Maandag 23/05/2022

L'harmonie

'U mag blijven zolang ik rijd', zegt de buschauffeur. Hij wijst begripvol naar mijn kruk. En luistert naar mijn verhaal. Ja, ik zou zeker bijtijds verlost zijn van mijn gips, had de chirurg me gezegd, maar hij besliste alsnog om me twee extra weken op te zadelen met een blok aan mijn linkerbeen. Dat ik die maar op het einde van mijn verblijf in Chartres moest laten verwijderen. Dat ik niet moest schrikken van mijn fel verminderde spiermassa. Dat sommige patiënten zo aangedaan zijn dat ze het bewustzijn verliezen. Dat ik kortom mijn plan moest trekken. En dus zit ik hier in een pendelbusje. Die rijden gratis in een strakke, korte lus om het oude stadscentrum heen. Aanvankelijk pikkel ik zo amechtig vooruit dat ik de kordate beslissing neem om Chartres bij wijze van voorspel te omsingelen.

In die zogenoemde navette zit ik goed. Het aantal krukken overstijgt hier ruimschoots het gemiddelde. Dat kan ook van de leeftijd gezegd worden. Alleen de bordjes van weleer ontbreken: 'Opstaan voor oorlogsinvaliden'. Aan bordjes en oorlog verder geen gebrek hier. De eerste avenue die me opvalt heet Esplanade de la Résistance. Een grote vuist steekt een gebroken zwaard in de lucht. 'Voor Jean Moulin. Organisator van het Verzet. Held en martelaar' lees ik op het monument. Het eerste van vele. De ambtswoning van de voormalige prefect komt om de hoek piepen. Daarna ontwaar ik het profiel van Charles De Gaulle, ook al op een herdenkingsplaat. In de verte weent een droefgeestige Arc de Triomphe om de 'herinnering van de kinderen van het departement Eure-et-Loir die stierven voor het vaderland'. Tijdens mijn eerste rondje tel ik nog een drietal oorlogsmonumenten.

Na de Verzetslaan en het station rijdt het busje een romantische ansichtkaart binnen. De Notre-Dame-kathedraal torent boven alles uit. Hoe plat la Beauce ook is, Chartres ligt op een heuvel. Pelgrims worden al van ver getrakteerd op het eindpunt van hun tocht. Ze kunnen makkelijk een hele dag wandelen richting Chartres terwijl Onze-Lieve-Vrouw hen als een begerige maagd toelacht. Een maagd op een bed van wiegende korenvelden. Ze versnellen automatisch de pas.

Niets daarvan in de pendelbus. Ik zit en kijk. Is het u al opgevallen dat de steunbogen van de Notre-Dame in Parijs langs achter bekeken op poten in rust lijken, dat haar torens als een dubbele kop uitsteken boven de lange ruggengraat en dat er plots een reuzeninsect in je blikveld verrijst? De achterkant van Chartres' glorie heeft eerder iets van een elegante, maar robuuste antilope. Na zich gelaafd te hebben aan de Eure heeft die zich neergevleid, de kop kranig in de lucht stekend. Klaar om recht te veren en met de noorderzon te vertrekken. De twee verschillende hoorns vertellen van vergeten veldslagen en scheuren de wolken in stukken. Als een hazelworm glijdt de navette langs de fauna van Chartres. Het schip van de Petruskerk is duidelijk later gebouwd dan de kathedraal. Fijnmazige steunberen op overschot. Een tor met duizend poten. Het Museum voor Natuurwetenschappen ligt als een wilde kat langs de kant van de weg, de twee poten vooruitgestoken en de snoet ertussen. De place des Epars lijkt een dode raaf die op zijn rug is gekanteld. Als een postmoderne galg wijst de kromme, lichtgevende bek potsierlijk naar de hemel. Zou de stedenbouwkundige van dienst geweten hebben dat de guillotine tijdens de revolutie op die plek het mes van de gerechtigheid liet vallen?

'Neen, niet de hele tijd, we hebben een beurtrol', stelt de chauffeur me gerust. Want we zijn alweer bij het vertrekpunt. Hoe mooi ook, alleen maar rondjes Chartres draaien, maakt je duizelig. 'Meestal doe ik plaatsen uit de agglomeratie aan en berijd ik een netwerk van achttien knooppunten.' Hij wijst naar een plan. In het midden staat de kathedraal. Alle wegen leiden hier naar Onze-Lieve-Vrouw. Ik stap nogal onhandig uit. 'Tot ziens', toetert de chauffeur.

Op een bankje schrijf ik mijn poème de navette, een dichtvorm gebaseerd op de zogenaamde poème de marche, een uitvinding van de Franse dichter Jacques Jouet. Tijdens een in stilte gemaakte wandeling componeer je een gedicht dat je niet opschrijft, maar vers na vers uit het hoofd leert. Aangekomen ter bestemming, schrijf je de verzen op. Bij voorkeur ben je niet alleen, wissel je de papieren uit, en draag je je kakelverse gedicht voor. Je collega helpt je weer op weg als je de draad kwijt bent. Bij gebrek aan mobiliteit maak ik een pendelbusgedicht. Bij gebrek aan partner draag ik het voor aan de lichtgevende bek van de dode raaf op de place des Epars.

Grijs, massief en log

Het station van Chartres

Een moloch van veel steen

En weinig glas

De schoonheid komt van rechts

Maar eerst hijst de postbode

Zich aan boord, van rechts dus

Achter Pacha Kebab en Kebab Express

'Bonjour ça va?' 'Ça va'

Daar waar de Eure vloeit

De kathedraal piekt en de hand

Van de chauffeur achter de huizen grijpt

'Spijtig van de sneeuw dat die er niet is

Zo schoon' beton naast de Eure

Een litteken op de oever voor ontelbaren

Aux Grands hommes Chartres

reconnaissant 'Mon chou, c'est mon chou'

De postbode wuift naar zijn chérie, een blinde

Stapt op, de brunette drukt een kus op

Haar voorruit, een witte stok tikt zich een weg

De deuren sluiten snel pikkel ik naar buiten

Lijk te vallen maak een pirouette

Krak zegt mijn kruk

Ik eindig alsnog op drie benen

En vijf versvoeten

2

Vervloekte chirurg! Hij mag me dan wel een loopgips hebben gegeven en me alvast van één kruk hebben verlost, vlot en pijnloos loopt het niet. Mijn tempo ligt lager, maar hopelijk verruimt dat de blik. Er zijn veel krukken op de wereld als je erop begint te letten. Een korte blik van verstandhouding. Elke keer. En een gezamenlijke vloek in stilte. Kruklopers onder elkaar.

Mijn pad ligt bezaaid met stervelingen die hier het geluk zochten, maar er een contract met de dood afsloten. Jean Moulin, Charles Péguy, Henri IV en een handvol vergeten revolutionairen.Chartres is van een vervloekte schoonheid. Veel oorlog, veel geweld, vaak vergeten. Ik zoek me een weg in dit labyrint. Neus rond in levens die ik niet kende, verlang naar plekken waar ik nooit kwam. Daarnet stuitte ik ook op Marcel Proust. Geen madeleine, maar een kathedraal van een beschrijving. Ik ga zitten bij de bushalte, wacht, en droom van thee.

3

De chauffeurs beginnen me al snel te kennen. 'C'est un écrivain', zeggen ze tegen de habitués. Dat klopt, in die zin dat ik nu en dan enkele woorden in mijn notitieboekje kriebel. Maar ik doe vooral andere dingen. Door het raam staren, het notitieboekje open- en dichtplooien, luistervinken, de steeds maar een of twee haltes meerijdende schoolmeisjes gadeslaan, en vooral: vergeten uit te stappen. Als een hyena die zijn prooi beloert, begluur ik het voorlopig onbereikbare Chartres. En bereid me voor op een tijgersprong, enfin, het ogenblik dat ik gedecideerd de stad krukkend en steunend zal innemen.

Chartres duikt de grote geschiedenis binnen in 911. De troepen van Rollo omsingelen de stad. Hij is viking van beroep. Zeggen dat hij met zijn troepen het noorden van het land onveilig maakt, is een eufemisme. Verkrachten, platbranden, annexeren. Nu is het de beurt aan Chartres. Het stadje maakt geen schijn van kans, maar weert zich moedig. Plots heeft Rollo er genoeg van en zet de definitieve aanval in. Dan geschiedt een wonder. De bisschop van Chartres, een zekere Gancelme, verschijnt in vol ornaat: fluwelen schoentjes, met diamanten versierde kazuifel en gouden mijter. Met zijden handschoenen steunt de oude grijsaard op een zilveren staf. Als een volleerd boulevardacteur mankt hij in slow motion. Op de achtergrond zingt een kitscherig engelenkoor als in de betere films van Quentin Tarantino.

Gancelme weet dat dit zijn moment is en twijfelt niet. De bisschop laat zijn zilveren kruk vallen, spant zijn borstkas op, verscheurt als een middeleeuwse hulk krijsend zijn kazuifel en haalt een lap stof tevoorschijn waarop de hemel meteen een zonnestraal laat vallen. Extatisch roept hij uit: 'Kijk hier, de sluier van de Maagd des Heren'. Dat moet als een soort van militair afrodisiacum gewerkt hebben want de ketterse Rollo wordt genadeloos in de pan gehakt en middels een verdrag verbannen naar een regio die omwille van zijn aanwezigheid weldra Normandië zal heten. Daar moet hij blijven, zich laten dopen en Frankrijk verdedigen tegen de invallen van andere Noormannen. 'Wij waren hier eerst'. U kent dat discours.

Honderd jaar later zal een van Rollo's nazaten Engeland veroveren, en nog later zullen achterkleinkinderen van daaruit de Honderdjarige Oorlog in gang zetten. Chartres verslaat Rollo, maar zet in feite de deur naar meer gruwel open. Dat is vandaag lang geleden. Nu verkoopt de bakker om de hoek met de glimlach 'Le pain des Conquérants' (voor de slechte verstaander met de ondertitel: 'Dégustation de Hastings') en heet mijn contactpersoon ter plaatse Plantegenet, ondanks de administratieve spelfout een nazaat van de vervloekte Engelse koning en dus een verre bloedverwant van Rollo.

Op mijn schoot ligt een oud boek dat beweert dat de sluier uit 911 nog steeds in Chartres is. Daar wil ik het fijne van weten. Plannen ontstaan in mijn hoofd. Contacten worden gelegd. Maar eerst blijf ik nog een paar rondjes zitten en kauw op pendelbusverzen. Concentration. Invention. Mémorisation. Rédaction.

Kostuums bij de vleet, blinkende kepies

Ik zie zelfs een degen, is dat

Een generaal? Veel strepen en

Driftig gesticulerende gendarmes

Een film van Louis De Funès

Maar waar zijn de non en haar geitje?

'C'est le préfet qui s'en va' wijst de bus

die ook de commentaar gratis meevoert

'Oh la la, ça c'est de la réception ça'.

Het leven gaat verder ook al lees ik in een zucht

Boven een kepie die een hoofd verlaat

Bij wijze van groet 'Jean Moulin werd gemarteld'

Klabang. Met overtuiging gaat mijn kruk

Tegen de vlakte tuutuut knipoogt een andere bus

Handen in de lucht raampje open 'Et toi?'

Het bal van de buschauffeurs

Zou daar op de tafels worden gedanst?

4

Blauw van pijn, wit van schrik, rood van woede strompelt Jean Moulin op 17 juni 1940 zijn ambtswoning binnen. Zijn linkerbeen sleept over de grond. Hij laat zich ondersteunen door een vriend. Die laat Moulin even los om de zwarte gietijzeren poort van de Préfecture te openen. De prefect van het departement Eure-et-Loir draait zich om en richt zijn karmozijnrood geslagen ogen naar le bleu de Chartres. De kathedraal zou kunnen buigen. De hand van Maria zijn kwetsuren verbinden met een zijden zwachtel. De schoonheid zwijgt. God gebaart van kromme haas. Net als enkele uren geleden.

Moulin wordt bont en blauw geslagen. Hij weigert een Duits bombardement dat een dorp in de as heeft gelegd toe te schrijven aan een ongelukkige actie van Franse troepen. De slagen blijven komen maar Jean geeft geen krimp. Hij tart het noodlot. Het zonlicht zoekt en vindt glas, dat weten ze in Chartres. Een scherf licht op. Moulins hand grijpt. Gaat de lucht in. En slaat toe. Het bloed gutst uit zijn hals. Liever zelfmoord dan de schande.

Maar hij overleeft. De volgende dag spreekt een stem uit de hemel tot de zwaar gehavende prefect. Niet de Heilige Maagd die een en ander probeert goed te maken, maar Charles De Gaulle die op Radio Londres de Fransen moed inblaast. Op 17 juni 's ochtends is Moulin nog staatsburger, 's avonds draagt hij de bloedende gewaden van de verzetsheld, de volgende dag knielt hij voor De Gaulle. Die Republikeinse transsubstantiatie vindt plaats in Chartres. Het woord van de generaal wordt vlees op een steenworp van de kathedraal. Maar de Republiek is al even machteloos als het Rijk Gods. Drie jaar later wordt Moulin verraden. Een scherf glas noch een aartsengel met een kepie kunnen nog soelaas brengen. En zoals dat gaat met echte helden: pas dan zal het heure de gloire van de prefect van Eure-et-Loir aanbreken.

5

Na enkele dagen schraap ik al mijn moed en benen bij elkaar en steek de ringweg over. Mijn voet stribbelt tegen maar het hoofd is sterk. Ik denk aan Charles Péguy die in 1912 helemaal te voet uit Parijs hierheen wandelde. Honderdvierenveertig kilometer op drie dagen, schrijft hij zelf, wat op een mooie omweg en veel doorzettingsvermogen wijst. Bij het bed van zijn doodzieke zoontje had hij zich voorgenomen op bedevaart te gaan als het kind zou genezen. Ter plekke richt de dichter zich rechtstreeks tot Onze-Lieve-Vrouw en vraagt aan de 'koningin van de belofte' om op de dag van zijn dood aan die lange wandeltocht te denken. Nog geen twee jaar later sterft hij. Een kogel in het hoofd, amper een maand nadat W.O. I van start was gegaan. Zou de Maagd haar belofte zijn nagekomen? Rust Péguy in haar hemelse sluier? Net als Jean Moulin leeft hij in ieder geval verder op papier en gedenksteen. En in de harten van de bedevaartgangers die zijn lange gedicht 'Présentation de la Beauce à Notre Dame de Chartres' koesteren. Plotseling sta ik zelf, de gipsen pelgrim, voor de 'hardste korenhalm die ooit naar een hemel van goedheid en sereniteit is opgestegen'.

6

Voor de hoofdingang houdt Yves de wacht. Hij bedelt. Maar tegelijk zingt hij religieuze gezangen. Spreekt hij bezoekers aan. Spreken bezoekers hem aan. Ontspinnen zich gesprekken. Al vijftien jaar staat hij op post. Diepgelovig. Goed op de hoogte van de geschiedenis die hij bewaakt. Tijdens de zomermaanden plukt hij bloemen op zijn kleine dagelijkse pelgrimage naar hier. Hij maakt boeketjes en schenkt ze weg aan vrouwelijke bezoekers. Een gentleman. 'Ik heb in 2011 meer dan anders gebeden'. Hij kijkt me strak aan. 'En kijk, het heeft jullie een regering opgeleverd, daar in België'. 'Ja', zegt hij, 'de liefde is als de wind, je weet nooit uit welke richting hij waait'. Stralende glimlach. Imitatie van Elio di Rupo. Hij verkort noeud papillon tot noeud pap. Vlinderdas wordt pausenstrikje. Zijn engelenstem zingt alweer een lied.

7

De toeristen rondom mij zijn op leeftijd. Ze steunen haast allemaal op een kruk, en houden het hoofd schuin om beter te luisteren. De gids neemt ons op sleeptouw. Van glasraam over biechtstoel tot altaar. Wij schuifelen achter haar aan. Tot haar grote spijt kan ze met deze mankepoten de toren niet beklimmen. Zo'n prachtig uitzicht! Maar ze versaagt niet. Bekijk deze glasramen! En die sculpturen! Anderhalf uur later verlaten we uitgeput de kathedraal.

Yves staat nog steeds te zingen. We luisteren allemaal. Alsof hij deel uitmaakt van de rondleiding. Er steekt een fikse wind op. Die krijgt vrij spel op het kerkplein. De klokken luiden en de houten deur fluit door zijn kieren. De heren rondom mij veranderen van aanblik. Hun krukken gaan de lucht in. Worden zwaarden. Regenjasjes transformeren tot fluwelen ceremoniekostuums. Saint-Yves, bisschop van de kathedraal, zingt voor. Mijn aangezicht kriebelt. Een voldragen krulbaard verschijnt op mijn wangen. Ik voel hoe de jeuk ook in mijn benen schiet. De zon breekt door. Ik ga de hoogte in. Gehinnik. Op een paard gezeten overschouw ik mijn hofhouding.

De hengst galoppeert de kathedraal binnen. Precies voor het mysterieus op de vloer getekende labyrint steigert hij. Bij het neerkomen laat zijn linkerhoef een croissantvormige afdruk na in de nochtans beenharde steen uit Berchères. Hij mankt tot bij het altaar. In het koor overhandigt een abt me de koninklijke insignes: sporen, sabel, handschoenen, ring, scepter en een staf voorzien van een ivoren hand als teken van rechterlijke macht. Iemand zet een kroon op mijn hoofd. Ik hoor mezelf zeggen dat ik 'alles zal doen om alle door de kerk veroordeelde ketters uit mijn koninkrijk te verjagen'. Een diaken laat het relikwie van de kerk zien: de sluier van de Maagd. Ik kniel respectvol. Mijn ros briest een danklitanie. Buiten loopt het kerkplein vol en worden kookpotten aangedragen. De geur van kippen vermengt zich met die van wierook. 'Vive le roi!', krijst de menigte.

8

'Kijk, daar', wijst Saint-Yves. Een grote vogel zweeft tot op de noordertoren. 'Al jaren zing ik ze toe. En nu gebeurt het. Kijk, nog eentje'. Dertig seconden later landt een laatste ooievaar. 'Een echt wonder!' Ik schiet wakker uit mijn dromerijen. Geen Franse koning prikkelt de verbeelding sterker dan Hendrik IV. Een strijder zoals Alexandre Dumas ze graag heeft, maar ook een verzoener. Op 27 februari 1594 laat hij zich kronen in Chartres.Kroningsstad Reims moet nog worden heroverd op de extremisten. Ja, Parijs is de hugenoot wel een mis en een feest in Chartres waard. En een leugen om bestwil. Eerst speelt deze adept van de Realpolitik de betrouwbare katholiek en hangt hij de impresario van de poule au pot uit: elk Frans gezin verdient een kip op zondag, luidt zijn populaire slogan. Maar eens hij de touwtjes stevig in handen heeft, kondigt hij het Edict van Nantes af. Een meesterwerk in de geschiedenis van de mensenrechten. Vrijheid van geloof. Vandaag zou het de halve wereld kunnen redden. Een bries van tolerantie waait door het land, maar op 14 mei 1610 wordt Hendrik neergestoken door een zelfverklaarde zuivere in de leer, een taliban avant la lettre, een terrorist in naam van de Heilige Maagd.

Klepperdeklepperdeklep. Boven is het feest. De ooievaars trotseren de zwaartekracht op een enkele poot. Drie op een rij. Ik kijk toe op drie benen, en hoor geknor en gerammel. Mijn lege maag hunkert naar een poule au pot. Jaarlijks verandert Chartres in een grote pluimveebraderie. Ter eer en glorie van Hendrik Zaliger, de goede koning, de rokkenjager en smulpaap zonder weerga, enfin, de kwintessens van de Franse ziel. Terwijl mijn kip gaar stooft, noteer ik een poème de béquille, een krukkengedicht, volgens hetzelfde procedé als de pendelbusverzen.

Verdeeldheid van het volk

Mutsen daar blootshoofds hier

Geen enkele sluier

'Neen, ik heb niets', leidt een man

Zijn vrouw een juwelierszaak binnen

De blik van de bedelaar schraapt de grond

proper, kleurrijk en dichtbevolkt

Zeker, Esprit en Casa bij de vleet, voorts

Zielarm en zonder land

In de Laan van de Doorboorde

Kookpan verdampt de winkelstraat

9

Een rijzige man met zwart haar leidt me langs de stellingen van de restauratie. Verboden terrein. Maar Gilles Fresson heeft de sleutel. Als een gastvrije Sint-Pieter wijst hij naar het sleutelgat van de sacristie uit de dertiende eeuw. Een uit gietijzer gesneden hemdje dat er niet om liegt: achter deze deur bevindt zich het kleed dat Maria droeg bij de geboorte van Jezus.

De sacristie van de kathedraal is een kapel op zich. Het kruisbeeld aan de muur lijkt wortel te schieten in een enorme kast die een ingebouwd altaar bevat. Als een door de wol geverfde slangenmens wringt Gilles zich via deze offertafel tot bij twee deurtjes die hij moeizaam opent. En daar zie ik hem. De witte sluier die Rollo de stuipen op het lijf joeg en het hugenotenhart van Hendrik IV deed smelten. Een historische sensatie heet zoiets. Een rechtstreekse vlucht naar het verleden. Ik zie Karel de Grote die het geschenk van Irene van Byzantium dankbaar aanvaardt. Kleinzoon Karel de Kale die het in 876 aan de kathedraal van Chartres schenkt. Hoe het voor het jaar duizend nog in een reliekschrijn verdwijnt en eeuwenlang verborgen blijft. Anna van Oostenrijk geknield voor het reliquiarium, smekend om vruchtbaarheid. Lodewijk XIV die aan haar schoot ontspringt. Hoe na de dood van de Zonnekoning het schrijn voor het eerst in zevenhonderd jaar wordt geopend. De verbaasde gezichten die een stuk witte stof ontdekten van om en nabij de vijf meter lang. Ik zie, tientallen jaren later, revolutionairen met antiklerikale bliksemschichten in de ogen de sluier in meerdere stukken scheuren. De wonderbaarlijke terugkeer van een groot fragment na de Revolutie. De ontelbare pelgrims die al eeuwenlang naar hier afzakken. Soms tienduizenden per dag. Hier samendrommen en op stro slapen op de kerkvloer. Rond Pasen volgens de lijnen van het labyrint dansen. Woodstock in Chartres. Ik zie wetenschappers gebogen over de sluier. Hun verdict: uit de streek van Palestina, vervaardigd ergens tussen twee eeuwen voor en drie na Christus. Dat ik hier sta, dat Gilles hier is, dat Yves verderop zingt, dat ik deze bladzijden schrijf, dat de magistrale zuidertoren als een middeleeuwse raket richting hemel opstijgt, kortom dat een van de belangrijkste heiligdommen en pelgrimsoorden uit de geschiedenis van het christendom zich in Chartres bevindt: het is allemaal te wijten aan het stuk stof dat dankzij de atletische capriolen van slangenmens Gilles alweer achter slot en grendel verdwijnt.

10

Gilles wijst op de restauratie van de kerkmuren. Stofzuigers, borstels, natte sponzen en engelengeduld. Maar kijk, achter de lagen stof en troep schuilt de kathedraal uit de dertiende eeuw. Een kerk zo wit als de sluier, niet kraakwit uiteraard, maar wat een luminositeit! De kerk van Charles Péguy is aan het verdwijnen, die mystieke enigszins obscure romantiek maakt plaats voor het licht van de middeleeuwen. De opgefriste glas-in-loodramen zijn weer ontcijferbaar. Onderaan kun je duidelijk de sponsors zien, dat had de gids al gezegd: bakkers, beenhouwers, geldwisselaars en leerlooiers betaalden voor advertentieruimte. Daar waar de blik van de modale kerkganger makkelijk raakt. Het doet denken aan de plaatselijke cinema waar lokale handelaars hun waren aanprijzen in korte promotiefilmpjes die voor de hoofdprent worden afgespeeld.

Kijk naar dat nieuwe licht en je blik wordt letterlijk opgelicht. Onze-Lieve-Vrouw van Chartres is goed voor zowel een historische als een esthetische ervaring. Gelovigen zeggen dat ook diep religieuze gevoelens voor het grijpen liggen. Hoe krachtig mijn geest en tijdsbesef hier ook worden geprikkeld, hoe zeer het goddelijke en menselijke elkaar een artistieke hand reiken, er blijft die ondoordringbare sluier, die onvatbare kloof: dat onzichtbare pad naar het postume leven. De overtuiging dat het beste pas na de dood komt, blijft het ultieme mysterie van het christendom. De hele kathedraal is ervan doordrongen. Verblindende schoonheid in dienst van een onmogelijk happy end.

11

Het snerpende geluid van een zaag. Verder de stilte van de grote concentratie. Een glasschilder snijdt ramen uit en beschildert het breekbare doek. De zon schijnt en transparante figuren lichten op. Jean Moulin, Hendrik IV, Gancelme en Rollo eten poule au pot. De kleuren zijn buitenaards mooi. Veel blauw. Charles Péguy zweeft als een engel boven het tafereel. Hij speelt luit en zingt. Onder tafel wordt er gedanst. Het bal van de buschauffeurs.

Zegt Hendrik IV: 'Geloven ze nu nog altijd dat ik met mijn paard de kathedraal ben binnengestormd? Ik moest jandorie verplicht te voet komen aanlopen.' Gancelme vervolgt: 'Ach, ik zat in mijn sacristie te bibberen en scheurde uit angst mijn habijt in stukken. Gelukkig dat de hulptroepen bijtijds arriveerden.' Rollo antwoordt: 'Legendes en sprookjes, jazeker, maar mijn nederlaag werd er niet minder werkelijk om'. Jean Moulin zwijgt. Een vertwijfelde Charles Péguy zingt: 'Waar blijft de Moeder Gods?'

'En wij dan', klinkt het onder de tafel. 'Alsof wij mee voor glasramen zouden hebben betaald? Sponsors, zegt u? We moesten schrapen om rond te komen, mochten de kathedraal niet eens binnen, en zaten als haringen op elkaar gepakt in een tochtig parochiekerkje. Onze liederlijke feestavonden en gebrek aan religieuze ijver waren de kanunniken een doorn in het oog. En voilà onze straf: onderaan het raam. Zie ons hier nu zitten. Ver van alle heil. Een regelrechte schande.' Gancelme krabt onder zijn bisschopsmijter, Rollo ademt diep en Jean Moulin haalt zijn schouders op. 'Maar waar blijft de Heilige Maagd toch?', kweelt alweer Péguy. Hendrik IV staat recht, en komt op mij toe gestapt. 'Weet u misschien waar Zij blijft?', vraagt hij. Ik zwijg. Hij geeft me een klap in mijn gezicht.

'U was er even niet', zegt een verpleger met een krulbaard waar je een geschiedenisboek over zou kunnen schrijven. Hij wijst naar mijn linkerbeen, dat voor het eerst ook is wat het heet. Een been. Met wat verschrompelde spieren erom heen. Ernaast ligt een zaag, en witte brokstukken gips. Ze inspireren me prompt tot een haïku de plâtre, een gipshaiku.

Ja, ik kom, riep Zij

Maar op de kathedraalpoort

Klinkt nog steeds geklop

Daarna ren ik naar Notre-Dame, blij dat ik eindelijk de toren kan beklimmen en de ooievaars kan begroeten. Ze zijn gaan vliegen.

Met dank aan André Bonjour, Michel Brice, Gilles Fresson, Jean-François Lagier, Thierry Plantegenet en natuurlijk Yves.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234