Dinsdag 22/10/2019

Voetbal

Leandro Trossard (24), aanvoerder van Racing Genk: ‘Je hoort van alles over het klimaat, maar zelf kunnen we daar toch niets aan veranderen. Het zijn nutteloze zorgen’

Als Racing Genk straks kampioen speelt, zal het dat in grote mate te danken hebben aan zijn 24-jarige aanvoerder, voor wie een afscheid langs de grote poort wenkt. Leandro Trossard groeide op tussen Italianen, Turken en Marokkanen op de Limburgse pleintjes, werd volwassen door het vaderschap, en is nu klaar voor een stap hogerop. ‘Op mijn achtste stond ik naast mijn opa in de tribune bij Genk en dacht ik: ‘Ooit wil ik op dat veld staan.’’

Vorig seizoen was je de man van de play-offs, dit jaar kwam je moeilijker op gang.

“Toen had ik na vier speeldagen ook nog maar één goal, hoor. Pas in de laatste zes wedstrijden ben ik goed onder stoom gekomen. De situatie was wel anders: we konden vrank en vrij spelen, niemand hield rekening met ons. Nu móéten we punten pakken.”

Je scoorde je eerste van de play-offs in de gewonnen match tegen Club Brugge. Vooraf was gezegd: ‘Wie wint is niet langer titelkandidaat, maar titelfavoriet.’

(lachje) Het is te vroeg voor zulke uitspraken. Maar als we al onze matchen zo aanpakken, wordt het moeilijk om ons nog bij te benen. We hebben laten zien dat we al een heel seizoen terecht op die eerste plaats staan.

Je maakte vorig jaar vijf doelpunten in de play-offs. Velen zouden die prestatie verzilverd hebben met een lucratieve transfer.

“Tja, en nu wil jij weten waarom ik dat niet deed? Omdat ik nog een jaar bij Genk wilde blijven en – daar moet ik niet flauw over doen – een verbeterd contract kreeg.

“Ik heb vorig jaar veel last gehad van blessures, pas in de play-offs ben ik beginnen te spelen. Ik schoot meteen als een speer uit de startblokken, maar ik wilde me eerst nog eens een héél jaar op hoog niveau aan het Genkse publiek tonen. Dat is gelukt.”

Had je vorig seizoen nog op een selectie voor het WK in Rusland gehoopt?

“Nee! Je kunt niet uit het niets naar een WK, hoe goed je play-offs ook zijn. Deze bondscoach houdt vast aan zijn vaste kern en ik was er nog nooit bij geweest. Trouwens, mijn status blijft nu nog altijd onzeker, ondanks mijn twee recente selecties.”

Moet je naar het buitenland om je kansen op het EK 2020 gaaf te houden?

“Om basisspeler te zijn, of zelfs maar een vaste stek in de selectie te kunnen claimen, denk ik dat ik die stap inderdaad moet zetten. De handelingssnelheid bij de Rode Duivels ligt hoger dan die bij Genk, in een betere competitie krijg je zulke dingen sneller onder de knie.

“Waartoe iemand als Eden Hazard in staat is, wist ik al van op tv. Maar ook verdedigers als Vertonghen en Kompany zijn absolute wereldtop: wat die allemaal kunnen met de bal! Het is een genot om met hen in je rug te kunnen spelen.”

Na dit seizoen ben je weg, hè?

“Normaal wel, dat heb ik ook nooit onder stoelen of banken gestoken. Het enige wat me misschien nog kan tegenhouden is die titel, omdat we dan rechtstreeks geplaatst zijn voor de Champions League. Die afweging zal ik moeten maken, maar de beslissing hangt ook af van welke clubs zich voor mij melden. Hier zit ik op vijf minuten van thuis en ben ik dicht bij mijn familie.

“Ik voel me wel klaar voor die stap, in tegenstelling tot vroeger. (denkt na) Ik ga niet beweren dat ik het hier ondertussen allemaal gezien heb: daarvoor ontbreekt die titel nog. Maar, hoe moet ik het zeggen, ik heb wel een beetje het gevoel dat ik satisfied ben.”

Wat is het grote verschil tussen het huidige Genk en dat van vóór de komst van Philippe Clement?

“Aan kwaliteit was er nooit een gebrek, maar pas onder Clement is de spelersgroep aan elkaar beginnen te klitten. Dat was lang geleden. Wie ergens mee zit, kan ook altijd bij hem terecht. Hij praat veel en houdt rekening met iedereen, ook met de spelers die niet spelen. Dat zorgt voor rust: met een eerlijke uitleg kun je het makkelijker plaatsen als je in de tribune of op de bank terechtkomt.”

Wat is belangrijker: je palmares of je bankrekening?

“Het palmares komt op één, maar daar is automatisch geld aan gekoppeld – daar moet ik niet flauw over doen. Ik kom niets te kort bij Genk, en een titel zou het helemaal afmaken. Voor Pozuelo was dat anders: hij wordt 28 en had niet dezelfde band met Genk die ik als jongen van de streek wel heb. Ik zou het niet over mijn hart gekregen hebben, denk ik. Ik kan hem begrijpen, maar het was een ongelukkig moment, zeker als aanvoerder.”

Door zijn vertrek draag jij nu de aanvoerdersband. Verandert dat iets?

“Ik ben trots op de weg die ik heb afgelegd. Van Genkenaar en supporter naar aanvoerder van zo’n fantastisch team, ik ben daar niet ongevoelig voor.”

Wat was je grote doorbraakmoment?

“De komst van Albert Stuivenberg (de Nederlandse coach volgde in december 2017 de ontslagen Peter Maes op, red.). Onder Maes speelde ik maar af en toe. Stuivenberg liet me elke week spelen, ook als het eens wat minder ging. Zo kon ik groeien.”

Nooit gedacht: ‘Ik moet hier weg’?

“Ja, toen Maes er nog was. Als Stuivenberg toen niet was gekomen, speelde ik nu niet meer bij Genk. Nu, mijn eerste doorbraak beleefde ik als huurling bij OHL, onder de vleugels van Emilio Ferrera. Bij Clement herken ik dezelfde wil om altijd mooi voetbal te brengen. Ik vermoed dat ze allebei beïnvloed zijn door hun samenwerking met Michel Preud’homme.”

Je bent een laatbloeier, je was al 15 toen je bij Genk terechtkwam.

“Tja, hoe gaat dat? Ik had nooit eerder een aanbieding van een grote club gehad. Ik heb mijn carrière met kleine stapjes uitgebouwd: via Lanklaar, Neeroeteren, Patro Maasmechelen en Bocholt. Bij die laatste club kende ik twee superseizoenen als spits, met telkens 45 goals. Toen meldde Genk zich.

“Ik ben geboren in december en hoorde altijd bij de kleinste kinderen van de klas. Dan moet je goed nadenken over wat de beste stappen zijn voor je ontwikkeling.”

Je bent 1,72 meter groot. Nooit gevreesd dat je gestalte een rem op je carrière kon zijn?

(blaast) Ach, nee. Natuurlijk is me vaak gezegd dat ik sterker moest worden, maar daar heb ik me nooit iets van aangetrokken: ik stond mijn mannetje en heb er nooit complexen aan overgehouden. Het is wat het is: Moeder Natuur heeft me gemaakt zoals ik ben. Ik was een van de kleinsten, maar ook de snelste: dat compenseert. (glimlacht)

Werd je weleens geplaagd?

“Vroeger wel, maar dat gaat bij mij het ene oor in en het andere weer uit. Ik sta stevig in mijn schoenen, precies omdat ik het altijd nodig heb gehad. Toen ik op straat voetbalde, jenden mijn vrienden me: ‘Hé, kleine!’ Nu gebeurt dat niet meer, tegenwoordig proberen tegenstanders me vooral te intimideren door hard in duel te gaan. Ze doen maar. Ik reageer niet, want dat is net wat ze willen.”

Genk was je vijfde club al: niet weinig voor een 15-jarige.

“Maar ik klom wel telkens een trapje hoger. Het kenmerkt mijn carrière: mijn eerste vier seizoenen bij Genk ben ik uitgeleend aan Lommel, Westerlo en Oud-Heverlee Leuven.

“Ik debuteerde op 17-jarige leeftijd in het eerste elftal, maar in het halfjaar erna haalde ik zelfs de bank niet meer. Ik paste niet in de plannen, en heb toen zelf aangegeven dat ik uitgeleend wilde worden.”

Lommel en Westerlo speelden in de tweede klasse, met OHL degradeerde je. Vond je die clubs niet te min?

“Absoluut niet. Het maakte me niet uit waar ik speelde, als ik het ongelijk van de mensen van Genk maar kon bewijzen. Ik was overtuigd van mijn kwaliteiten en heb nooit gevreesd dat die clubs mijn eindstation zouden worden.

“Ik heb me ook nooit gespiegeld aan spelers die op jonge leeftijd naar het buitenland trokken. Velen van hen kwamen achteraf nooit meer boven water. Er is weleens sprake geweest van het buitenland, maar ik heb het nooit als een ernstige optie beschouwd: ik heb mijn familie nodig.”

Voor veel jonge talenten kan het niet snel genoeg gaan.

“Niet voor mij, net als mijn ouders ben ik erg nuchter. Mijn vader was mijn jeugdtrainer bij Lanklaar, waar ik pas op 7-jarige leeftijd ben begonnen. Zelf wilde ik wel vroeger, maar mijn vader hield het tegen: volgens hem kon ik er niet zo veel leren als op straat, waar ik als kleine jongen hele dagen liep te sjotten met kameraden die drie à vier jaar ouder waren. Ik kreeg schoppen dat het een lieve lust was, maar dat heeft me gehard.

“In de wijk waar we woonden, was het multiculturaliteit troef. Turken, Italianen, Marokkanen. De Belgen waren er in de minderheid, van al mijn vrienden is er misschien één een echte Belg.”

Je ziet er zelf wat Italiaans uit.

(lacht) Dat heb ik al vaker gehoord. Maar ik heb geen zuiders bloed door mijn aderen stromen. Mijn ouders vonden Leandro gewoon een mooie naam.

“Ik heb me altijd als een vis in het water gevoeld tussen al die nationaliteiten. Mijn vrienden van toen zijn dat nog altijd. Ze zijn trots op wat ik als een van hen bereikt heb. Elke thuiswedstrijd zitten ze in het stadion – voor die abonnementen zorg ik. Het is een heuse belevenis voor hen om mij te komen aanmoedigen. Als ze nog eens bij mij thuis over de vloer komen, kunnen ze soms nog niet geloven dat ik waarmaak waar wij ooit allemaal van gedroomd hebben. Dan durft het ook nog weleens tot me door te dringen wat voor een ongelooflijk parcours ik al heb afgelegd.”

Heb je altijd gevoetbald met de verbetenheid van iemand die het wilde maken?

“Goh, een van mijn beste kameraden speelde bij de jeugd van Genk. Daar was ik gezond jaloers op. Ik mocht weleens mee naar testdagen, maar het bleef een verre droom. Tot mijn 17de heb ik vooral van het spelletje genoten. En eigenlijk doe ik dat nog altijd: als ik een voetbalveld op stap, wil ik me amuseren.”

Door zo vaak van club te veranderen, lijk je toch bewust aan een carrière te hebben gebouwd.

“Vanaf mijn achtste had ik een abonnement bij Genk. Gekregen van mijn opa, die al zijn hele leven gaat kijken. Dan stond ik met hem in de tribune en dacht ik: ‘Ooit wil ik op dat veld staan.’ Mijn opa betekent veel voor mij, hij zit echt in mijn hart. Hij bracht me naar de training als mijn ouders niet konden en is er altijd voor ons geweest. Mijn papa was mijn eerste jeugdtrainer, maar met mijn opa heb ik jarenlang in de tuin geoefend om tweevoetig te worden. Hij komt nog altijd naar al mijn wedstrijden kijken, maar nu met een abonnement dat ík hém heb gegeven.”

Had je een idool?

“Nee, er hingen ook geen posters in mijn kamer. Tegenwoordig kijk ik soms naar een wedstrijd op tv, maar tot dat ene jaar bij Leuven heb ik zelden naar voetbal gekeken. Champions League? Interesseerde mij niet. Ik ging liever zélf voetballen. Zelfs als ik bij vrienden op een barbecue was waar voor een of andere finale een groot scherm stond opgesteld, had ik meer zin om zelf wat te sjotten.”

Je bent vaak verhuisd in je jeugd.

“Ik heb op vier plekken gewoond. Het langst in Lanklaar, tot mijn ouders iets groters wilden omdat ze een vogelkwekerij wilden opstarten. Dat heeft niet lang geduurd, na een jaar zijn we naar Neeroeteren verhuisd. Omdat mijn klein zusje en ik onze vrienden misten, zijn we weer dichter in de buurt komen wonen, in Maasmechelen.

“We waren een normaal gezin, mama en papa werkten in de fabriek. Het was elke maand de eindjes aan elkaar knopen om rond te komen, maar veel last heb ik daar niet van ondervonden: meer dan een paar sportschoenen en kleren om te ravotten had ik niet nodig. En er was altijd iemand thuis: als mijn mama ’s nachts werkte, was mijn papa er, en omgekeerd.”

Heb je een mooie jeugd gehad?

“Toch wel. Ik was geen jongen die alleen thuis kon zitten. Ik was altijd buiten aan het spelen met vrienden. Mijn zusje nam het me weleens kwalijk dat ik niet met haar wilde spelen. Maar al die poppen, dat was niet aan mij besteed. (lacht) We zijn lang kat en hond geweest.”

Het leger had je wel iets gezegd, las ik.

“Ja, het leek me ideaal voor iemand die zo sportief is als ik. Politieman was ook iets voor mij geweest. Ik was geen goede student, en aan de band staan in een fabriek zou ik nooit gekund hebben. Ik prijs me gelukkig dat ik voetballer ben kunnen worden.”

Ben je streng opgevoed?

“Helemaal niet, ik heb een vrije opvoeding genoten. Ik ben een gevoelspersoon en hecht veel belang aan familie, dat heb ik van mijn mama.”

Heb je ook geen opvliegend kantje?

“Dat valt goed mee. Pas als iets me echt niet zint, durf ik weleens uit te vliegen. Dat heb ik van mijn papa.”

Stijn Vreven rakelde onlangs een anekdote op, over hoe hij je als trainer van Lommel bij zich riep en meedeelde dat hij je niet langer als spits maar op de flank zou gebruiken. ‘Leandro werd steeds roder en roder van woede.’

“Dat is overdreven.”

‘Ik weet niet of de scharnieren van de deuren er ondertussen weer inhangen,’ voegde hij eraan toe.

(lacht) Zo’n vaart is het echt niet gelopen! Ik was het niet met hem eens, maar ik ben niet tegen hem uitgevlogen. Trouwens, de eerstvolgende wedstrijd maakte ik twee fantastische goals. Ik was meteen helemaal mee met zijn verhaal. (lacht) Ik zou mezelf niet opvliegend noemen, ik kom gewoon op voor mezelf. Als kind was ik niet zo. Maar hoe langer je in het voetbal meedraait, hoe meer je gaat beseffen dat je je moet laten gelden. Anders lopen ze over je heen.”

Volgens Sam Vanaken, die samen met zijn broer Hans je ploegmaat was bij Lommel, had je een ‘schijt-aan-allesmentaliteit’.

(lacht) Dat heb ik altijd een beetje gehad. Ik laat me niet gauw opjagen. Daardoor botst het weleens, zoals die keer met Vreven. Iemand die tegen mij schreeuwt, krijgt niets van mij gedaan. Dan blokkeer ik en doe ik alsof het mij niet interesseert.

“Volgens mij dank ik die mentaliteit aan de omgeving waarin ik ben opgegroeid. Een doorsnee Belgisch kind gaat naar school, komt thuis bij mama en papa, en volgt – ik zeg maar wat – pianoles. Maar in onze wijk leefden we op straat. Wij bleven niet binnen, nooit. Ons leven speelde zich buiten af, waar we met een bal naar het veldje trokken of spelletjes verzonnen. De straat heeft me gevormd tot wie ik ben.”

Volgens Sam Vanaken was je ook ‘een beetje lui’ op training.

“Dat komt omdat ik gevormd ben bij kleine ploegjes. Daar ging het zo makkelijk dat ik niet eens voluit hoefde te gaan. Tijdens wedstrijden deed ik dat wel, maar op training sloeg ik weleens een sprintje over. Pas bij Genk ging ik beseffen dat ze ook op training volledige inzet van mij vroegen.”

Was je zo’n eigenwijs kereltje dat verduiveld goed wist hoe goed hij wel was?

(lacht) Bwa, niet echt. Tijdens de wedstrijden schuwde ik het zware werk niet, hoor. Dan deed ik mijn stinkende best voor de ploeg. Trouwens, ik snoerde mijn criticasters vaak de mond met mijn doelpunten.”

Ooit samen bij Lommel, en nu strijdend om de titel: wat jij bent voor Genk, is Hans Vanaken voor Club Brugge.

“We hebben een halfjaar samengespeeld bij Lommel. Ik stond in de spits, hij achter mij op de nummer 10. Dat liep heel goed, wij waren een koningskoppel.”

Je zoontje Thiago is 2 geworden deze maand. Heeft het vaderschap je veranderd?

“Natuurlijk. Als voetballer heb ik altijd het publiek willen vermaken. Maar als ik thuiskwam, moest ik op zoek naar iets anders om vreugde uit te halen. Dat is er nu: ik zie mijn zoontje, speel wat met hem en ben een ander mens. Het is moeilijk uit te leggen, maar ik voel me volwassener nu ik verantwoordelijkheid voor hem draag. Het bezorgt me nu ook een warmer gevoel wanneer jonge supportertjes naar me toe komen voor een handtekening.”

Gek toch: voor het buitenland voelde je je niet klaar, maar voor het vaderschap wel.

“Ik heb altijd een jonge vader willen zijn, omdat ik zelf jonge ouders heb, ze waren prille twintigers toen ze mij kregen. Door het relatief kleine leeftijdsverschil begrepen we elkaar beter, ik heb dat altijd fijn gevonden.

“Als voetballer leid ik ook niet hetzelfde vrije leven als andere jonge gasten van 24. Ik heb mijn dagelijkse routine en kan niet zomaar uitgaan. Dan geeft een kind je daar wel iets voor terug, ik put kracht uit het vaderschap.”

Kan het ook een belasting zijn voor je carrière?

“Daar heb ik nooit over nagedacht. Het was niet altijd gemakkelijk, maar ik heb een vriendin die veel op zich neemt. Ze werkt niet en is altijd bij de kleine.”

De traditionele rolverdeling.

“Ze werkte tijdens de zwangerschap, en nog een tijdje erna. Tot ik de beslissing heb genomen dat ze dat niet meer hoefde te doen. Het maakt het leven voor ons allebei een pak aangenamer.”

Hoe heb je haar leren kennen?

“Via Instagram. Ze reageerde op een foto en we raakten aan de praat. Een paar afspraakjes later waren we een koppel. In juni trouwen we. Voor mij hoefde het niet, maar Laura verlangde wel naar die romantiek. Dat gun ik haar, maar aan mijn liefde voor haar verandert het niets.”

Waar verwijzen de tatoeages op je armen naar?

“Ik heb een klok met de datum en het uur van Thiago’s geboorte, ernaast staat een afdruk van zijn voetje. Ik heb ook een Superman-teken en een kroontje. Die tatoeage heb ik samen met een paar vrienden laten zetten tijdens onze jaarlijkse vakantie. De Engelse tekst is een verwijzing naar hoe ik eerder een speelvogel ben dan een vechter, maar dat ik, als ik ergens in geloof, er voor de volle 100 procent voor ga. Ik was 17 toen ik ze liet zetten.”

Hoe zorgeloos sta je in het leven?

(lachje) Wie een kindje heeft, staat niet meer zorgeloos in het leven. Financieel hadden we het niet breed in mijn jeugd. Ik zou willen dat Thiago het makkelijker heeft. Ik zal blij zijn als ik met het voetbal een zakcentje kan sparen om hem een duwtje in de rug te geven.”

Maak je je zorgen over de wereld waarin hij moet opgroeien?

“Misschien dat het voor hem nog zal meevallen, maar mochten er kleinkinderen komen… Soit, dan zijn we weer vele jaren verder. Je hoort van alles over het klimaat, maar zelf kunnen we daar toch niets aan veranderen. Het zijn nutteloze zorgen.”

Wat is het ergste dat je al hebt meegemaakt?

(denkt na) Er zijn wel wat dingen waar ik het in mijn jeugd niet makkelijk mee heb gehad. Maar daar praat ik niet graag over. Emotionele onderwerpen ga ik uit de weg. Ik vraag een wildvreemde toch ook niet naar zijn thuissituatie? Ik ben gesteld op mijn privacy.”

Jij bent altijd gespaard gebleven van kritiek, iedereen ziet je graag.

(lacht) Ja? Ik hoop het in ieder geval. Kritiek is nooit fijn, maar je kunt ook nooit goed doen voor iedereen.”

Zelfs toen je de Genkse vlag op de middenstip van STVV plantte, nadat jullie de Limburgse derby hadden gewonnen, kwam je daarmee weg.

(lacht) Het zal raar klinken, maar het was niet mijn bedoeling om te provoceren. Het was ruim na het laatste fluitsignaal, de tribunes waren zo goed als leeggelopen. Alleen de Genkse fans zaten nog in hun vak. Ik heb het voor hen gedaan.”

Een aantal bussen met Genk-supporters is achteraf wel bekogeld door boze STVV-fans.

(grijnst) Dat kwam niet door die vlag, hè. Het zijn sowieso geen verstandige mensen die met stenen naar bussen gooien waarin ook kinderen zitten.”

Schrik je soms van de agressie in onze stadions?

“Geweld hoort niet thuis in een stadion, voetbal is tenslotte maar een spelletje. Concurrentie moet er zijn, gezangen ook, zolang het op een respectvolle manier gebeurt. Als ik zie hoe het er in andere competities veel gemoedelijker aan toe gaat, denk ik: dat zou hier ook moeten kunnen.”

Het eerste wat Kevin De Bruyne opviel in de Bundesliga – hij speelde toen voor Werder Bremen – was de positieve sfeer in de stadions: ‘Je wordt niet uitgefloten door de supporters van de tegenpartij. Ik heb er geen vijandige sfeer gezien zoals tussen Anderlecht en Standard.’

“Dat is precies wat ik bedoel.”

Je zal ervoor naar het buitenland moeten.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234