Maandag 23/05/2022

Laatste der flandriens wachtte op de Ronde...

Uitgerekend op de hoogdag van de Vlaamse wielersport heeft wielerlegende Albéric 'Briek' Schotte het tijdige voor het eeuwige verwisseld. IJzeren Briek, die al geruime tijd zwaar ziek was, blies zijn laatste adem uit in zijn slaap, kort na de start van de Ronde van Vlaanderen, de wedstrijd die hij tweemaal op zijn naam wist te schrijven. Het peloton reed op dat ogenblik vlak bij zijn standbeeld in Kanegem, zijn geboortedorp. Alsof hij had gewacht... Als eerbetoon een bewerking van het gesprek dat De Morgen-journalisten Jeroen de Preter en Tony Landuyt twee jaar geleden, in de aanloop naar de Ronde van Vlaanderen, met hem hadden.

Kanegem

Van onze verslaggevers

Jeroen de Preter / Tony Landuyt

Tweeëntachtig jaar is hij, en even onverslijtbaar als zijn populariteit. Schotte zegt ons dat hij moe is, zo moe dat hij eraan twijfelt of hij nog wat voor ons kan betekenen. Maar van die vermoeidheid valt alleen aan het begin van ons interview wat te merken. Zoals zijn benen ooit beter werden met de kilometer - "de eerste honderd kilometers deden altijd het meeste zeer" -, zo wordt vandaag zijn tong losser en zijn geheugen scherper naarmate het gesprek zijn einde nadert. Een einde dat volgens Schotte met champagne dient te worden beklonken.

Geen sportman die zo vergroeid is met zijn vak als Briek Schotte. Bijna zeventig jaar geleden begon hij aan een wielercarrière die alles bij elkaar een halve eeuw zou duren. Toen in 1959 de bobijn op was, startte hij een even succesvolle loopbaan als sportbestuurder bij illustere ploegen als Flandria en Kas. Begin jaren tachtig trok hij zich noodgedwongen uit zijn sport terug, maar hij bleef nog lange tijd minstens 50 kilometer per dag fietsen. Tot hij vier jaar geleden aan de nierdialyse moest. "Sindsdien is het ziekenhuis mijn tweede verblijfplaats." Er volgt een groen lachje. "Ik mis het fietsen nog elke dag. De koers is mijn leven. Al van jongs af was ik er zot van. Wanneer er hier in de buurt een koers is, ga ik altijd eens kijken. Alleen als het te ver is, volg ik het op tv."

Er was een tijd dat Briek Schotte zijn passie verborgen moest houden. Zijn eerste koersen reed hij in het geniep. Vader Schotte had het immers niet zo begrepen op de wielersport. "Mijn vader is geboren in 1877", vergoelijkt hij. "Hij was van een totaal andere tijd. Hij heeft de Eerste Wereldoorlog nog meegemaakt en veel miserie gekend. Volgens hem was er maar één manier om door het leven te gaan: werken, werken en nog eens werken. Ik had toch andere dingen in gedachten. In het begin was koersen vooral een manier om aan het labeur op de boerderij te ontsnappen. Toen ik merkte dat ik er ook nog een goeie boterham mee kon verdienen, was de keuze rap gemaakt."

Als Briek Schotte vertelt over zijn beginjaren , de oertijd van de wielersport, blijkt hoe fenomenaal zijn geheugen wel is. Plaatsnamen, de namen van de tegenstanders, zijn plek in de rangschikking van kleine en grote koersen, bij nazicht achteraf blijkt het allemaal tot in de details te kloppen. Dat hij zich ook telkens nog exact herinnert hoeveel prijzengeld deze of gene zege of ereplaats hem opleverde, zal wel geen toeval zijn. "Mijn eerste wedstrijd reed ik in 1934, ik was nog geen vijftien jaar. Er waren tien prijzen te winnen, maar er hadden zich maar zeven renners ingeschreven. Dus vroegen ze me of ik eens mee wilde doen."

"Het was een tonnenkoers in Desselgem, georganiseerd door twee cafébazen. De renners moesten rondjes rijden rond twee biertonnen die ze voor hun cafés hadden gezet. Ik werd vijfde en kreeg 15 frank: drie grote stukken van vijf frank, dat weet ik nog goed want er zat geen gat in die munt. Ik dacht dat ik de rijkste mens ter wereld was. Vijftien frank was toen nog veel geld hé. Een krant kostte voor de oorlog 35 centiem... (rekent een kwartseconde), dat is honderd keer minder dan nu! Het minimumloon was in die tijd ongeveer 40 frank per dag. Daar moest je tien uur voor werken. Terwijl je bij de juniores toen al 400 frank voor een overwinning kreeg. In een kermiskoers voor profs heb ik vlak voor de oorlog zelfs eens 16.000 frank gewonnen. En niet alleen de winnaar kreeg geld, hé. Er waren soms prijzen voor de eerste vijfentwintig renners.

"In 1935 heb ik mijn eerste twee wedstrijden gewonnen: kermiskoersen van vijftien rondjes van telkens 3 kilometer. Veel stelde dat niet voor, maar toch: je leerde er het vak."

Zijn eerste ophefmakende zege behaalde Schotte - een coureur die het als niet-spurter vooral van lange solovluchten moest hebben - pas in 1939, letterlijk aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Mede dankzij een tussenkomst van Karel Van Wijnendaele, als auteur van het eertijds buitengewoon invloedrijke standaardwerk Het rijke Vlaamse Wielerleven, mocht Schotte zijn gang gaan in de Omloop van het Westen, een Franse etappewedstrijd, zijn eerste ervaring in het buitenland. Schotte laat de kans niet liggen. Na vijf ritten stond hij aan de kop van het algemeen klassement. "Dat was een serieuze prestatie", herinnert hij zich, "want ook Georges Speicher (dat jaar kampioen van Frankrijk, in 1933 zowel winnaar van de Tour als van het WK, JdP/TL) was erbij."

Schotte zou die Omloop van het Westen uiteindelijk ook winnen, al was de afloop wel bepaald bizar te noemen. "Toen ik aan de leiding stond, brak plots de Tweede Wereldoorlog uit. De koers werd onmiddellijk stopgezet en ik werd tot winnaar uitgeroepen. Dat was nogal iets. Iedereen werd plots stil en wilde naar huis. Ik keerde terug met een trein die vol soldaten zat. Aan de stations stonden allemaal vrouwen en moeders die afscheid namen van hun mannen en zonen."

De Tweede Wereldoorlog heeft de carrière van Schotte uiteraard geen goed gedaan. Toch was er nog af en toe gelegenheid om zijn carrière verder uit te bouwen. "Ik trok mij uit de slag", zegt Schotte. "Bovendien was ik de oudste van zes: ik moest niet naar het leger. Als het nodig was, kon ik me thuis nuttig maken op het land, en het koersen lag in die tijd ook niet helemaal stil. In 1940 werd er bijna niet gekoerst, maar een jaar later kwamen de Duitsers al wat meer tegemoet aan de wensen van het volk. Ze wilden dat het leven weer zijn oude gang ging.

"Al bleven het natuurlijk de bezetters. Wij hadden niets te zeggen. Aanvankelijk lieten ze vooral kermiskoersen toe. De Ronde van Vlaanderen werd ook gereden, maar de renners moesten wel de kleine wegen gebruiken. Op de grote baan van Gent naar Brugge of van Brugge naar Kortrijk mochten we niet rijden want die wegen wilden de Duitsers vrijhouden voor hun tanks. Dus moesten we langs die kleine wegen vol putten en stenen."

En dus zag Schotte in die 'oorlogsrondes', zoals later in zijn carrière overigens nog wel vaker zou gebeuren, zijn tube tot drie keer toe leeglopen. "In de Ronde van 1941 reed ik een tweede keer plat in Vinderhoutem, of een van die domme gemeentes daar in de buurt. Ik leg een nieuwe tube op mijn wiel en zet de achtervolging in. Maar na een paar kilometer rijd ik weer plat. Daar stond ik, zonder tube. Er was nergens een auto te zien, en treinen of trams reden daar natuurlijk ook niet. Gelukkig kwam ik in Lovendegem een ventje tegen dat me kon helpen. Samen hebben we mijn tubes gerepareerd. Dankzij dat ventje ben ik nog thuis geraakt." (mijmerend) "De oorlog was een speciale tijd om te koersen. Wij mochten bijvoorbeeld niet met derailleurs (versnellingsapparaten, TL/JdP) rijden. Die waren vreselijk duur in die tijd. Omdat de armere renners zich geen derailleurs konden veroorloven, werden ze verboden."

Schotte won de Ronde van Vlaanderen in 1942 en in '48. Vooral die tweede zege schat hij hoog in. "De Ronde van 1942 stelde internationaal niet zoveel voor. Er deden een paar Hollanders mee en dat was het dan. In 1948 startten er zeker 270 renners. Het was de laatste keer dat ze er nog zoveel toelieten. Alle grote Italianen waren erbij. Fiorenzo Magni (drievoudig Ronde-winnaar, JdP/TL) deed toen voor de eerste keer mee, al heb ik hem de hele dag niet gezien. Wij zijn toen met vieren vroeg in de aanval gegaan. Marcel Ryckaert, Albert Ramon, Raymond Impanis en ik. Ryckaert ontsnapte in Aalst, maar even voor Wetteren, waar toen nog de aankomst lag, hebben we hem teruggepakt. Ik won in de sprint. Sprinten was mijn sterkte kant niet, maar de aankomst lag op een strook vals plat met slechte stenen."

Schotte ging de geschiedenis in als kasseispecialist. In die dagen was dat meer nog dan vandaag een grote troef. "De wegen lagen er toen veel slechter bij. Kasseien waren geen uitzondering. De afdaling van de Kwaremont was het ergste: daar reden altijd wel een stuk of veertig renners plat. Ik kon goed over stenen rijden. Niet moeilijk: als ik in mijn buurt ging rijden was het niets anders dan stenen, ik was dat gewoon. En toch heb ik Parijs-Roubaix nooit kunnen winnen. In 1946 was ik er wel dichtbij. Ik was mee met de goede ontsnapping, maar in volle finale brak mijn wiel. Een toeschouwer heeft me toen langs de kant van de weg opgepikt en naar huis gebracht. 1946 was voor mij trouwens een heel goed seizoen. Ik won de Omloop van de Vlaamse Gewesten, Parijs-Tours, Parijs-Brussel, de Ronde van Luxemburg, in de Ronde van Vlaanderen was ik derde en in het Belgisch kampioenschap tweede."

Briek Schotte geldt in Vlaanderen als het archetype van de lijdende renner. Alleen al hem zien fietsen deed pijn. Zijn neus raakte in volle inspanning bijna de drinkbus - die toen nog op het stuur gemonteerd werd -, fietsen was bij hem geen zaak van peddelen maar van stampen. Stampen "tot ge niet meer weet van welke parochie ge zijt", zoals hij het zelf ooit zo treffend formuleerde. "Ik kon afzien", knikt Schotte. "Maar je moet dat ook niet overdrijven. Ik was niet de enige die dat kon. Wij waren wel verplicht om af te zien. Wij hadden geen maandloon zoals de renners nu. We moesten om de prijzen rijden. Als je niet aan de eindstreep geraakte, had je geen geld. En wij moesten in die tijd alles nog zelf betalen: de trein, het materiaal, het logement, enzovoort. Als je nooit prijzen reed, hield je er geen frank aan over."

Vlaanderen heeft niet op zijn dood gewacht om voor deze wielerlegende een monument op te trekken. In zijn geboortedorp Kanegem, langs het parcours van de Ronde van Vlaanderen, staat sinds 1997 zijn standbeeld. Het beeld staat er goed. Met zijn twintig deelnames is Briek Schotte de absolute recordhouder en het is zeer de vraag of iemand hem dat record ooit zal afpakken.

Zijn erelijst is al even imposant. Acht keer haalde hij het podium, twee keer ging hij met de bloemen naar huis. Het had nog beter gekund, als Schotte ook niet tevens de kampioen van de materiaalpech was geweest. "Om te winnen moet je ook een dosis geluk hebben", zegt Schotte. "En in mijn tijd was geluk nog bepalender dan nu. Er waren nog geen mecaniciens of helpers om een wiel af te staan. Wij hadden altijd twee tubes bij. Als we plat reden, moesten we zelf een nieuwe tube leggen. Het was dikwijls een kwestie van zo rap mogelijk een tube te kunnen leggen en weer aan te sluiten bij de kop. Ik kon dat nogal goed, tubes leggen. (lacht) Als je dat veel moet doen, word je daar vanzelf goed in. Al kon dat als het koud was en regende een vreselijk lastige bezigheid zijn."

Als er één renner is die de geest van Briek Schotte verder doet leven, dan wel Johan Museeuw, ondanks zijn veel imposantere postuur de erfgenaam van Schottes eretitel, 'de Laatste der Flandriens'. Schotte knikt bewonderend. "Museeuw kan ook afzien. Hij is nog nen tiep van vroeger, een flandrien zoals ze zeggen. Hij is ook een renner die nooit zeurt. Johan is nu wat over zijn hoogtepunt heen, wat normaal is op zijn leeftijd. Maar als je zijn erelijst ziet... Er zijn er niet veel die in zijn buurt komen hé."

Misschien is er nog wel een tweede parallel tussen de twee flandriens. Schotte was veertig toen hij zijn fiets aan de kant schoof, vier jaar nadat hij met Gent-Wevelgem nog een klassieker had gewonnen. Ook Museeuw kon kennelijk niet gemakkelijk een punt achter zijn carrière zetten. "Hij kan niet stoppen omdat hij het zo graag doet", stelt Schotte. "Ik kan dat heel goed begrijpen. Ik ben blijven koersen tot mijn veertigste omdat ik het zo graag deed."

Van zijn prestaties in de Ronde van Frankrijk geeft Briek Schotte niet hoog op. Nochtans stond hij in Parijs ooit op het podium, naast de toen onoverwinnelijke Italiaanse berggeit Gino Bartali, tweevoudig winnaar van de Tour, drievoudig winnaar van de Giro. "Ik was niet gemaakt om de Tour te rijden", vertelt Schotte, "maar door niet af te geven, kon ik soms wel met de besten mee. In 1948, op het hoogtepunt van mijn carrière, werd ik tweede, ja, maar winnen zat er toen nooit in. Ik eindigde op vijfentwintig minuten van Gino. Gino was op dat moment onklopbaar, de Campionissimo. Hij won de ene rit na de andere en bood de toeschouwers een prachtig spektakel."

Schotte genoot in zijn hoogdagen een enorme populariteit. Vandaag is hij een van die schaarse figuren die nog bij leven een mythe werden. Naar een verklaring moet hij niet lang zoeken. "Ik denk dat het een gevolg was van mijn manier van koersen. Ik bood de mensen spektakel. Door altijd in de aanval te trekken en nooit af te geven. Zo ben ik twee keer wereldkampioen geworden, en zo heb ik twee keer de Ronde gewonnen. Dat vergeten de mensen niet zomaar. Dat appreciëren ze nog altijd."

De originele versie verscheen ook in het boek Koers van Jeroen de Preter en Tony Landuyt.

Briek Schotte is een van de schaarse figuren die nog bij leven een mythe werden. 'Omdat ik de mensen spektakel bood. Door altijd in de aanval te trekken en nooit af te geven'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234