Zondag 13/06/2021

Langs lijnen van geleidelijkheid

'Met en zonder lauwerkrans', een biografisch schrijfsterswoordenboek

Leen Huet

Als een baksteen ben ik gevallen voor de geschriften van Juliana Cornelia de Lannoy, als een kuip mortel voor die van Jeanette Delcroix. Van de eerste dame had ik vaagweg al gehoord, van de tweede nog nooit. Haar naam dank ik aan het nieuwe naslagwerk Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850: van Anna Bijns tot Elise van Calcar. We kennen allemaal wel Hadewijch, Anna Bijns, Betje Wolff en Aagje Deken, Belle van Zuylen (het doet plezier te weten dat Nederland ook een Franstalige schrijfster heeft), A.L.G. Bosboom-Toussaint en Rosalie en Virginie Loveling. Echte liefhebbers zijn bovendien op de hoogte van het eertijdse bestaan van Anna en Maria Tesselschade Roemer Visscher en van Anna Maria van Schurman, de eerste studente in de Nederlanden (1636). Maar verder?

Met en zonder lauwerkrans is opgevat als een biografisch woordenboek. De schrijfsters staan gerangschikt volgens geboortedatum of, indien die onbekend is, periode van activiteit; er worden maximaal vier fragmenten geciteerd uit hun werk en ze zijn allemaal getooid met een uitstekende bibliografie. De lezer krijgt een paar rode draden aangereikt in de heldere inleiding - welke vrouwen schreven waar, wat en met welke bijval, die dingen. Interessant is in elk geval de kloof die er gaapt na de scheiding van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden: hier blijven dan voornamelijk schrijvende kloosterzusters en begijnen over, ginds kan men aan het begin van de zeventiende eeuw toch alweer bogen op wereldse dichteressen van sonnetten en een schrijfster van Latijnse traktaten en een Ethiopische grammatica. Die verscheidenheid blijft er in de volgende eeuwen toenemen.

Je zou kunnen denken dat Met en zonder lauwerkrans het heerlijke nieuwe product is van een heerlijke verworvenheid van onze tijd: het feminisme of, zo je wil, de aandacht voor de rol van de vrouw in de West-Europese geschiedenis. In zekere zin is dat ook zo - de apanage vanwege de ernstige literatuurwetenschap wijst daarop - maar catalogi van roemrijke en/of begaafde vrouwen vormen op zich al een oud genre. Christine de Pisans Boek van de stad der vrouwen (1405) en Johan van Beverwycks Van de uitnementheyt des vrouwelicken geslachts (1612) zijn typische voorbeelden van die traditie. Johanna Hoobius' bijdrage aan dit debat, Lof voor alle eerbare vrouwen en jong-vrouwen (1634), kan men trouwens hier nalezen. Sommigen zetten nog een stap verder: de filosoof Agrippa von Nettesheim schreef in 1509 een traktaat met de polemische titel Over de superioriteit van de vrouw - geen onprettige lectuur, maar even seksistisch als Over de inferioriteit van de vrouw geweest zou zijn; toch ook een nobele verdediging - vermomd als aanval - van de underdog. De vrouwennamen waar deze auteurs hun betoog mee doorspekken, bleven vaak ook de vrouwennamen waarmee feminisme en vrouwenstudies aan de slag zijn gegaan. Die oude vrouwencatalogi zijn defensieve boeken: kijk, niet alléén mannen hebben de loop van de geschiedenis bepaald.

Met en zonder lauwerkrans stelt zich gereserveerder op: wat men in dit boek vindt, is zuiver, nauwelijks ontgonnen materiaal; conclusies zullen pas veel later getrokken kunnen worden. En zo kom ik tot mijn punt: literatuurgeschiedenis vloeit, als alle vormen van kunstgeschiedenis, zo verbazend gemakkelijk terug naar haar bron, de studie van historische voorvallen, niet van de kunst zelf. En toch is Clio niet de enige muze. Valt de geschiedenis van de wiskunde interessanter uit dan de wiskunde zelf? In de kunst, anders dan in de kundes, spreekt men vaak van de canon, een geheel van regels dat uitmaakt wat goede en wat minder goede kunst is. Ook die canon kan weer louter historisch bestudeerd worden. Dat literatuur en schilder- en beeldhouwkunst, net als wiskunde, over een eigen dynamiek zouden beschikken, iets dat de historische toevalligheden overstijgt - wel, het is een gevaarlijke stelling en moeilijk te verdedigen.

Niet minder verdriet het in de inleiding te lezen dat de vraag naar de kwaliteit van het geschrevene een valstrik is, al kan men in de meeste teksten 'toch' een persoonlijke toon beluisteren. En de glans, de schittering, de schok van letterkundig genot? Ze zijn goddank niet afwezig in Met en zonder lauwerkrans. Dit boek leert je de achtergrond kennen waar die goede schrijfsters tegen oplichten en zoiets is altijd leerzaam. Het biedt ook niet te versmaden curiosa. Geïnspireerde kritiek op Vondels Adam in ballingschap door een dichtende tijdgenote, een felle verdediging van de handelingsbekwaamheid van de vrouw (met als grote voorbeeld koningin Elizabeth I van Engeland), het verslag van een zeereis en een kaping, zelfs seksuele raadgevingen en lesbische jaloezie, je vindt ze hier allemaal.

Eén belangrijke schrijfster uit het verleden ontbrak in alle humanistische vrouwencatalogi. Hadewijch, de mystieke grondlegster van het Nederlandstalige proza, werd pas in de negentiende eeuw herontdekt. Een soortgelijk lot was de zeventiende-eeuwse mystica Maria Petyt (1623-1677) beschoren: hoewel haar vierdelige autobiografie in 1683 en 1684 te Gent uitgegeven werd dankzij de zorgen van haar geestelijke leidsman, kon zij pas in onze eeuw opnieuw op belangstelling rekenen. De teksten die hier van haar geciteerd worden, doen verlangen naar meer.

Ook de biografie van de Diesterse begijn Anna Berchmans (?-1665), een verslag over schrijnende conflicten met haar moeder, blijft door de directe, sobere vertelstijl hangen. Naast een waarlijk griezelig voorbeeld van begijnenhumor bevat dit boek ook een paar charmante religieuze liedjes van de begijn J. of I.G. (actief rond 1660): eentje beschrijft het vrolijke gelui van alle kerk- en kloosterklokken in Brussel, een ander de reacties van de herders rond de kribbe in Bethlehem - een gebeurtenis waarbij vooral de kleine jongen Teuntje helemaal zenuwachtig wordt van vreugde en naar huis loopt om hemdjes te halen voor de pasgeborene.

De achttiende eeuw is al vaker de eeuw der vrouwen genoemd en in de noordelijke Nederlanden lijkt die bepaling te kloppen. Niet alleen beoefenen vrouwen daar en dan alle genres van de letterkunde: plotseling zijn er ook grote, professionele schrijfsters. Met grote schrijfsters bedoel ik vrouwen die de taal naar hun hand kunnen zetten, schrijven op het ritme dat persoonlijkheid verraadt en hun eigen sprankeling (of sombere gloed) overdragen op de lezer. Waarom zijn Jane Austen, Emily Brontë en Emily Dickinson genieën? Ze vonden de unieke taal die bij hen, en hen alleen, paste - le style c'est la femme. Zo word je een geestiger mens nadat je Betje Wolffs (1738-1804) 'Aan mijn geest' gelezen hebt:

Ja, 'k was nog nauw in staat om met mijn kleine hand Een pen te houden, toen ik reeds in allen trant Onleesbre proeven gaf van recht erbarmlijk dichten...

Die verfijnde spot vindt men ook bij Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782). Men citeerde hier haar klassieke verrassingssonnet 'De volmaakte man' en de satire 'Het gastmaal':

De lepel middlerwijl valt plotsling uit mijn hand: Help! dacht ik, champignons! 'k ben mooglijk al vergeven; Mij dunkt dat ik 't venijn al naar mijn hart voel streven; (...)

Aldus deed de aristocratische schalksheid haar intrede in het Nederlands.

Wie het negentiende-eeuwse Vlaanderen nooit eerder geassocieerd heeft met ironie en humor, zal genoegen beleven aan de fragmenten uit het werk van Jeanette Delcroix (1826-1897). In 1860 publiceerde ze de novelle Fernandina en Frederika of der vrouwen-peerlen, klaarblijkelijk een meesterwerkje waarin onder meer een typische flamingantische verzenmaker en tafelspringer over de hekel gehaald wordt ("Zwijgt dan en luistert, kinderen en schoonzuster van den grootsten dichter die ooit den aardbodem heeft betreden!").

Wilt u een wat letterlijker vrouwelijke blik, dan kunt u terecht bij Maria Franciska Doolaeghe voor gedichten over 'moederwellust' en een doorleefde ode aan Jan Palfijn, de uitvinder van de parallelle verlostang ("'k Ben moeder: 't zegt genoeg, opdat ik voor u kniel"). Met en zonder lauwerkrans is tot overmaat niet duur en fraai geïllustreerd.

R. Schenkeveld-van der Dussen (ed.), Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850: van Anna Bijns tot Elise van Calcar, Amsterdam University Press, 970 p., 2.000 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234