Zondag 17/11/2019

laat ons maar Mosjen op de Apenplaneet

Vier op de vijf jongeren zeggen graag te wonen in de eigen buurt. Maar net zo goed vindt 66 procent dat er geen zak te beleven valt. En dat de onverdraagzaamheid tegenover rondhangende jongeren toeneemt. 'Zit je binnen achter de pc, dan moet je buiten gaan spelen. Ga je buiten, dan jagen de flikken je weer naar binnen.' Bericht uit De Nieuwe Stad, bijgenaamd de Apenplaneet, Oostende.

Door FILIP ROGIERS / Foto TIM DIRVEN

Het is een landerige vakantiedag in augustus, een van de laatste. Tatjana, Djenna en William komen het gemillimeterde grasveld opgewandeld. Plots duikt achter hun rug nog een zevental andere jongeren op. De jongste is twaalf, de oudste twintig. Eén telefoontje van de lokale jeugdwerker naar één van hen volstond om ze te mobiliseren.

Vragen hebben ze ook amper nodig. Het verhaal gutst eruit en het laat zich als volgt samenvatten. Wat is er in De Nieuwe Stad te beleven? Niets. Wat zouden ze willen doen als ze konden en mochten kiezen? Mosjen, rondhangen. Wat krijgen ze? Ambras en gezaag aan hun kop.

Maar fier zijn ze wel. Op het schamele lokaaltje dat ze dankzij vormingscentrum Arktos hebben gekregen van de socialehuisvestingsmaatschappij De Oostendse Haard. Een oude, leegstaande wasserette waar ze zich deze zomer met enige potten verf eens goed hebben mogen uitleven. Ze hebben er hun eigen plek van gemaakt. Twee dagen hebben ze geklad, gekliederd en zich rot geamuseerd.

Als beloning mochten ze er een nachtje kamperen. Ook toen volstond één telefoontje, van een buur, om het feestje op te breken. De nachtelijke politiepatrouille wist niet eens van het bestaan van de jongerenwerking af. Ze zag en hoorde wat zovele ouderen zien en horen: overlast veroorzakende jongeren. Klik, het plaatje weer eens vastgelegd. En over de film van het collectieve geheugen heen geprojecteerd. Jongeren en overlast, ze komen vaak in een en dezelfde zin voor. 480.000 hits op Google.

Maar zo vreemd is dat telefoontje van de buren nu ook weer niet. Niet de schuld van de jongeren of de buren, wel van de ruimtelijke planners. Geen tien meter scheidt het geïmproviseerde jeugdlokaaltje van de hoge rug van het woonblok aan de overkant. Het zit er allemaal op elkaar en toch kent het elkaar niet, wil het elkaar niet kennen. Arktos moest het doen met de locatie die in de buurt maar te vinden was. Dat is zowat het verhaal van De Nieuwe Stad en van gelijkaardige buurten in Vlaanderen.

Op een dag verscheen er in De Nieuwe Stad een strandcabine. Een cadeautje van een attente buurtbewoner, de eigenaar van het enige winkeltje in de hele buurt. Voor de Tatjana's en de Williams van deze wijk die al jaren om een hangplek vroegen. Ze stond daar mooi en tegelijk wat vreemd te wezen, die cabine, want van een zeegevoel merk je hier niet meteen iets in deze wijk die wat van het centrum van Oostende afgezonderd ligt.

Drie grauwe woonblokken, een rist een- en tweegezinswoningen en verder: geen bakker, geen schooltje of kantoor. Enkel dus dat ene buurtwinkeltje en een dienstencentrum, maar dan voor senioren.

Meer dan 2.000 gezinnen leven hier op elkaars lip. Jaag er de aloude Sociaal Impulsfondsindicatoren nog eens door, en voor De Nieuwe Stad springen alle lichtjes op rood: werkloosheid, invaliditeit, bejaarden, leefloners, crisisopvang... De Nieuwe Stad heeft, in het jargon, "weinig positieve bewoning". Dit alles op nog geen twee vierkante kilometer. Het lijkt wel een experiment: hoeveel verzuring kan een slechte ruimtelijke planning genereren?

Arktos heeft wel meer projecten in zulke buurten, meestal op vraag van stad of gemeente. "Het vertrekt dan vaak van een probleemanalyse", vertelt Leen De Wit. "Meestal gaat het om buurten waar er intergenerationele conflicten zijn. Wijken met veel bejaarden en gezinnen met jonge kinderen. Iedereen wil zijn stukje van de publieke ruimte en dat gaat vaak gepaard met claimgedrag."

Vertaald naar De Nieuwe Stad en van oud naar jong: loop niet dáár, ga ginder niet hangen, weg die brommer, gewoon weg verdomme. Tot die goed bedoelende buurtbewoner zijn hart liet spreken en een strandcabine in het midden van de wijk plaatste.

"Een maand heeft die strandcabine er gestaan", vertelt Joeri, medewerker van het Jongerenadviescentrum (JAC), zelf tot zijn twintigste een bewoner van De Nieuwe Stad. "Daarna ging ze in vlammen op. Toen was het terug naar af, werd het alleen maar moeilijker om toch nog iets gedaan te krijgen."

Inmiddels zijn we drie jaar verder. Jeugdwerkers Karel en Dries van vormingscentrum Arktos tasten nog altijd de mogelijkheden af om vooralsnog in de wijk een 'hangplek' te versieren. "Al is het maar een afdak", vertelt Karel. "Maar het is op eieren lopen. Je moet rekening houden met vele gevoeligheden en belangen. Buurtbewoners, stad, politie..."

Vaak betalen steden de prijs van de ruimtelijke planningsinzichten van een vorige generatie. Ze moeten het doen met wat er maar is. "De Vlaamse regering wil extra sociale woningen bouwen", zegt Karels collega, Steven Lapauw, Arktosverantwoordelijke voor West-Vlaanderen. "Dat is goed, maar de socialehuisvestingsmaatschappij hier heeft maar deze gronden ter beschikking en dus wordt de weinige ruimte die er over is, verder dichtgebouwd."

Uiteindelijk kregen de jongeren dus toch een afgedankte wasserette. En nog was het niet goed voor de buren. "Er is een petitie rondgegaan tegen het centrum", zegt Tatjana. "Ook onze ouders vonden dat overdreven. 'Wat voor wijk is dat, waar jongeren niet welkom zijn?', zeiden ze. Wij zouden met onze ouders ook een petitie kunnen beginnen, hoor, tegen de zeurende buren."

"Anderhalf jaar hebben we het lokaal zo nu en dan met zijn allen wat opgeknapt", zegt Karel. "Maar dan kreeg je de reactie: 'Is dat nu nog altijd niet af? Wat doen die jongeren daar hele dagen?' Terwijl het hele werk natuurlijk in het opkalefateren zelf zit, in wat die jongeren hier ondertussen opsteken."

Wat ze zoal leren, de jongeren van De Nieuwe Stad, is niet altijd positief. Zeker niet over de volwassenen in de buurt. Maar ze houden er al op jonge leeftijd een stevige dosis zwarte humor aan over. "Deze wijk wordt de Apenplaneet genoemd", grijnst één van hen. "Raad eens wie de apen zijn?" Aanvankelijk noemden de jongeren hun lokaal ook niet zonder zelfspot 'R.I.P.', maar dat - vond de begeleiding - was toch een beetje te uitdagend naar de buurt toe. Actie en reactie, kat en muis. Iemand moet het doorbreken.

De jongeren van De Nieuwe Stad passen maar half in de statistieken. Van de ruim 35.000 tieners die meededen aan de Kliksonsbevraging van Jeugd en Stad in 2004 zei 93 procent zich 'thuis' te voelen in zijn of haar buurt. Maar driekwart mist toch heel wat: 55 procent vindt dat er te weinig te beleven valt voor jongeren, 30 procent heeft te weinig vrienden of vriendinnen in de buurt wonen, 21 procent mist groen en 17 procent vindt dat ze er te weinig kunnen rondhangen.

Bij de jongeren van de Apenplaneet staat de laatste klacht bovenaan. Ze voelen zich met de nek aangekeken. En ze weten heel goed van zichzelf welk imago ze meetorsen in de buurt. "De mensen voelen zich niet op hun gemak omdat we zogezegd in een bende zitten", haalt een van hen de neus op. "Hangjongeren, dat zijn wij."

Al zeggen de begeleiders dat het wel 'meevalt', de jongeren voelen zich geviseerd door buren en politie. "Oprotten! Dat kunnen we het best", zegt de een. "Niet iedere agent doet vervelend", zegt een andere jongere, "maar het gebeurt toch vaak. Naam, identiteitskaart, adres, geboortedatum. En dat we weg moeten, dat krijgen we ook veel te horen. Eerst mochten we niet op de bankjes hier, dan niet meer op de bankjes ginder. Ga maar naar de Konterdam (naburige wijk, FR), zeiden ze dan. Twee dagen later moesten we daar ook weg."

"Waar we ook zitten", vat een jongere het gevoel ongewenst te zijn samen, "we worden weggepest. Zodra we met meer dan twee samen zijn, worden we beloerd. Het is nooit goed. Zit je binnen achter de pc, dan moet je buiten gaan spelen. Ga je buiten, dan jagen de flikken je weer naar binnen."

Karel nuanceert. "Soms komen er wel eens ouders of buurtbewoners een praatje slaan en kijken wat we hier allemaal doen. Dat breekt het ijs. Maar ja, je hebt ook de mensen die van op een afstand blijven toekijken en wat ze dan zien, is niet zo fraai: 'Aha, dat zootje ongeregeld dat meestal buiten op de bankjes zit, hokt nu daar samen. Wat zou er dáár niet allemaal gebeuren?' Als er één een wieltje trekt met de brommer, heeft iedereen het gezien. Dat er ondertussen binnen tien jongeren goed bezig zijn, ziet niemand. Het is niet makkelijk om die vooroordelen eruit te krijgen, als er geen contact mogelijk is. Het is veel moeilijker om de buurt erbij te betrekken dan om uit de jongeren zelf iets positiefs te halen."

Echt veel vragen Tatjana en co. nochtans niet. Ze hoeven geen skateramp, geen sportcomplex of bijzondere activiteiten. Het mag, natuurlijk, maar het luidst roepen ze nu al jaren aan een stuk om een plek waar ze "mogen mosjen met mekander", zonder dat er om de haverklap een reprimande volgt.

Buiten de eigen wijk voelen ze zich niet per se meer welkom. Boven hun hoofden hangt ook de schaduw van het 'zinloos geweld' die over de stad trok, nadat in februari 2007 Bart Bonroy werd neergestoken, en na de recente incidenten van de afgelopen zomer. De schijnwerpers hinderen hen.

"Tja, daar staat Oostende vandaag bekend voor", schampert een van de jongeren. "Onzin. Dat heb je toch overal? Aan de andere kant is het niet zo vreemd dat ze naar ons kijken. Bartje was ook een jonge kerel. En nadat die andere jongen deze zomer het hoofd werd ingeslagen met een skateboard, moesten we ons ook niet meer laten zien in de buurt van het Casino. Als we daar rondhangen, worden we langs alle kanten bekeken."

Ook elders in de stad lieten het geweld en de spots die sindsdien op de stad gericht staan, sporen na. "Het was een redelijk ontvlambare situatie na de incidenten", zeggen Lynn en Niek, die actief zijn in jeugdhuis OHK, dat door de dader van de steekpartij vorig jaar werd gefrequenteerd. "Er was veel kwaadheid. Die jongeren wisten ook niet goed hoe ze daarop moesten reageren. Ouders trokken hun jongeren weg uit het jeugdhuis."

Maar de schok had ook een louterend effect. Het stadsbestuur neemt de problematiek ter harte en ondersteunt mee The Happiest Parade on the Planet, de parade tegen zinloos geweld van 5 oktober aanstaande.

"Misschien komt er dan nog iets goeds uit", zegt Niek. "Toen we met het initiatief naar het stadsbestuur trokken, dachten we: dit wordt weer trekken en duwen. Maar na een halve minuut bij de burgemeester was het beklonken. De stad heeft deze zomer ook structurele oplossingen beloofd. Ze hebben veiligheidsspecialist Brice De Ruyver aangetrokken en hij bestudeert nu echt het hele spectrum: preventie en repressie. Er is iets veranderd in deze stad. Het is niet zo dat de politieke overheid iets tegen hen heeft, maar het is een zoveel moeilijker groep. Voor de kleintjes kom je er met een speeltuintje, en voor ouderen en toeristen vinden ze ook wel altijd iets. Alleen met die rondsjoelende jongeren die in groepjes op straat luidruchtig staan te wezen, weten ze soms geen weg."

De mensen voelen zich niet op hun gemak omdat we zogezegd in een bende zitten. Hangjongeren, dat zijn wij. Oprotten! Dat kunnen we het best

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234