Vrijdag 24/01/2020

Lambiek en de zalige verzuring

Er gist onrust in het kleine wereldje van geuze, kriek en lambiek. Doortastende controles van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen jagen brouwers op stang. Eeuwen van vakmanschap worden door een inspecteur ter discussie gesteld. Plotseling moeten ze muren schilderen, vloeren betegelen, houten trappen afbreken, beproefde borstels en bezemstelen door plastic schoonmaakgerief vervangen. De kosten lopen op, faillissementen vallen niet uit te sluiten. Geen ideale omstandigheden voor de Brettanomices bruxellensis en lambicus, de sympathieke helden van het geuzemysterie.

Erik Raspoet / Foto's Stephan Vanfleteren

Zwarte rook krinkelt uit de schoorsteen van brouwerij De Troch in Wambeek. Anders dan de uitwasemingen van cokesfabriek Marly, plegen deze dampen geen aanslag op de zintuigen. Ik proef mout, tarwe, hop, de geuren van mijn jeugd. Vanuit ons keukenraam konden we de productie bij De Troch op de voet volgen. Vandaag heeft de rookpluim iets geruststellends. Er is nog leven in de brouwerij, de trots van mijn geboortedorp. Vorige week schrok ik me een ongeluk. Niemand minder dan de hoofdredacteur van Knack had de doodsklok geluid. De Troch was door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) drooggelegd, een lot dat ook andere lambiek- en geuzebrouwers boven het hoofd hing. De inspecteurs van het FAVV zouden hebben gehandeld onder druk van Europa, de eeuwige regelneef die het niet begrepen heeft op het beroemde streekbier uit Brussel en het Pajottenland. Want wat gebeurt er allemaal in zo'n lambiekbrouwerij? Het wort ligt er in de open lucht te fermenteren, de lambiek rijpt er in honderd jaar oude tonnen, brouwersgasten klimmen op houten ladders en lopen over stoffige vlieringen. Allemaal strijdig met de communautaire hygiëneregels. Hoog tijd dus voor het Federaal Agentschap om Europa met een krachtdadig optreden te paaien.

De waarheid, zo bewijst de zwarte rook in Wambeek, is iets genuanceerder. Maar feit is dat er een malaise heerst in het kleine wereldje van lambiek- en geuzebrouwers. De malaise draagt zelfs een naam en een titel: ingenieur Dominique De Keyser, de gezondheidsinspecteur van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die met haar raid op de Brabantse lambiekbrouwers niet aan haar proefstuk is. Eerder had deze nijvere ambtenaar al brokken gemaakt in Oost-Vlaanderen. Met name limonadeproducenten in de streek tussen Ninove en Oudenaarde sidderen en beven als haar naam valt. "We kenden haar reputatie", zegt Frank Boon. "Toen ze naar Brussel verhuisde, kreeg ik een telefoontje van een brouwer uit Oost-Vlaanderen. Madammeke De Keyser gaat zich op de lambiekbrouwerijen storten. Nu gaan jullie wat beleven." Wat dat betekent, heeft Frank Boon intussen ondervonden. We lopen samen door zijn brouwerij in Lembeek, het epicentrum van de geuzestreek. Achter de brouwerij stroomt de Zenne, al stevig vervuild maar nog geen open riool zoals ten noorden van Brussel. De rivier zou cruciaal zijn voor de micro-organismen in de Brabantse lucht die op hun beurt zorgen voor de spontane gisting waaraan lambiek en geuze hun buitengewone smaak danken. Voor de niet-ingewijden: geuze is een delicaat mengsel van jonge en oude lambiek dat hergist op de fles. De wrange, in het Pajottenland zeggen ze rinse, smaak is geen spek voor ieders bek. Een echte geuze leer je drinken, zoals je oesters leert savoureren. Veel populairder is daarom de kriek of kriekenlambiek, een zuurzoet, roodschuimend bier dat ontstaat door Schaarbeekse krieken op lambiek te laten trekken.

Spontane gisting is overigens niet uitzonderlijk in onze voedselketen. Wijn, cider, camembert, het zijn allemaal producten van wat in wezen een smakelijk rottingsproces is. In de bierwereld is lambiek wel een unicum geworden. Pils, trappist, ale, witbier, stout, overal wordt cultuurgist toegevoegd. Over fermentatie van lambiek kan Frank Boon uren vertellen. De hoofdrolspelers in zijn verhaal dragen namen die uit een stripalbum lijken geplukt. We hebben het over de Brettanomices bruxellensis en de Brettanomices lambicus, twee gistsoorten die alleen in de lucht boven een welbepaald deel van de zuidelijke Zennevallei gedijen, meer bepaald de regio tussen Brussel, Halle en Asse. Leken reageren vaak lacherig op dit door lambiekbrouwers gekoesterde mysterie. "Ten onrechte", zegt Frank Boon. "Tubize ligt hier vlak bij. Welnu, daar zijn ze er nooit in geslaagd een fatsoenlijke lambiek te brouwen. Ook wetenschappers hebben er hun tanden op stuk gebeten. Talloze keren hebben ze geprobeerd spontane gisting in een labo na te bootsen. Het begon wel te schuimen, maar het resultaat leek in de verste verte niet op lambiek."

Zou het kunnen dat inspecteur De Keyser tot de niet-ingewijden behoort? Alleszins trok ze grote ogen toen ze de brouwzaal van Frank Boon betrad. Er staat een grote roerkuip, waarin gemalen tarwe, mout en oude hop wordt geplet en gewassen. Er staan ketels waarin het wort vervolgens urenlang wordt gekookt. En vooral: er is het koelschip, een ondiepe, in roestvrij staal vervaardigde kuip waarin het gekookte vocht een nacht lang afkoelt. Het is tijdens deze afkoeling dat het mirakel geschiedt. Onzichtbaar voor het blote oog dalen miljarden micro-organismen in het wort neer. Daaronder ook onze sympathieke helden, de Brettanomices bruxellensis en lambicus, die geduldig hun tijd afwachten. Pas na een maand of acht, als andere gisten en edelbacteriën zijn uitgewoekerd, worden ze actief. Ze zetten de laatste restsuikers om in alcohol en parelend koolzuur, reden waarom echte geuze en lambiek volstrekt veilig zijn voor diabetici. Bovendien brengen ze een chemisch huwelijk tot stand tussen alcohol en smaakmakers zoals melk-en azijnzuur, een alliantie die debet is aan de zerpe aroma's van het brouwsel. De symbiose van micro-organismen is uitermate delicaat. In de zomer wordt er bijvoorbeeld niet gebrouwen, omdat er dan te veel rottingsbacteriën in de lucht zweven. Een applausje voor de natuur is hier wel op zijn plaats. De omgeving waarin al deze wonderlijke processen zich afspelen, is echter verre van clean. Muren zijn zwart van het vocht. Aan het plafond hangen condensdruppels. Bij het vullen van de roerkuip daalt het stof van gemalen gerst en mout als een film neer. "Mevrouw De Keyser heeft het er moeilijk mee", zegt Frank Boon. "Dat er zomaar druppels van het plafond in het koelschip vielen, dat vindt ze heel erg. Ik heb het haar in het lang en het breed uitgelegd. Dat die condensdruppels cruciaal zijn om de spontane gisting op gang te brengen. Het was een moeizaam gesprek. In haar wetboek staat immers dat we in de productieruimte alleen afwasbare materialen mogen gebruiken. Ze wil tegels van onder tot boven. En waar dat niet kan, moeten we schimmelwerende verf aanbrengen. Ik zal mijn best doen, maar ze moet niet denken dat ik er hier een patéfabriek van ga maken. In een steriele omgeving kun je geen lambiek brouwen." We lopen naar de zolder waar de zakken mout en tarwe worden opgeslagen. Ook hier werden vermaningen uitgedeeld en correcties opgelegd. De witgekalkte muren moeten zo snel mogelijk overschilderd worden. Verdwijnen moeten ook de houten deuren, ook al zijn die met ijzer beslagen om muizen en ongedierte te weren. Hout is niet afwasbaar en kan splinteren, luidt de redenering bij het FAVV. Zelfs het geïmproviseerde infobordje ten behoeve van brouwerijtoeristen werd op de bon geslingerd.

Gruwen deed de inspecteur ook toen ze door de opslagruimte struinde. Nochtans is het betreden van dit tonnenparadijs een indrukwekkende ervaring. Er zijn kleintjes tussen van 250 liter, pijpen van 600 liter en fusten van liefst 9.000 liter. Heel wat van deze kanjers hebben Franse adelbrieven, verdiend in de kelders van de calvados en de cognacstreek. De kleinere exemplaren daarentegen zijn autochtone lambiektonnen die soms een eeuw oud zijn. Initialen en brouwmerken verwijzen naar een rijke traditie. De Koninck en Mosselmans uit Dworp, Vanderperre aan de Antwerpse Steenweg in Brussel, Van Malder aan de Van Lindtstraat in Anderlecht, Vander Linde uit Halle, allemaal namen die al lang van de Belgische bierkaart zijn verdwenen. Behalve brouwers zitten er ook geuzestekers tussen: caféhouders of bierhandelaars die zelf een caveau hadden waar ze met diverse lambieksoorten hun eigen geuze samenstelden en bottelden. Beide metiers waren aanvankelijk gescheiden. De brouwer was de leverancier van de ruwe grondstof, hij verhield zich tot de geuzesteker zoals de molenaar tot de bakker. Brouwers of bierstekers, ze zijn samen ten onder gegaan. Tot halfweg de negentiende eeuw werd er in en rond Brussel niets anders gedronken dan lambiek, geuze, kriek of faro, een met kandijsuiker gezoet derivaat. De opkomst van lagerbieren zoals bock, export en vooral pils zou deze cultuur de das omdoen. Heel wat lambiekbrouwerijen schakelden gretig over, andere werden door de nieuwlichters weggeconcurreerd. De productie van pils was immers stukken goedkoper. Terwijl geuze en kriek tot drie jaar moeten rijpen, kunnen lagerbieren al na een paar weken op de markt worden gebracht. De consument volgde, ook al omdat pils in capsuleflesjes werd verkocht. Dat stond veel moderner dan de lambiekkruiken en geuzeflessen waarvan de kurken op broeierige zomerdagen de neiging vertoonden ongevraagd en met grote schuimexplosies te knallen. "Na de Tweede Wereldoorlog ging het steil bergaf", vertelt Boon. "Alleen al in de jaren zestig zijn er 32 brouwers en stekers verdwenen." Vandaag telt het Pajottenland nog zeven artisanale brouwerijen en twee geuzestekers, in Brussel houdt alleen Cantillon koppig stand. Frank Boon is een buitenbeen in deze met uitsterven bedreigde sector. Hij stamt niet uit een brouwersgeslacht, maar leerde de stiel bij een kinderloze geuzesteker wiens nering hij uiteindelijk overnam. In 1972, terwijl iedereen ermee kapte, begon hij zijn eigen lambiek te brouwen. Die eerste cru van tweehonderd hectoliter is intussen aangezwollen tot een plas van 8.000 hectoliter. Brouwerij Boon, een KMO met negen werknemers, geldt nu als de nummer één op de markt van authentieke geuze en kriek.

De inspecteur van het FAVV was natuurlijk niet naar Lembeek afgezakt om succesverhalen aan te horen. Evenmin was ze gekomen om zich te vergapen aan de dikbuiken in de reusachtige opslagruimte. Wel stelde ze meteen vast dat de blote bakstenen van de vroegere fabriekshal om vier lagen schimmelwerende verf schreeuwden. Dat er tegen die naakte muren twee rijen hoog gevulde tonnen rusten die het schilderwerk niet echt bevorderen, was daarbij een mineur detail. Haar blik raakte verstrikt in de spinnenwebben tussen de tonnen. "Ze vroeg of we dat niet konden reinigen", vertelt brouwer Boon. "Maar we kunnen toch geen tonnen afstomen als er bier in ligt te gisten?" Dat gisten kan hard gaan. Sommige tonnen lekken slijmerig schuim dat het een aard heeft. Overdrijven heet dat, in de letterlijke zin van het woord. "Dat vond ze niet hygiënisch", zegt Boon. "Ik heb haar uitgelegd dat zwetende tonnen onvermijdelijk zijn. Als de gist hard werkt, dan wordt het teveel aan CO2 door de poriën van het hout uitgestoten. Ze snapt het wel hoor, maar volgens mij ziet ze dat gedoe met die houten tonnen toch niet zitten. Verbieden kan echter niet, dat laat zelfs haar wetboek niet toe. Maar voor de rest is ze onverbiddelijk. Ramen, deuren, al het niet-behandelde hout moet uit de productieruimte worden verwijderd." Hij troont me mee naar een uithoek van het depot. Er liggen enkele houtblokken, compleet met schors en al. Zo'n provocatie kon de alerte inspecteur niet ontgaan. Wat moet dat hier, interpelleerde ze scherp. Het zijn wilgentakken, waarvan sinds mensenheugenis de 'bommen' of stoppen worden gehakt die dienen om de ton na het vullen te dichten. Wilgenhout is ideaal omdat het geen smaak afgeeft aan het brouwsel. Boon kan er intussen zelf om lachen. "Weet je wat ze toen zei? 'Maar meneer Boon toch, dat is nu toch geen werk meer.' Die reactie vat haar hele visie op artisanale brouwerijen samen. In haar ogen zijn we niet meer van deze tijd. Pas op, ik ben zelf niet tegen innovatie. We hebben hier ook een fonkelnieuwe meng-en filterinstallatie. Volledig computergestuurd, met niks dan afwasbare tegels en inox. Mevrouw De Keyser was zichtbaar opgelucht toen ze die mocht inspecteren." Het bezoek van de FAVV-inspecteur bleef niet zonder gevolgen. Muren schilderen, vloeren betegelen, houten deuren door metalen exemplaren vervangen, horren voor open ramen plaatsen, het takenlijstje is goed gevuld. De brouwer schat dat de aanpassingswerken hem een miljoen euro zullen kosten. "Er zijn nuttige werken bij", geeft hij toe. "Maar het gros van het geld gaat naar cosmetische ingrepen die niks bijdragen tot de kwaliteit van ons product. Het ergste vind ik nog het tijdverlies. Bij het FAVV schijnen ze te denken dat we alles kunnen laten vallen om een paar weken te schilderen. Ze vergeten dat een brouwerij een fabriek is die nooit stilstaat."

Frank Boon redt het wel, al was het maar omdat hij een strategische alliantie met de brouwerij Palm uit Steenhuffel heeft gesloten. Hij is niet de enige en vooral niet de eerste die onder de vleugels van een grote groep ging schuilen. Timmermans uit Itterbeek hoort bij Martin's Group, Mort Subite uit Kobbegem is een huismerk van Alken-Maes geworden. Het was echter Constant Van den Stock die met zijn Belle Vue de weg naar het commerciële succes heeft gewezen. De bekende brouwer en voetbalmecenas was de eerste die gezoete en gepasteuriseerde geuze en kriek in kleine flessen op de markt gooide. De 'capsulekesgeuze' werd een voltreffer, en handige Constant heeft zijn brouwerij al lang voor veel geld aan Interbrew verpatst. Maar puristen nemen het hem tot vandaag kwalijk. Aan Belle Vue is het te wijten dat het kloeke, verfrissende bier uit de zuidelijke Zennevallei heden door brede lagen van de bevolking met een mierzoet vrouwendrankje wordt geassocieerd. Ten onrechte, want brouwers als Boon, Drie Fonteinen en Cantillon en geuzestekers als Hanssens en Decam zweren bij de traditionele smaak. Het meest authentiek is echter Girardin uit Sint-Ulriks-Kapelle. De brouwerij is gevestigd in een juweel van een Brabantse hoeve. Herenboer-brouwer-burgemeester, het was een vanzelfsprekende combinatie in het Pajottenland. Aanvankelijk was brouwen een randactiviteit waarmee de stalknechten de lange wintermaanden doorbrachten. Het bracht echter veel geld op, en geld betekende politieke macht. Bokken tegen geiten, kaloten tegen liberalen, Belgicisten tegen flaminganten, heel wat dorpspolitieke vetes vielen te herleiden tot twee rivaliserende brouwers. Burgemeesters hebben de Girardins nooit geleverd, maar boeren doen ze nog altijd. Dit is de enige brouwer die nog zijn eigen tarwe verbouwt. Kenners komen woorden te kort om het smakenpalet te loven, maar Girardin heeft het moeilijk als onafhankelijke brouwerij. De verkoop in cafés is vrijwel nihil, want de meeste zitten vast aan contracten met brouwerijgroepen die hun eigen huismerken opleggen. En daarbij, wie bestelt nog een echte geuze of kriek? En welke kastelein beheerst nog de kunst om een geuzefles te ontkurken zonder de droesem op te schudden?

Girardin is een familiebedrijf met een weduwe, twee zoons en één echtgenote als personeel. Hoe ze hun dubbele stiel bolwerken, het is me een raadsel. Want het werk houdt niet op in de stal of de brouwzaal. Accijnzen, BTW, milieu-inspectie, metrologische dienst, mestbank, de papiermolen staat nooit stil. Een prangend probleem schreeuwt nu om een oplossing. De brouwerijhoeve uit 1882 blijkt zonevreemd te liggen. Alsof al die sores niet volstonden, kreeg Girardin onlangs FAVV-inspecteur De Keyser over de vloer. Volgens insiders draaide de inspectie bijna op een handgemeen uit. "Ik ben er een week niet goed van geweest", zegt Paul Girardin. "Dat opgestoken vingertje van die madame. En maar afkeuren en bevelen geven. Die trap moet weg, die vloer mag niet, die muren moeten geschilderd worden, de bottelarij is niet conform. We hebben voor honderdduizenden euro's kosten. En het moet snel gaan. Tegen eind januari moet de hele brouwzaal geschilderd zijn, tegen april moet de bottelarij vernieuwd zijn, anders verliezen we onze vergunning. Denkt ze dat wij een ezel hebben die geld schijt? Als je protesteert, zegt ze dat ze gewoon de wet toepast. En dat we maar een uitzondering moeten aanvragen als we niet akkoord gaan. De wet, de wet, ik krijg er wat van, met die wet kun je alles sluiten. Als ze die vrouw morgen met haar wetboek naar Reims sturen, kan ze daar de laatste champagnekelder opdoeken. En weet je wat ik ook oneerlijk vind? De Waalse brouwerijen worden met rust gelaten. Niet dat het er hygiënischer toe gaat, maar er wordt gewoon niet gecontroleerd." Ondanks het gemor hebben ze bij Girardin ingebonden. In de brouwzaal ruikt het naar verse verf, de nieuwe bottelarij staat in de steigers. Broer Jan komt binnen met een klant, alweer een bak verkocht. "Wat heb ik gehoord", zegt de klant terwijl hij zijn portefeuille opdiept. "Dat de geuzebrouwerijen moeten sluiten. Die eurocraten toch, die generen zich nergens voor." Het is een kwakkel, want voor één keer heeft Europa er niks mee te maken. De regels die nu met ijzeren hand worden opgelegd, staan gewoon in de Belgische hygiënewet uit 1997.

Intussen wordt het optreden van inspecteur De Keyser druk becommentarieerd, onder meer in de schoot van de Hoge Raad van de Lambiekbrouwers (Horal) die donderdag een crisisvergadering belegde. Inspecteur De Keyser rolt met de spierballen omdat ze zich als vrouw in een mannenwereld moet bewijzen. Op nostalgische toon wordt gepraat over vorige inspecteurs, ambtenaren met een diepmenselijk begrip voor de noden van de geuzebrouwers. Ook hun wetboek eiste de onmiddellijke verwijdering van onbehandeld hout uit de productieruimte, maar een laagje vernis kon ook wel volstaan. Een andere verklaring voor het doldrieste gedrag van inspecteur De Keyser wordt gezocht in het recente verleden van het FAVV. De dioxinecrisis heeft de agenten van de voormalige Eetwareninspectie de stuipen op het lijf gejaagd. Ze passen de wet naar de letter toe, zodat hen niks kan worden verweten mocht er ooit iets fout lopen. Graag had ik een en ander met de geviseerde inspecteur doorgepraat, maar ze weigert ieder commentaar. Volgens woordvoerder Pascal Houbaert van het FAVV echter, moeten we het allemaal niet zover gaan zoeken. "Er is niks aan de hand", zegt hij. "Gewoon een inspecteur die haar werk doet. Dat er hier en daar werd gemord, ach, dat gebeurt in andere sectoren ook. We stellen aan de geuzebrouwers geen speciale eisen. Ze mogen brouwen in een open koelschip, en wij hebben geen probleem met houten tonnen. Maar we leven niet in Bokrijk. Het is niet omdat je een artisanaal product maakt, dat je alle hygiëneregels aan je laars mag lappen. Zeggen de brouwers dat er nog nooit iemand ziek is geworden van hun bier? Sorry, maar dat is een dooddoener. Het is niet omdat je honderd keer ongestraft door het rood bent gereden, dat je altijd door het rood mag rijden. De brouwers kunnen zich maar beter aanpassen. Europa is aan het werken aan een hygiënepakket dat nog strengere normen bevat."

Misschien zal het allemaal wel koelen zonder blazen. Bij de Hoge Raad van de Lambiekbrouwers klinkt alvast verzoenende taal. "De inspecties zijn een goede zaak", zegt Armand De Belder, Horal-voorzitter en brouwer bij Drie Fonteinen in Beersel. "Ze overdrijven wel, het moet allemaal te snel gaan. Maar ja, we lopen dan ook flink achter op het vlak van hygiëne. Er werd niet gecontroleerd en dus ook niet geïnvesteerd. Want wat doe je als goede Belg? Afwachten en stilletjes hopen dat ze je in Brussel vergeten. Als we deze episode zonder faillissementen doorkomen, kan de hele sector er alleen maar sterker van worden." Ik betwijfel of die mening bij De Troch in Wambeek wordt gedeeld. Nergens kwamen de inspecties harder aan dan in deze brouwerij die vooral bekend is voor haar exotische lambiekderivaten. Perzik, abrikoos, ananas, banaan, met de traditie heeft het nog bitter weinig te maken, maar zoetekauwen in de hele wereld lusten er pap van. Tachtig procent van de productie is voor de export bestemd, een cijfer dat tijdens hooglopende discussies met inspecteur De Keyser als argument werd opgeworpen. "We exporteren naar landen als Amerika en Japan", zegt Pauwel Raes, de zesde generatie in het brouwersgeslacht . "Reken maar dat ze onze producten daar streng controleren, want met de angst voor bio-terroristen nemen ze geen enkel risico. Maar dacht je dat mevrouw De Keyser daar naar luistert? Het bier zelf interesseert haar niet, ze kijkt alleen naar de installaties en de architectuur." Die architectuur mag overigens gezien worden. Niet voor niets werd de witte kasteelhoeve als monument beschermd. Pittoresk, maar niet in de ogen van inspecteur De Keyser die zich een buil viel over archaïsche infrastructuur. De Troch, de enige brouwer die zijn ketels nog met steenkool stookt, moet in april een overtuigend driejarenplan voorleggen, anders zal de schoorsteen nooit meer roken. "We hebben al veel gedaan", zegt Pauwel Raes, "schilderen, horren plaatsen, houten door ijzeren trappen vervangen. Weet je dat ik voor 800 euro borstels en wissers heb gekocht? Helemaal afwasbaar, voorzien van alle Europese homologaties. Jammer alleen dat ze minder goed vegen dan gewone borstels. We tonen onze goede wil, maar dat volstaat niet. Eigenlijk wil De Keyser dat we een compleet nieuwe brouwzaal bouwen, liefst van al met een nieuw dak. Zo'n investering is op korte termijn onbetaalbaar, maar dat trekt ze zich niet aan. Dit is trouwens een beschermd monument, we kunnen hier niet zomaar verbouwen. Ik raak er nu al niet wijs uit. In de brouwzaal staat een gietijzeren bierpomp. De Keyser wil dat we ze afbreken, Monumentenzorg eist dat we ze laten staan. Ze spelen met onze voeten. Vijf jaar geleden hebben we op verzoek van de Eetwareninspectie de hele bottelarij gezandstraald. Nu komt het FAVV zeggen dat we diezelfde muren moeten schilderen." De jonge brouwer heeft er zijn vechtlust niet door verloren. "Als ze ons sluiten", zegt hij. "dan verhuizen we. Henegouwen ligt hier maar vijftien kilometer vandaan. In Wallonië, daar worden ondernemers gesteund in plaats van gekoeioneerd."

Pauwel Raes: 'In de brouwzaal staat een gietijzeren bierpomp. De Keyser wil dat we ze afbreken, Monumentenzorg eist dat we ze laten staan. Ze spelen met onze voeten'Frank Boon: 'Wetenschappers hebben er hun tanden op stuk gebeten. Talloze keren hebben ze geprobeerd spontane gisting in een labo na te bootsen. Het begon wel te schuimen, maar het resultaat leek in de verste verte niet op lambiek'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234