestemd en consumptief pessimisme, een luiheid van de ziel en de verlokking van de zelfdestructie. De puber in persoon schreef een oeuvre van grafschriften.

De lepel die men in het Letterenhuis bewaart, is helemaal wat hij moet zijn: een icoon voor een dichter-drugsgebruiker. Na zijn vroege zelfmoord blijft T'Hoofts fascinatie voor de scheikundige geestesverruiming dé reden voor zijn aanhoudende succes. De oorsprong van die verslaving is bizar. Hoewel: in de dagen dat Kuifje met alle zonden der wereld beladen wordt, kijkt men niet meer op als ook 's dichters verslaving op een avontuur van onze stripheld terug wordt gevoerd. De blauwe lotus was, volgens een artikel van T'Hooft in Restant, de eerste impuls om te gaan gebruiken, ook al was de jongen amper tien: "De blauwe lotus, waarin Kuifje (...) met gesloten ogen aan een opiumpijp ligt te lurken, heeft veel tot de verwoesting van mijn jeugd bijgedragen." De mengeling van zelfmedelijden en een onwezenlijke ironie (Kuifje die naar de verwoesting van de jeugd leidt! Een nieuwe sit-in dringt zich op) bereikt een hoogtepunt in Heer van de poorten, een verhalenbundel uit 1978, met zijn beschrijving van een mislukte zelfmoordpoging. Na een nauwkeurige beschrijving van de voorbereidingen (injectiespuit, Gilette) vertelt hij over de enscenering van zijn dood (hij kiest zijn "mooiste geborduurde hemd" uit en schminkt zich voor "één van onze travestiete grapjes"). Het wel zeer relativerend commentaar dat daarop volgt, doet bijna een soort van maturiteit vermoeden, ware het niet dat de mislukte poging niet de laatste zou zijn: "Ik nam het scheermesje op, het glom zo volmaakt in altijd datzelfde grijze namiddaglicht, snikte kort maar heftig over mijn verloren leven". En hij begon zichzelf te snijden. De tragedie wordt er niet minder om. Over zelfmoordpogingen mogen alleen de daders schamper doen. Zou T'Hooft bij een verder leven uitgegroeid zijn tot een volwaardig dichter? De vraag valt gelukkig niet te beantwoorden.

En toch. Toch is het niet genoeg om de gebrekkige verzen weg te wuiven als een fait divers in onze literaire geschiedenis. Niet alleen blijven te veel jonge mensen T'Hooft lezen, ze lezen hem ook graag en gretig. Ook ondergetekende heeft dat met veel enthousiasme gedaan. Het herlezen van de poëzie, vijftien jaar later, valt tegen, dat klopt. In die mate zelfs dat men zich niet meer kan voorstellen dat het ooit richting of troost heeft verschaft (wat toch net iets anders ligt bij de platen van Joy Division). Maar dat doet niets af aan de leeservaring van toen. De gedichten waren zonder meer nuttig, zoals regressie altijd nuttig is zolang ze maar stopt als het niet echt meer nodig is: voelt u zich niet goed, drink een glas, kijk videoclips, speel techno, of lees over junkieverdriet. Vandaag moet het mogelijk zijn om twee dingen tegelijk te denken: dat de poëzie van T'Hooft niet veel voorstelt in het licht van andere, veel straffere dichters én dat zijn gedichten belangrijk zijn. Wellicht zijn ze dat alleen maar voor een doelgroep, en neemt dat belang af naarmate de lezer ouder wordt, maar ze geven richting, moreel comfort en doekjes voor het bloeden voor adolescenten die daar nood aan hebben. Misschien is het zelfs net de pathos die bij overmatige consumptie naar een waarheid over de zwarte romantiek leidt: dat ook dat verhaal eindig is, dat men op zoek moet naar een nieuw, nog niet voorverpakt wereldbeeld.

In het gedicht 'Vrienden' schrijft T'Hooft: "Tussen hun stamelen sta ik stil / Geschouderde man in een kamer / Rechthoekig, wezen in wording." Er is waarlijk geen reden te bedenken om die wording lam te leggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234