Maandag 17/05/2021

zomerverhaal

Laten we zwemmen

null Beeld Levi Jacobs
Beeld Levi Jacobs

Vijf zomerse woensdagen lang pennen vijf Vlaamse schrijvers hun zwoelste zomerse verhaallijnen voor u neer. Vandaag: Paul Baeten Gronda.

We waren van ver gekomen. We kenden de lucht niet, we kenden geen straten. We kenden niets en het was warm. Ze liet het raam omlaag en keek naar buiten. Er stond zweet op haar voorhoofd en ik voelde dat er ook zweet op mijn voorhoofd stond. Hier waren we terechtgekomen. Dit was het land, dit was het nieuwe land.

De man zei dat het gebruik van het zwembad in de prijs begrepen was en dat we daar dankbaar voor mochten zijn. De kamer links was afgekleefd met politielint en die langs rechts was bewoond door een jongen die heel de dag met een bromfiets in de weer was. "Zijn we gelukkig?" vroeg ze toen ik de wagen in de enige schaduw voor de langwerpige laagbouw parkeerde, en ik zei: ja, natuurlijk, en toen gingen we te voet naar de winkel om drank. Ze zei: ik heb altijd maar dorst, en ik knikte. Dit was ons nieuwe land en we moesten wennen. Maar ooit zouden we dit normaal vinden. Al dit zou normaal worden. "Hoezo, warm?" zouden we dan zeggen tegen bezoekers. "Hoezo, dorst?" En we zouden rond ons heen kijken en weten dat we thuis waren. Ze kneep haar ogen tot spleetjes om tegen de zon in te kunnen stappen. Ik keek naar haar en toen ze me zag, vroeg ze "Wat dan?" en toen lachte ze. "Wat dan?"

We dronken in bed en keken tv. "Fidel Castro", zei ze. "Fidel Castro", zei de kandidaat en hij kreeg de punten van de quizmaster. Ze zuchtte. Het was nu een maand geleden dat we op de vloer van een badkamer ver weg van hier lagen en wisten dat het niet meer verder kon, niet zo, niet zoals het was. We staken toen alle flessen in zakken en maakten plannen en stapten in de auto en nu waren we hier en we waren blij. Ik denk dat we blij waren. Ik denk echt dat we blij waren.

Paul Baeten Gronda. Beeld Diego Franssens
Paul Baeten Gronda.Beeld Diego Franssens

Het was te warm in de kamer, maar niet zoveel te warm als het buiten te warm was. Het licht viel door dikke gordijnen en kleurde zo de kamer helemaal rood en het zichtbare stof in de kamer werd meegesleurd in de luchtstroom van een trage ventilator aan het plafond. Die maakte het geluid van een dik insect en soms, als de buurjongen met de bromfiets ver genoeg wegreed of even stopte om te roken, hoorde je het geklots van het water in het zwembad. Het was warm en stil in de kamer en alles stond er naast of tegen elkaar. Het bed, een tafel met twee stoelen en een kast en nog een tafel om de koffer op te leggen en een klein fornuis en een smalle deur naar een smalle badkamer. Maar alles zou veranderen en alles zou goed zijn. "Little Boy", zei ze terwijl ze haar schoenen uittrapte. De kandidaat schudde zijn hoofd en zweeg terwijl de quizmaster aftelde. Ze stond op en zette de tv uit.

We liepen rond in ondergoed en op blote voeten en dan stond ze plots op mijn voeten en voor ze haar benen om me heen sloot zag ik de druppels rond haar mond parelen en hoorde ik de jongen op de bromfiets voorbij razen en dan enkel de ventilator en dan niets meer.

De derde week vond zij werk en ik een week later. We hadden oude mensen en die hielpen we door de dag heen. Mensen zonder familie in de buurt, net zoals wij, maar dan oud. Mensen die dezelfde vragen hadden over hun verleden als wij over onze toekomst. Het was niet wat we wilden maar het was voorlopig en daarom was het goed. De hare heette Clarice en de mijne Janet. 's Avonds waren we moe en we praatten elke dag minder over ons en meer over hen. We werkten ook op zaterdag, en ook op zondagnamiddag. De geur van oud vlees zat in de plooien van onze huid en in de holtes van onze neuzen. Soms kuste ik haar en dan proefde ik niet langer haar maar wel Clarice of Janet. Dan zei ik: kom, laten we zwemmen. Dat vond ze altijd goed en dan spoelde het water de hitte en al de rest van ons af.

We betaalden de huur elke maandag en op een dag kwam een man in een bestelwagen en die nam de politielinten weg en schilderde de voordeur van de kamer links in een nieuw, nog feller groen dan dat van ons. Als het kon, gingen we op zaterdagavond eten op de hoek van de straat. Dan dronken we en we vreeën tot we aan elkaar kleefden en sliepen tot de hitte ons wekte en dan gingen we naar het parkje. Het gras was er stuk gelopen en alle honden kwamen er maar het was er goed.

Dat was wat we deden, dat waren de eerste weken. Alle veranderingen waren traag, we moesten geduld hebben. Het was niet wat we droomden maar het was beter dan wat geweest was, ver weg van hier.

Toen kwam Don en Don huurde de kamer met de felle groene deur. Hij belde aan ter kennismaking en bracht bier mee en als we gingen zwemmen en boven water kwamen, zagen we de voeten van Don en als je opkeek zei hij: "Hebben jullie ook zoveel dorst?" En dan dronken we en we praatten. Don praatte het meest en dan zij en dan ik, en het was ook het idee van Don, van Clarice en Janet en het parkje.

Het was zijn idee geweest maar zij vond het meteen perfect. "Ik weet het niet", zei ik, maar ze was vastberaden en dus rolden we Clarice en Janet de volgende dag naar het parkje en parkeerden hen daar naast elkaar. "Kunnen zij lekker praten, kunnen jullie lekker doen wat jullie willen, snap je wel", had Don gezegd. Het was perfect, zei ze, gewoon perfect. Die avond vroeg Don hoe het was gegaan. "Je had gelijk," zei ze, "het ging perfect".

Toen we die avond gingen slapen, dacht ik dat zij gelijk had, dat Don gelijk had. Misschien was dit het moment waarvan we later, als we in onze tuin zaten, zouden zeggen: vanaf toen veranderde alles. Ze sliep diep boven de lakens en ik keek naar het plafond. De enige lantaarnpaal op de parking was stuk en ging elke zoveel seconden aan en uit en hulde de kamer afwisselend in rood licht en duisternis. In het rood licht zag ik haar silhouet, in de duisternis hoorde ik ons ademen.

Elke dag brachten we Janet en Clarice nu naar het parkje. Eerst enkel na het middaguur, na een poos op hun verzoek ook al 's ochtends. Soms namen ze ons mee uit eten, en bijna allebei op dezelfde dag kregen we opslag. Het was niet veel, maar het was genoeg om te voelen dat we eindelijk vooruit gingen.

"Als het zo blijft gaan, zijn we hier binnenkort weg, dan zoeken we een huisje, een echt huisje", zei ze toen we op de rand van het zwembad zaten.

"Ja", zei ik.

"Dat wil je toch?"

"Wat?"

"Hier weg."

Op de parking achter het zwembad zag ik Don staan die praatte met een man die met zijn rug naar me stond gekeerd. Toen hij me zag zwaaide hij en ik knikte.

"Natuurlijk", zei ik. "Natuurlijk wil ik dat. Wat had je gedacht?"

Ze zoende me op mijn wang en dook onder water en bleef onder tot ze aan de overkant de wand raakte.

Geen van ons begreep waarom Clarice en Janet ruzie kregen. "Wat een onuitstaanbaar mens", zei Janet toen ik haar in haar karretje weer de heuvel op duwde. Ik zweeg tot ik weer thuis was en ook zij had gezwegen toen Clarice ongeveer hetzelfde had gezegd toen zij de heuvel afreed. We vertelden het verscheidene keren aan elkaar, en dat we het niet snapten, en toen ook aan Don. Don lachte. "Het zijn weer tieners," zei hij, "nog even en het worden baby's die je een proper broekje moet aantrekken en pap moet voeden." "Ja, en dan", zei zij. Ze zag er moe uit en was bezweet. "En dan? Zet ze gewoon weer naast elkaar en laat ze het uitpraten. Ze zullen je dankbaar zijn. Misschien erven jullie wel wat, als hun moment daar eindelijk is", zei hij. "Jesus", zei ik. "Wat?" zei hij. Ze keek me aan en het leek alsof ze zei: Ja, wat?

Die avond dacht ik opnieuw: misschien is dit wel nodig, misschien hebben ze gelijk. Ik zag haar liggen in het rode licht en wanneer het licht uitviel en het donker werd zocht ik haar hand. Ze sliep en als zij kon slapen, dan leek alles te verlopen zoals we het hadden gepland. Alsof we het hadden gepland.

Na de verzoeningspoging werd ik ontslagen en toen ik haar dat vertelde aan de rand van het zwembad, zei ze eerst lang niets en dan: misschien is dit wel goed. En ik zei: ja, misschien wel, en toen kuste ik haar en die avond kocht ik een krantje met advertenties en een fles wijn.

De dagen waren warm en lang. De zomer leek nooit over te gaan. Don en de jongen met de bromfiets dronken bier en rookten samen voor het raam van onze kamer. Op een dag zag ik hen elkaars hand schudden en daarna leek de jongen voor Don te werken. Mensen kwamen bij hem aankloppen en reden dan weer snel weg. "Hoi", zei Don telkens als hij me zag. "Hoi", zei ik. "Alles goed?" vroeg hij soms, alsof hij het antwoord al kende. "Natuurlijk", zei ik dan.

We verkochten de auto en kochten met het geld drie weken huur en drank en eten. "Hij was toch oud", zei ik en toen zoog ze haar wangen naar binnen en ging ze slapen.

Ik zocht nog steeds naar werk dichter bij de stad en belde met muntjes vanuit het kantoortje van de man. Die keek na een tijd niet meer op en soms lachte hij als ik weer eens vloekend inhaakte. 's Avonds kwam ze thuis en nu ze niet meer naar het park mocht, verloor ze kleur en ging ze meer tv kijken.

Nadat Don verhuisde, werd het anders. Hij had ons meegenomen in zijn auto en hij had de wijk laten zien. Nieuwe huisjes, of toch zeker geen oude, opritjes en boompjes. We zeiden dat we het prachtig vonden. "Wat vond je ervan?" vroeg ik haar toen we thuis waren en op bed zaten om iets te drinken. Ze zweeg en zei dan: "Niet mijn ding." Ik dronk en knikte. "Jij?" vroeg ze. "Nee," zei ik, "niets voor mij. Zo voorspelbaar."

We dronken op wat we hadden en toen vroeg ik: Zullen we nog even zwemmen? Maar ze wilde niet en ook niet de dag erna. Toen ze vier dagen niet wilde zwemmen en nadat we de vijfde dag ruzie hadden gemaakt, ging ik om bloemen en een fles wijn die ze lekker vond. Toen ik kwam aanwandelen riep de man me bij hem in het kantoortje. "Hey," zei hij, "er belde een of andere idioot uit de stad voor je."

Toen ik uit het kantoortje naar onze kamer liep, wist ik dat alles goed zou worden. We zouden er geraken. Meer nog, we waren er al geraakt maar moesten gewoon nog een keer alles van ons lijf spoelen en dan de weg volgen tot de stad. "Lief?" riep ik. "Dit moet je horen." Ik hoorde mijn eigen stem zoals ik ze lang niet had gehoord. "Lief?" En toen ik die avond in mijn eentje heen en weer zwom en telkens opnieuw probeerde te bedenken hoe we hier waren terechtgekomen, kwam er helemaal niets.

In november verschijnt bij Hollands Diep Vrijheid is een duisternis, de nieuwe roman van Paul Baeten Gronda.

Biografie Paul Baeten Gronda

• Geboren in 1981.

• Studeerde flm aan Sint-Lukas in Brussel.

• Werkte op de redactie van Woestijnvis.

• Schreef columns voor De Morgen en nu voor Focus Knack.

• Debuteerde in 2008 met Nemen wij dan samen afscheid van de liefde. Later volgden Kentucky, mijn land, Onder vrienden en Straus Park.

• Dit najaar verschijnt zijn vijfde boek bij Hollands Diep.

• Woont afwisselend in Borgosesia in Noord-Italië en in Leuven.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234