Maandag 21/06/2021

Interview

Lale Gül: ‘Over de islam durf ik nu nooit meer te schrijven’

Lale Gül: ‘Allerlei imams bellen me super passief-agressief op om me opnieuw te bekeren: ‘Je wilt toch niet naar de hel gaan?’’ Beeld Judith Jockel/laif
Lale Gül: ‘Allerlei imams bellen me super passief-agressief op om me opnieuw te bekeren: ‘Je wilt toch niet naar de hel gaan?’’Beeld Judith Jockel/laif

In haar debuutroman Ik ga leven rekent de Nederlands-Turkse Lale Gül (23) af met haar streng islamitische opvoeding. Nu wordt ze met de dood bedreigd.

Vragen hoe iemand het stelt, geldt meestal als gepaste gespreksopener. Maar wat als je gesprekspartner de klok rond foto’s van geweren of IS-video’s toegestuurd krijgt, niet meer naar buiten kan zonder belaagd te worden, en nog net niet verstoten wordt door haar familie? Hoef je haar dan nog te vragen hoe het gaat?

“Nou,” antwoordt Lale Gül, duidelijk gezegend met een gezonde portie Hollandse nuchterheid, “ik hou het hoofd wel koel. Gelukkig ontvang ik ook veel steun. Zo belt Femke Halsema (burgemeester van Amsterdam, red.) me dagelijks. Daarnaast krijg ik ontzettend veel berichten van jonge vrouwen en homo’s die zich met veel moeite ontvoogdden van hun islamitische maar evengoed ook gereformeerde, gezin. Met hen is het uiteindelijk goed gekomen, hopelijk dus ook met mij.”

Onheilspellende groeten van Sharia for Holland, cryptische dreigementen à la ‘Dood is de enige optie’, of plaatjes van trekkers die overgehaald worden: Gül openbaart alle haatberichten op Instagram, én geeft ze steeds door aan de politie.

“Ik weet niet hoe serieus ik die dreigementen moet nemen, maar ik wil dat de afzenders bestraft worden, en geen klein beetje ook. Het is toch niet normaal dat ik nu niet meer alleen de straat op kan? Veilig zal ik me pas voelen wanneer ik in een witte buurt woon, waar niemand weet wie ik ben.”

Gül groeide op in de Amsterdamse Kolenkitbuurt, ook wel bekend als de slechtste wijk van Nederland. Daar deelt ze nog steeds een “antiek kippenkrot”, zoals ze schrijft in Ik ga leven, met haar Turkse ouders en jongere broer en zus. Enkele jaren genoot ze een klein beetje vrijheid in de vorm van een kamer in het aanpalende appartement van haar ruimdenkende grootmoeder. Maar sinds die afgelopen zomer overleed, moest ze weer bij haar ouders intrekken. Het is een ongehuwde vrouw namelijk niet toegestaan op zichzelf te wonen; zonder toezicht zou ze tot de grootste zonden verleid worden.

“Mijn oma was mijn maatje. Haar verliezen én opnieuw bij mijn ouders intrekken vlak voor mijn boek uitkwam, was een grote klap ”, vertelt Gül vanuit het kantoor van haar uitgeverij, waar ze zich met een smoesje door haar broer liet afzetten. Ze heeft haar familie namelijk beloofd om voortaan te zwijgen.

“Veel mensen snappen niet waarom ik niet gewoon opkras. Dat heb ik wel geprobeerd, maar mijn ouders pakken dan gewoon mijn koffers af. Ook mijn broertje vindt dat ik niet mag vertrekken. Hoewel mijn broer niet achter alles staat wat ik heb geschreven, is hij momenteel wel mijn steun en toeverlaat. Ik voel me veiliger als hij in de buurt is. Bovendien heb ik de kracht niet om ook nog eens tegen hem in te gaan.”

Als zeventienjarige werd Lale Gül verliefd op een Nederlandse jongen: een absoluut verboden liefde volgens het geloof. Zelfs met een bekeerling, oftewel “nepmoslim”, zou ze van haar ouders niet mogen thuiskomen.

Drie jaar lang leidde ze een dubbelleven. Kuis gekleed en met bedekt hoofd draaide ze zogezegd extra avondshifts als vakkenvuller in de Albert Heijn. In werkelijkheid spoorde ze zonder hoofddoek en in nauw aansluitende kokerrokken naar haar vriend in Den Haag.

In Ik ga leven beschrijft Gül uitvoerig de moeizame planning en morele dilemma’s, maar ook de slopende onrust van haar verboden verhouding. In een erg expliciet hoofdstuk waarmee ze niet voor Turks fruit hoeft onder te doen, treedt ze in detail over haar grootste, maar ook meest geneugtevolle zonde.

Zo schrijft Gül: ‘Het bereiken van een orgasme was het grootst mogelijke genot dat ik kende in het leven. Nu snapte ik waarom de islam het zo vaak had over seks en maagden in het paradijs. Ik zou daar ook zo voor tekenen.’

Hoewel ze uit angst door haar familie verstoten te worden haar relatie uiteindelijk verbreekt, besloot Gül wel een ander leven te leiden dan hetgeen voor haar uitgestippeld was.

Uit ‘Ik ga leven’:

‘Muziek mag niet, daten is verboden, überhaupt alle buitenechtelijke romantiek en de daarmee ­gepaard gaande spanning en beroering is niet ­toegestaan, het op vakantie gaan zonder ­mannelijk familielid is uit den boze, het hebben van vrienden van het andere geslacht is onwettig, je leuk kleden en opmaken is ongepast, ’s avonds buiten zijn is niet geoorloofd, foto’s op sociale ­media zetten is niet vergund (…)’

En zo gaat de waslijst aan verboden nog een paragraaf of twee door, waarop de schrijfster zich afvraagt: ‘Wat is er dan nog vermakelijk in het leven? Of is het niet de bedoeling dat je je vermaakt? Moet ik leven als een kamerplant?’

Dat haar eerlijke woorden zo’n grote storm zouden teweegbrengen, had Gül naar eigen zeggen “niet zien aankomen”.

“Mijn schrijven was een coming-out”, legt ze uit. “Het was een manier om uit de kast te komen met mijn gevoelens over het mij opgelegde geloof. Met mijn ouders hierover een gesprek aangaan lukte niet. Dus hoopte ik dat ze mij via mijn boek misschien wel konden begrijpen, en accepteren.”

Geagiteerd gooit ze haar lange, zwarte haar over haar schouder.

“Nou, dat is dus een utopie gebleken. Ziedend zijn ze. Ze willen weten waarom ik het geloof, en bijgevolg dus ook alle moslims, heb beledigd. Als ik dan tegenwerp dat ik in een democratisch land het recht heb mijn mening te delen, ook als zij die beledigend vinden, worden ze helemaal gek.”

Ze heeft de vuile was buiten gehangen, verwijten haar ouders haar. En in een gesloten gemeenschap waar “zowat alles” taboe is, is dit misschien nog wel het grootste taboe van allemaal.

Uit ‘Ik ga leven’:

‘Alles wat persoonlijk, openhartig, intiem en ­menselijk is, is taboe en potentieel materiaal voor een schandaal. Er zijn zo veel taboes in onze ­cultuur, dat ze het beter het taboeïsme konden noemen, niet te verwarren met het taoïsme.’

Spijt

Ondertussen heeft Gül zich erbij neergelegd dat ze de taboes van haar ouders waarschijnlijk nooit zal kunnen slopen. “Zij leven in een andere realiteit; we communiceren langs elkaar heen. Als ik als een vrijgevochten vrouw wil leven, zal ik in hun ogen altijd een hoer blijven. Onze werelden vallen simpelweg niet te combineren.

“Het beste wat ik kan bereiken, is dat ze me niet definitief excommuniceren, zoals veel van mijn neven en nichten wel hebben gedaan. Misschien kan ik ooit op iets meer begrip rekenen, maar ik zal altijd het zwarte schaap van de familie blijven.”

Of ze nog geen spijt heeft van al haar openhartigheid? “Lotgenoten prijzen me dat ik hier, in tegenstelling tot anderen, wel publiekelijk over durf te praten. Maar wat heb ik aan mijn moed als iemand me straks wat aandoet?”

Ze zegt het uiterst feitelijk, als sprak ze over iemand anders. Dan zucht ze. “Het knaagt aan me dat ik de levens van de mensen rond me verwoest heb. Mijn moeder is er helemaal ziek van; ze functioneert amper nog. Voortdurend spreekt ze over zelfmoord, ook in het bijzijn van mijn tienjarig zusje. Mijn vader kan niet meer in de moskee of supermarkt komen. Als hij zijn ronde als postbode doet, wordt hij voortdurend over mij op de vingers getikt. En mijn zusje moet op school aanhoren dat haar zus het geloof beledigt. Het arme kind heeft geen idee hoe ze daarop moet reageren.

“Was mijn boek dat allemaal waard? Eerlijk gezegd betwijfel ik dat soms.”

Als kind verslond Gül boeken die ze met een gratis pasje in de bibliotheek leende. Hele avonden verdween ze zo in werelden waar meisjes wél op avontuur trokken, er wél vriendjes van het andere geslacht op nahielden. Vaak tot grote ontsteltenis van haar moeder, die weliswaar geen Nederlands kon, maar vond dat ze haar vrije tijd beter aan het studeren van Koranteksten besteedde.

‘Het knaagt aan me dat ik de levens van de mensen rond me verwoest heb. Mijn moeder is er helemaal ziek van.’ Beeld Judith Jockel/laif
‘Het knaagt aan me dat ik de levens van de mensen rond me verwoest heb. Mijn moeder is er helemaal ziek van.’Beeld Judith Jockel/laif

Een carrière als schrijfster had Gül nooit serieus overwogen. Dat de studente Nederlands haar grieven in boekvorm goot, is te danken aan de aansporingen van vroegere docenten: schrijvers Kees ’t Hart en Arnon Grunberg. “Zij waren allebei erg enthousiast over het verhaal dat ik voor het vak creatief schrijven inleverde. Dat was een kladversie van het eerste deel van mijn boek. Grunberg overtuigde me daaraan verder te werken.

Dagboek van een afvallige, had ik het toen genoemd. Eerst twijfelde ik nog of ik wel volledig uit mijn eigen leven zou putten. Maar tijdens het schrijven merkte ik snel dat ik niet geïnteresseerd was in fictie. Oorspronkelijk had ik ook iedereen bij zijn echte naam genoemd, maar dat heb ik op het laatste moment veranderd – in de hoop dat ik er dan makkelijker mee wegkwam. Weer zo’n utopische gedachte.”

Waar Gül niet op inbond, was haar woede. Vooral over haar moeder laat ze zich erg hard uit. Zo lees je in Ik ga leven: ‘(…) bij ons is Moeder een vrouwelijke en islamitische Stalin, een ­Khomeini met een kut, een islamofascistische despotin, spijkerhard en nietsontziend, iemand die nooit een strobreed wijkt.’

Hoewel ze zich voorgenomen had compromisloos te zijn, is haar schrijven nog steeds niet “absoluut onverbiddelijk”, zegt ze. “Ik ben niet zo blasfemisch tekeergegaan als Gerard Reve destijds, die God ‘een eze’l noemde. Ik heb zelfs keurig ‘vrede zij met hem’ aan elke vermelding van de profeet toegevoegd, om mensen niet nog meer voor het hoofd te stoten. Maar binnen de islamitische cultuur is mijn boek al schandalig genoeg.”

Zo vormt haar debuut meteen ook het einde van haar prille carrière als islamkritisch schrijfster.

“Eerst en vooral omdat ik mijn ouders beloofd heb niet meer te publiceren. Misschien pik ik later, wanneer de storm is gaan liggen, weer mijn pen op. Maar over de islam zal ik niet meer schrijven. Dat durf ik niet meer.”

Homofobie

In Ik ga leven hekelt Gül meermaals progressieven die de problemen van de pluriforme samenleving niet erkennen. Zo schrijft ze: ‘Het huwelijk tussen links Nederland en lichtgetint-orthodox-Nederland is er een dat barst van de ongerijmdheden en dat niet te doorgronden valt. Een gemeenschap (…) met gesluierde vrouwen, vrouwen die achter de mannen bidden in de moskee, tegen abortus, tegen homo’s en transgenders, tegen genderneutraliteit, tegen vrijheid van meningsuiting in de vorm van satire, (…) wat had die gemeenschap in godesnaam te zoeken bij het inclusieve links met de geheven regenboogvlaggen? Wie stemt er nu Erdoğan in het ene land en PvdA in het andere?’

“Onlangs werd enkele Nederlandse feministen gevraagd wat ze van de ophef over mijn boek vonden”, vertelt Gül. “Die vrouwen antwoordden dat het niet aan hen was zich daarover uit te laten. Dat vind ik dus totale onzin. Als het over witte mannen gaat, mogen feministen helemaal losgaan. Maar hebben die mannen een andere huidskleur, dan is het ineens hun zaak niet meer.

“Iedereen weet dat de islam vrouwonvriendelijk is, maar dat mag je niet hardop zeggen. Daarbij hoef je om als meisje beperkt te worden niet eens uit zo’n streng gezin te komen. Ik ben echt geen uitzondering.”

Ze blaast boos door haar neus; haar verontwaardiging heeft ze duidelijk nog niet opgeborgen.

En wat denkt de schrijfster van een Belgische actiegroep als Baas Over Eigen Hoofd (BOEH!)? Een vereniging van moslima’s die zichzelf een “feministisch en antiracistisch platform” noemt, opgericht als antwoord op het hoofddoekenverbod in, onder andere, het gemeenschapsonderwijs.

“Komen deze dames ook op voor de afvalligen, de holebi’s, de meisjes die een relatie of seks willen zonder te trouwen?”, vraagt Gül. “Wie dat soort onderwerpen links laat liggen, is wat mij betreft geen echte vrijheidsstrijder. Witte mensen aanvallen omdat ze de hoofddoek verbieden is lekker veilig. Maar probeer ook een keer de misstanden binnen je eigen gemeenschap te belichten.”

Is dat niet het credo van de wokebeweging: wie geen deel uitmaakt van een bepaalde minderheid en dus haar ervaringen niet deelt, zwijgt er beter over? Gül: “Het is een verziekte toestand, dat wokenessdebat. Kritiek uiten op de islam wordt meteen als islamofoob of racistisch weggezet, maar dat klopt toch niet?

“In België heeft Maarten Boudry dat uitstekend onder woorden gebracht. Zo heeft hij uitgebreid geschreven over hoe hij als progressief, wit persoon eerst dacht dat je mensen met een andere huidskleur of geloof niet mocht bekritiseren. Want zij hebben een andere cultuur, en die moet je respecteren. Maar toen hij zich realiseerde hoe wijdverbreid homofobie en vrouwonvriendelijkheid in de islam zijn, is hij daarop teruggekomen. Hij is daarvoor verguisd, maar ik heb veel respect voor hem.

“In de pluriforme samenleving zoals we die in Nederland en België kennen, krijgt iedereen gewoon alle ruimte om te indoctrineren. In Koran­scholen wordt kinderen onderwezen dat homoseksualiteit een ziekte is, en dat een man zijn vrouw best een tik mag verkopen. Waarom zwijgen al die wokemensen daarover?”

Islamisering

Volgens Gül zijn bedenkelijke doctrines uit de islam ook problematisch voor niet-moslims. Sterker nog; ook hun vrijheden komen erdoor onder druk te staan. “Kijk naar Turkije”, zegt ze. “Niet zo heel lang geleden was dat nog een seculier land waar je op de universiteit geen hoofddoek mocht dragen. Maar sinds Erdogan de invloed van de islam steeds verder heeft uitgebouwd, moeten vrijdenkers vluchten om niet opgesloten te worden. Dat land heeft in een paar decennia echt een stap terug in de tijd gezet.”

Maar gaat die vergelijking wel op? Moslims waren in West-Europese landen altijd al een minderheid, en zijn dat ook nu nog steeds, wat soms ook beweerd wordt. Gül: “Ook bij ons vind je al voorbeelden van islamisering. In Zwolle en Den Haag galmt de gebedsoproep vier keer per dag door de straten van sommige wijken. In steeds meer grote steden in het westen van het land is het stilaan normaal dat homo’s hun geaardheid moeten verbergen en vrouwen hun kleding aanpassen, om niet lastiggevallen te worden door moslimjongeren.

“En kijk naar het Verenigd Koninkrijk; sommige steden werken daar gewoon met shariarechtbanken, die het vrouwen niet altijd toelaten te scheiden.”

Waarschuwingen voor een dreigende islamisering zijn vooralsnog voorbehouden aan populistische partijen. Toch zou volgens Gül “iedereen die een vrij leven wil leiden” zich zorgen moeten maken. Zelf ziet ze twee oplossingen.

Gül: “Er moet meer controle komen op het lessenpakket van Koranscholen en islamitische internaten. Tenzij we zeggen dat het in een democratie iedereen vrijstaat om homofoob en misogyn gedachtegoed door te geven. Maar in dat geval wil ik dat de overheid deze groep conservatievelingen zo klein mogelijk houdt. Want ik wil niet in een stad leven waarin ik voortdurend vuil aangekeken word omdat ik me opkleed of een wijntje drink.”

‘Ik wil niet in een stad leven waar ik voortdurend vuil aangekeken word omdat ik me opkleed of een wijntje drink.’ Beeld Judith Jockel/laif
‘Ik wil niet in een stad leven waar ik voortdurend vuil aangekeken word omdat ik me opkleed of een wijntje drink.’Beeld Judith Jockel/laif

Deze week hield Nederland Tweede Kamerverkiezingen. Bij welke politicus of politica gelooft Gül dat haar zorgen in goede handen zijn? “Het probleem is dat Nederland geen goede rechtse partijen heeft”, zucht ze.

“De PVV gaat gewoon lijnrecht tegen de grondwet in: een stem voor Wilders is een weggegooide stem. Dan heb je nog Thierry Baudet. Die leek aanvankelijk normaal, maar bleek een radicale, racistische gek te zijn. Hij heeft me destijds nog uitgenodigd om op zijn partijbijeenkomst te spreken. Ben ik blij dat ik daar toen niet op ingegaan ben.”

Ziet ze zichzelf nog de politiek ingaan?

Gül: “Een islamkritisch boek schrijven is één ding, maar als politicus diezelfde dingen aankaarten is nog wat anders. Dan word je echt vogelvrij verklaard. We weten allemaal hoe het Ayaan (Hirsi Ali, red.) vergaan is. Zij moest voor haar eigen veiligheid naar een ander continent verkassen, waar ze ook nog eens permanent onder bewaking stond. In zo’n leven heb ik geen zin.”

Voorwaardelijke liefde

‘Eigenlijk haat ik mijn verwekkers. In alles wat ik wil en waar ik voor sta in het leven zitten ze me alleen maar dwars’, schrijft Gül in Ik ga leven. Later bezint ze: ‘De sterkste haat is de haat die ooit liefde was. De sterkste haat is ontgoochelde liefde.’

Houden haar ouders, ondanks haar toch redelijk onverbiddelijke boek, nog van haar? Gül: “Zolang ik me aan hen aanpas, anders niet. Het is voorwaardelijke liefde. Maar ze zijn wel bezorgd om mijn veiligheid, dus kennelijk houden ze toch nog van me.”

En houdt zij wel nog van haar ouders?

“Ja”, antwoordt de jonge schrijfster meteen. “Dat maakt het ook zo moeilijk om thuis te vertrekken. Ik neem het hen niet kwalijk dat ze zijn zoals ze zijn. Ze weten niet beter, zo zijn zij nu eenmaal opgevoed. Individualisme zegt hen niks.

“Mijn moeder heeft mijn nummer doorgespeeld aan allerlei imams die me nu voortdurend opbellen. Zogezegd goed bedoeld, maar eigenlijk super passief-agressief manen zij me aan berouw te tonen, me opnieuw te bekeren. God heeft zijn deuren nog niet voor me gesloten, menen ze. Dit is mijn kans, want ik wil toch niet naar de hel gaan?

Dat ik gewoon met rust gelaten wil worden, snappen zij niet.”

Toch wil Gül zichzelf niet ongelovig noemen.

“Dat woord veroorzaakt in mijn gemeenschap echt een totale kortsluiting. Daarom zeg ik dat ik nog geloof, maar wel op mijn eigen manier, zonder al die stomme regels. Dan vinden mensen me op een of andere manier toch sympathieker.

Daarbij wil ik ook duidelijk maken dat je niet per se het geloof de rug hoeft toe te keren. Ik zal niemand afraden een hoofddoek te dragen of naar de moskee te gaan. Zolang je je maar niet door al die voorschriften laat tegenhouden om te zijn wie je wilt zijn.”

Onderhandelen

‘Ik zie te weinig medestanders’, schrijft Gül in Ik ga leven. Koestert ze de hoop dat haar boek nu toch iets in gang heeft gezet? “Alle haat en dreigementen die ik nu over me heen krijg, schrikken lotgenoten af om publiekelijk mijn voorbeeld te volgen. Maar ik geloof wel dat ze binnenshuis steeds vaker de strijd zullen aangaan – of dat schrijven veel meiden mij alleszins toch.”

In eerdere interviews gaf Gül te kennen dat ze naast het neerleggen van haar pen alsnog met een Turkse man zou trouwen, zoals haar familie verwacht. Toch wel een erg groot compromis voor iemand die jonge vrouwen oproept hun eigen verlangens te volgen.

Gül: “Dat heb ik toen wel gezegd, maar eigenlijk sta ik daar al niet meer achter. Ik dacht dat het beter zou zijn een ruimdenkende Turkse man te vinden, om niet alsnog door mijn familie verstoten te worden. Onbewust cijfer ik mezelf nog steeds weg om hen te behagen. Zo geconditioneerd ben ik om met mijn hoofd in plaats van mijn hart te denken. Maar in de liefde valt natuurlijk niet te onderhandelen; je kiest niet op wie je verliefd wordt. Een relatie is momenteel echter wel mijn allerlaatste prioriteit. Eerst wil ik gewoon vrij en veilig zijn.”

Vlak voor het ter perse gaan laat Gül weten dat ze alsnog de knoop heeft doorgehakt en thuis is vertrokken.

“Ik trok het gewoon niet meer. Mijn ouders werden agressief toen ze ontdekten dat ik nog interviews gaf; ze lieten me niet meer naar buiten. Nu woon ik bij een vriend. Waar dat is, kan ik voor mijn veiligheid niet zeggen.”

Lale Gül, Ik ga leven, Prometheus, 304 p., 20 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234