Dinsdag 15/06/2021

'Langer dan drie kwartier houden we het niet uit in die pakken'

Al ruim vier maanden voeren gespecialiseerde medische teams van Artsen zonder Grenzen in West-Afrika een even riskant als wanhopig gevecht tegen het oprukkende ebolavirus. Het dodentol is intussen opgelopen tot 539, en zowel Artsen zonder Grenzen als de WHO luiden nu nadrukkelijk de alarmbel. 'Het water staat ons aan de lippen.'

Vier tot zes weken: langer houden zelfs de geharde specialisten van Artsen zonder Grenzen het vandaag doorgaans niet uit in Guinee, Sierra Leone of Liberia. Daar zitten de broeierige hitte en lastige werkomstandigheden natuurlijk voor heel wat tussen, maar vooral de stress en mentale vermoeidheid eisen er al snel hun tol.

"Ebola is een vreselijke aandoening, ruim drie op de vier mensen die besmet raken, overleven het virus niet", vertelt Marie-Christine Ferir, noodhulpcoördinator bij AzG. Het virus is erg besmettelijk en wordt overgedragen via contact met bloed van een besmette patiënt.

"Artsen en verplegers die in onze medische centra dagelijks in contact komen met de patiënten lopen dus wel degelijk een risico, ook al dragen ze beschermende kledij en trachten we het besmettingsgevaar op alle mogelijke manieren tot het uiterste minimum te beperken."

De ngo zet vandaag in de drie West-Afrikaanse landen samen zowat 350 medewerkers in - zowel expats als lokale werknemers - maar dat lijkt niet langer te volstaan. Nadat de situatie in april stilaan onder controle leek, staat het water hen nu opnieuw aan de lippen.

Ferir: "Aanvankelijk hadden we af te rekenen met enkele besmettingshaarden in Guinee, waarvoor we twee gespecialiseerde medische centra hadden ingericht. Vandaag heeft de epidemie zich niet enkel uitgebreid naar twee buurlanden van Guinee, ook andere West-Afrikaanse landen zoals Ivoorkust of Senegal lopen gevaar."

In de Guineese hoofdstad Conakry wordt een coördinatiecentrum opgericht dat het oprukkende ebolavirus in West-Afrika een halt moet proberen toeroepen. Dat heeft de Wereldgezondheidsorganisatie WHO vrijdag meegedeeld.

De hand schudden

Intussen heeft AzG al zes behandelingscentra geopend in de regio, maar daarmee zitten ze naar eigen zeggen echt aan het maximum van hun capaciteit. Ferir: "Vandaar ook onze oproep: we hebben meer mensen en actoren nodig op het terrein, bijvoorbeeld om de lokale gemeenschappen beter te sensibiliseren op vlak van preventie en noodzakelijke basishygiëne, om patiënten op te volgen, voor logistieke operaties, noem maar op. Wij hebben al ruim vijftien jaar ervaring in de strijd tegen ebola - een specifieke medische expertise die elders niet zomaar voor het rapen ligt - maar de huidige epidemie vergt een bredere aanpak én veel meer middelen."

Binnen AzG zijn een aantal medewerkers intussen al aan hun tweede missie in het risicogebied toe. "Uit eigen beweging", verduidelijkt Ferir. "We vragen niemand om tegen zijn of haar zin dit soort werk op te knappen. En hoewel het merendeel van onze mensen daar de voorbije jaren al ervaring opdeed met de strijd tegen ebola, worden ze voor hun vertrek allemaal nog eens uitgebreid gebrieft over de risico's en de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen. In een ebolakliniek schudden we elkaar niet even vriendelijk de hand, bijvoorbeeld.

"Eenmaal ter plekke zijn het sowieso enkel de meest ervaren mensen die echt de isolatieruimtes met de patiënten binnengaan. Dat doen ze overigens ook altijd in het gezelschap van een collega, al was het maar om elkaars beschermende uitrusting te kunnen controleren. We laten op dat vlak echt niets aan het toeval over en - hout vasthouden - tot nog toe is het ook nooit echt fout gelopen.

"Het probleem is evenwel dat de lokale bevolking de ziekte en de preventiemaatregelen stilaan moe is. Patiënten worden bijvoorbeeld verstopt voor de hulpverleners of familieleden halen hen weg uit de ziekenhuizen, waardoor er natuurlijk nog meer mensen besmet dreigen te raken. Dat maakt het werk ter plekke, los van het puur medische aspect, nog een stuk zwaarder en stresserender."

Palliatieve zorgen

"Begin maart was ik samen met een handvol collega's van Artsen zonder Grenzen aan de slag in een kinderziekenhuis in Sierra Leone", vertelt landgenote Hilde Declerk. "Daar kreeg ik de dringende vraag om de grens over te steken naar Guéckédou, een middelgrote stad in Guinee. Er bleek een vreemde koorts te zijn uitgebroken, en het vermoeden dat het om een ebola-uitbraak ging, werd al snel bevestigd. Ikzelf ben gespecialiseerd in de behandeling van hemorragische koortsen, zoals ook ebola er een is. Het was dus niet meer dan logisch dat ik de vraag kreeg om naar Guinee te gaan."

Vorige week, na een korte vakantie in eigen land, nam Hilde opnieuw het vliegtuig richting Conakry. "Natuurlijk vinden sommige mensen hier in België het wat vreemd dat ik nu uit eigen beweging terugkeer naar Guinee, maar dit is nu eenmaal mijn job. Ebola is een extreem dodelijke ziekte - bij sommige varianten loopt de mortaliteitsgraad op tot 90 procent - en zoiets boezemt iedereen veel angst in. In combinatie met het klimaat en de vaak lastige werkomstandigheden daar levert dat bijzonder intense missies op, maar het is gelukkig niet alleen maar kommer en kwel.

"De ebolavariant die nu in West-Afrika woedt, is net iets minder dodelijk, gemiddeld sterven zowat drie op de vier patiënten. We kunnen ons dus optrekken aan de slachtoffers die het uiteindelijk wel halen, en proberen met onze zorgen het verschil te maken en misschien ook mensenlevens te redden.

"Een echt geneesmiddel bestaat er niet, het is ook voor ons niet altijd even duidelijk waarom de ene patiënt het nu wel overleeft en de andere na enkele dagen al bezwijkt. Wie besmet raakt, zwakt heel snel af en de symptomen zijn een beetje vergelijkbaar met die van een heel zware darminfectie: buikloop, geen eetlust, hoge koorts. We geven dus infusen om de bloedsuikerspiegel zo goed mogelijk op peil te houden, wassen de patiënten en begeleiden hen naar het toilet. Wie het niet haalt, raakt in een soort van shock en overlijdt meestal na een week of maximaal tien dagen.

"Vaak komt ons werk dus neer op een soort van palliatieve zorg, in een poging de levenskwaliteit in die laatste dagen nog zo hoog mogelijk te houden en de pijn te bestrijden. Zowel de patiënten als de familieleden appreciëren dat enorm, ze stellen met eigen ogen vast dat ons werk wel degelijk een verschil maakt."

U beschermt zichzelf tegen het dodelijke virus met pakken die niet enkel behoorlijk afschrikwekkend ogen, maar in het broeierige West-Afrikaanse klimaat wellicht ook geen pretje zijn om te dragen?

Declerk: "Nee, maar net daardoor kunnen we heel dicht bij de patiënten blijven. Ebola wordt niet overgedragen via de huid of de lucht, in theorie is die bescherming misschien soms iets overdreven, maar het laat ons wel toe om tot het einde alle mogelijke verzorging te blijven bieden. Doorgaans blijven we ook maximaal 45 minuten in de isolatieruimtes, veel langer houdt niemand het in dat soort pakken uit bij dergelijke hoge temperaturen."

De teller met dodelijke slachtoffers staat intussen op ruim vijfhonderd. Hebt u de houding van de lokale bevolking de afgelopen weken zien veranderen?

"De reacties ter plekke zijn heel uiteenlopend. Doorgaans worden we goed ontvangen als we mensen proberen te informeren en sensibiliseren, de lokale bevolking wacht gewoon ook op hulp. Soms volstaat het natuurlijk dat een iemand aan ons twijfelt, of dat een sms de ronde doet waarin wordt gesteld dat die vreemde blanken de ziekte net hebben binnengebracht om problemen te krijgen.

"De lokale overheid probeert daar dan echt wel tegen in te gaan, maar het blijft natuurlijk een probleem dat we niet anders kunnen dan geen rekening te houden met lokale tradities. Bij begrafenissen bijvoorbeeld, als de lichamen gewassen moeten worden en tientallen mensen het dode lichaam nog even willen aanraken, is er een groot besmettingsgevaar omdat die dode lichamen tjokvol virussen zitten. We proberen dat zo goed mogelijk uit te leggen, of hullen de familieleden zelf ook in beschermende kledij, maar het blijft vaak op eieren lopen.

"Als er zoveel doden vallen, dan wordt er ook naar een zondebok gezocht en in gemeenschappen waarin niet iedereen even geschoold is, loopt dat ook wel eens fout. Het volstaat dat één patiënt de bossen intrekt op zoek naar hulp, of naar een andere stad gaat, om nieuwe besmettingen te veroorzaken.

"Het is ons ook al overkomen dat zowat een heel dorp ons opwacht met stenen en machetes. In dergelijke gevallen zit er natuurlijk niets anders op dan overleg te plegen met de lokale overheid en later terug te keren."

Hoe gaan die vaak kleine rurale gemeenschappen om met een ziekte die in een mum van tijd dood en verderf zaait en veelal ook niet te genezen valt?

"Ook dat verschilt van dorp tot dorp, maar wij proberen te allen prijze trachten te vermijden dat de patiënten gestigmatiseerd worden. Omdat de epidemie nu al vier maanden aanhoudt en zoveel slachtoffers maakt, zien we nu hier en daar echt paniek opduiken, en worden zieke mensen bijvoorbeeld het dorp uitgejaagd. Andere gemeenschappen isoleren zelf hun zieken, brengen hen wel eten en drinken maar blijven voor de rest uit de buurt. Het beeld is dus heel gemengd.

"Als we vandaag meer mensen en middelen vragen, dan heeft dat dus vooral ook te maken met de grote nood aan informatie en responsabilisering: wie de eerste symptomen vertoont, heeft een grotere overlevingskans als hij zich zo snel mogelijk bij een van onze behandelingscentra aanmeldt. Tegelijk is het risico dat hij anderen besmet dan ook een stuk kleiner. Dubbele winst dus, maar daarvan moet je de mensen hier ook kunnen overtuigen. En dat wordt almaar lastiger omdat het verspreidingsgebied zo groot geworden is."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234