Woensdag 26/01/2022

Leeg als een huis dat nog geen nieuwe huurder gevonden heeft

'Atget, le pionnier', een tentoonstelling en een boek

Echt beroemd is Eugène Atget (1857-1927) nooit geworden, maar wie zijn werk heeft gezien, laat het niet meer los. De allereerste moderne fotograaf uit de geschiedenis inspireerde Man Ray en zijn surrealisten, fotografen als Evans of Friedlander en de essayisten Susan Sontag en Walter Benjamin. Het beste van vadertje Atget werd in een boek en een tentoonstelling samengebracht.

Lang geleden was het een courante opdracht in onze schoolagenda: prentjes zoeken bij de lessen geschiedenis of aardrijkskunde. Tijdschriften werden dan aan flarden geknipt om de slag bij Waterloo en het Haspengouwse landschap aanschouwelijk voor te stellen; een enkeling schafte zich de uitsluitend voor dit doel vervaardigde prenten aan die in winkels voor tekengerief en kantoorbenodigdheden werden verkocht - de 'Amfibieën' en het 'Tijdperk der Steden' gecondenseerd op één groot, kleurig vel. De 'beeldekens' werden met grote druppels lijm in onze schriften geplakt, want we konden er heel wat van leren. Kijken, bijvoorbeeld.

Waarom bedenk ik dat er eigenlijk geen beter materiaal voorhanden is om naar het stedelijke landschap leren te kijken dan de foto's die Eugène Atget rond de eeuwwisseling in Parijs maakte? Zijn beste werk werd er vandaag in het Hôtel de Sully samengebracht, maar voor wie niet naar de Franse hoofdstad kan reizen, is er een al even fraai vormgegeven boek. We wandelen met grote ogen door de tentoonstelling en over de bladzijden, tussen stralende foto's door. Ze hebben filosofen aan het schrijven gezet, brachten avant-gardes in beweging en inspireren de grootste fotografen. Deze 'beeldekens' laten ons de stad zien zoals ze is: de straten achter en onder de voorbijgangers, de auto's en de bloembakken. Er komt haast geen mens in beeld, alleen onverdunde stedelijkheid. Atgets opnamen zijn ongelooflijk leeg. "Leeg de Porte d'Arceuil aan de wallen, leeg de staatsietrappen, leeg de binnenplaatsen, leeg de caféterrassen, leeg zoals het hoort de Place du Tertre. Ze zijn niet verlaten maar missen stemming. De stad op deze foto's is ontruimd als een woning die nog geen nieuwe huurder gevonden heeft." In één passage heeft Walter Benjamin, denker en stadsmens par excellence, de essentie van dit raadselachtige oeuvre gevat.

Als fotograaf was Atget een buitenbeentje: hij heeft nooit geëxposeerd, en het bordje op de deur van zijn studio beloofde hooguit 'Documents pour artistes' - illustraties en studiemateriaal als achtergrond voor schilderijen. Hij noemde zichzelf 'conférencier' of 'auteur-éditeur' - was het uit bescheidenheid, wegens fiscale redenen of omdat hij nu eenmaal een ouwe knorrige socialist was die god noch gebod erkende en naar de artistieke nieuwlichters van zijn tijd gluurde alsof ze van een andere planeet kwamen? Na een jeugd van twaalf stielen en minstens evenveel ongelukken belandde Atget als derderangsacteur bij een reizend gezelschap waar hij, geheel volgens het boekje, stormachtig verliefd werd op de vrouw van zijn leven die (ook al volgens het boekje) Valentine Compagnon heette. Daarna ging hij schilderen, maar dat werd een maat voor niets. Vanaf 1888 wijdde hij zich aan de fotografie; de zware camera met het statief en de glasplaten die hij tot in de jaren twintig in de metro achter zich aan sleepte, oogde op den duur als een artefact uit de vroege bronstijd.

Met een grenzeloze grondigheid bracht Atget de stad in beeld. Hij las geschiedenisboeken en consulteerde oude plannen, ordende negatieven en afdrukken volgens arrondissement en 'quartier', zorgde voor bijschriften en data. Aan klanten of opdrachtgevers had de man geen gebrek. Hij leverde afbeeldingen van stillevens en landschappen aan schilders als Vlaminck, Utrillo en Dunoyer de Ségonzac. Museumconservatoren en bibliothecarissen bestelden fotoseries van het stilaan verdwijnende Parijs, dat door de boulevards van baron Haussmann aan flarden werd gereten. Vandaag vinden we schitterende ensembles in de Bibliothèque nationale, het Musée Carnavalet of het Londense Victoria & Albertmuseum. Zijn ene reeks had al meer succes dan de andere. De straatventers en de bedelaars deden het goed, terwijl de reportage over de bordelen een werk in opdracht was. Atget heeft dus niet de hele tijd lege straten en verlaten pleinen in het ochtendlicht gefotografeerd: als er mensen moesten in beeld komen, dan kwámen er mensen in beeld. Per afdruk kreeg de fotograaf soms wel 3 francs - hij kon er goed van leven. Het romaneske beeld van de schooier die zijn meesterwerken voor een appel en een ei moest verkopen, klopt niet.

Het zijn de Parijse surrealisten en hun 'chef de file' Man Ray (net als Giorgio de Chirico een buurman in de rue Campagne-Première) die de fotograaf als een bloedbroeder hebben ingehaald. Ze staarden gefascineerd naar de banale details die hij in beeld bracht: winkeltjes waar niemand naar omkeek, boomwortels, korsetten en etalagepoppen, de schim van een ober die niet lang genoeg bleef stilstaan in de deuropening van zijn café. Waren deze foto's geen perfecte 'readymades'? In 1926 vroeg Ray de toestemming om enkele afdrukken te publiceren in La Révolution Surréaliste. De oude baas vond het een knettergek idee om een foto van voorbijgangers die naar een zonsverduistering staan te turen op het omslag van een kunsttijdschrift te plaatsen, maar liet begaan. Zijn antwoord maakte geschiedenis: "Ne mentionnez pas mon nom. Ce sont de simples documents que je fais." In hetzelfde jaar stierf Valentine. Haar geliefde kwam het nooit te boven. Op 4 augustus 1927 verscheen hij nog een keer op de overloop van het flatgebouw, slingerde de buren een theatraal 'Je me meurs' toe en stortte in. De fotografe Berenice Abbott, die Rays assistente was en ook Atget kende, kocht de platen die nog niet in een of andere collectie waren beland en verscheepte ze naar New York, waar ze later in het Museum of Modern Art terechtkwamen. De kunstenaar en zijn werk konden rustig mythische proporties beginnen aannemen.

De expositie en het boek werden gestructureerd volgens het principe van de nevenschikking. Atgets opnamen 'rijmen' met werk van fotografen die door hem werden beïnvloed. De registrerende, frontale blik van Walker Evans, steegjes die er ook bij Bill Brandt gaan uitzien als plaatsen van de misdaad, mensentypes van August Sander... ze verwijzen allemaal naar het werk van de Douannier Rousseau van de fotografie. Atgets documentaire aanpak van de eerste jaren levert fraaie contrasten op. Schaduwen lopen in de weg, bomen en lantaarnpalen die onbehouwen in het midden van zijn foto's staan, willen nog geen kunst zijn; bij Alfred Renger-Patzsch verschuift de lantaarn naar de rand van de foto, een artistieke toekomst tegemoet. Terwijl de late Atget perfect kadreert en zijn beelden voorzichtig met lijn, tijd en verhaal laat spelen, herneemt Lee Friedlander de klinische registratie als een esthetische keuze in het kwadraat: kijk, ik wéét dat ik geen kunst maak maar ik doe het toch, nèh.

Atget heeft nooit geweten dat hij Atget was. Vandaag ervaren we hoe goed hij dat wel heeft gedaan.

Tot 17 september in het Hôtel de Sully, rue Saint-Antoine 62, Parijs (tel. 00.33.1.42.74.47.75; metrostation Bastille of Saint-Paul). Open elke dag behalve maandag, van 10 tot 18.30 uur. De toegangsprijs bedraagt 25 Franse frank (zo'n 150 frank). Het gelijknamige boek, een uitgave van Les Editions Marval, telt 208 pagina's en kost 390 Franse frank (2.400 frank).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234