Maandag 24/01/2022

L’Aquila: kruisweg en geenverrijzenis in zicht

Achter het hek ligt de verboden stad. Het zijn hun huizen, zwaar toegetakeld door een aardbeving die 308 mensenlevens eiste en een prachtige stad tot puin herschiep. Maar niemand lijkt bijzonder gehaast om dat puin te ruimen en aan de heropbouw te beginnen. Ondertussen wonen ze in volledig ingerichte noodwoningen, neergepoot - zo vermoeden ze - door de maffia. L’Aquila, één jaar later. ‘Onze wanhoop is totaal.’

Eén jaar na de verschrikkelijke aardschok likt de getroffen Italiaanse streeknog altijd haar wonden

Op twintig kilometer van L’Aquila, in de Abruzzische Apennijnen, lijkt er volstrekt niets aan de hand. In het in rotsgrond verankerde Ovindoli hebben ze de aardbeving van 6 april weliswaar gevoeld en brachten velen de nacht angstig onder de blote hemel door, geen spatje in het landschap roept herinneringen op aan toen. Pas diep in de Aternovallei, op een boogscheut van de stad, geeft de ravage zich stapvoets prijs: een scheur in een huis, een gestutte gevel, het onmiskenbare succes van tuinhuisjes, een apotheek in een vrachtwagen, een goktent met slotmachines in een échte tent, de eerste discrete puinhopen.

De schok komt in slow motion. Bijvoorbeeld in het dorpje Onna, waar de provincie Trento en het Rode Kruis tientallen chalets hebben neergepoot op een weiland naast het verwoeste centrum. Voor de nieuwe woninkjes opgeleverd werden, in september vorig jaar, was het behelpen met mobilhomes en caravans. Maar dat tijdperk is voorbij: de bewuste woonobjecten liggen nu kris kras in een weide bij de spoorweg.

Het nieuwe dorp, dat voorlopig door het leven gaat als ‘nuovo villaggio’, oogt als een op een foute plek aangelegd vakantiecomplex. Had premier Berlusconi, die de verkiezingen van vorige zondag ook in deze provincie niet verloor, dan toch gelijk toen hij de overlevenden op het hart drukte hun dakloosheid als een alternatieve vorm van kamperen op te vatten?

De Cavaliere mag de inwoners van Onna dan nog zoveel goede moed hebben willen inpompen, veel levensvreugde straalt hun kleine Center Park-kloon niet uit. Ja: wie resoluut vooruit wil, heeft bloemen geplant en houdt zijn hofje schoon, maar bij andere évacués staat het gras wild en ongemaaid voor de voordeur.

De inwoners van het nieuwe Onna zijn mensen van weinig woorden. Wat baat het ook? Hun dorp werd in die verdoemde nacht genadeloos tegen de vlakte gesmakt. Van de 350 inwoners bleven er 40 dood achter. De zo vurig gewenste wederopbouw lijkt intussen gesmoord in een haastig bij elkaar gebetonneerd suburbia in pastel.

Het is natuurlijk beter dan niets, en voor vele betrokkenen was het al een reuzenstap voorwaarts om eindelijk weer zelf te kunnen koken, een minimale vorm van privacy te ervaren, familieleden en vrienden te ontvangen in plaats van hun tot last te zijn. Maar het ‘nuovo villaggio’ als frisse start en land van aankomst aanvaarden? Het is een oefening waar maar weinigen in slagen.

Een elegante dame doolt mijmerend tussen de resten van haar moeders woning en de overeind gebleven muren van haar eigen huis. “Het stortte wel niet in, vandaag is het niet minder dan de rest rijp voor de sloop.” Dat Onna misschien het mooiste dorp niet was, het was wel “óns dorp”, vertelt ze met zachte stem. “Mijn man werd hier geboren. Toen hij zeven jaar geleden met pensioen ging, besloten we de stad achter ons te laten en hier terug te keren.”

De vrouw wil anoniem blijven, alsof ze ook haar naam is kwijtgeraakt. Ze houdt een tegel vast waar een brok cement aan kleeft. Bijna elke dag overtreedt ze het verbod en gaat ze de door de brandweer afgesloten ‘Zona Rossa’ binnen om naar huis terug te keren. De steen in haar hand lijkt daardoor op het bundeltje selder dat ze vroeger in de moestuin ging halen. Het is een fragment van een leven dat niet meer is.

“Hoe absurd de dingen kunnen zijn! Aan de vooravond van de aardbeving, op 5 april, zie ik mijn zestienjarige nichtje Susanna met een vriendin op de Vespa wegsnorren. Geen van beide draagt een helm. Ik roep hen nog na: ‘Hé meisjes, zouden jullie hem niet opzetten?’ Maar ze antwoorden me dat ze hooguit naar Monticchio rijden, een kilometer hiervandaan. Het zijn de laatste woorden die ik Susanna heb toegesproken - uitgerekend dat ze voorzichtig moest zijn.”

De blonde vrouw is onmiskenbaar getekend door rauw verdriet. Haar stem stokt, de tijd die ze neemt voor haar verhaal lijkt omgekeerd evenredig met de abruptheid waarmee het noodlot toesloeg: 3.32 uur ’s nachts, 5,8 op de schaal van Richter, een combinatie van verticale en horizontale golven waardoor het wel leek alsof ze in een wasmachine zat.

“Het waren de twintig langste en gruwelijkste seconden van mijn leven. Dat schudden, schuiven en breken van alles om ons heen, meubelen, kopjes, borden, het boosaardige gegrom van de aarde ook. We hebben ons verdwaasd een weg naar buiten gebaand, maar daar lag alles plat. De wereld was... weg!”

Terwijl haar vrije hand naar het puin wijst, kunnen haar ogen er nog steeds niet bij. “Zoals ze enkele dagen later Susanna hebben gevonden, weet ik dat ze op slag dood was. Daar kan ik vreemd genoeg mee leven, voor mij is het meisje ingeslapen. Maar haar zus Benedetta? Ach, zij moet nog uren hoop gekoesterd hebben.”

Het onheil woekert. Als surreële wachters bij de ingang van het dorp liggen twee platgedrukte auto’s. Op het kerkplein heerst enkel desolaatheid. Tussen het puin door heeft hier en daar een halve benedenverdieping stand gehouden, goed voor een onbehaaglijke want indiscrete kijk op het bestaan zoals het was: welke koffiezet de bewoners hadden, wat voor tijdschriften ze lazen, welke plaats Christus in hun leven innam en welk behangselpapier ze mooi vonden.

Er heerst een feilloze kerkhofrust in Onna. Pas bij nader toezien blijkt hoe het leven alsnog zijn rechten terugneemt. Onkruid tussen steengruis en stalen stengels, vogels die fluiten terwijl de avondzon de besneeuwde bergen beschijnt, narcissen die bloeien alsof er niets aan de hand is, een schommel die wiebelt in de wind als wordt hij bezield door het kind dat er zich ooit op vermaakte. Een spookdorp in de letterlijkste zin van het woord.

undefined

Als het enkel van de mens Giustino Parisse afhing, van zijn persoonlijke lijdensweg, dan hoefde Onna niet eens heropgebouwd. Ook Giustino en zijn vrouw Dina wonen in het ‘nuovo villaggio’. “Ik kan hier eten bereiden, mijn bad nemen, slapen”, vertelt de vijftiger. “Maar dit huis of een ander, wat doet het er nog toe? Mijn tragedie gaat niet over de muren waartussen ik woon.”

In de keuken hangen de portretten van Giustino’s omgekomen tienerkinderen Domenico en Paola, van zijn vader ook, eveneens Domenico. Erover praten gaat amper, maar als journalist is Giustino al meer dan twintig jaar werkzaam bij de plaatselijke krant Il Centro. En dus schreef hij een boek over de aardbeving: Quant’era bella la mia Onna, ‘hoe mooi mijn Onna was’.

“Die gruwelijke schok”, zegt Giustino. “Lopen naar de kamertjes, de gebroken schreeuw: papa, papa... ‘Domenico, ik kom, ik kom. Hou vol, mijn jongen, hou vol.’ Stof, stenen, wanhoop. Aan de andere kant van het huis het geroep van mama: ‘Hier is Paola! Ik hoor haar!’ Een schemering. ‘Ik kom je helpen!’ Maar neen, deze schok kent geen vergiffenis.”

Het punt, verklaart Giustino Parisse zich nader, is dat hij behalve vader ook burger is. En dat met het oog op de toekomstige generaties Onna hoe dan ook uit zijn as moet herrijzen. In dat voornemen heeft de zwaarbeproefde man zich vandaag vastgebeten.

“Het loutere urgentiewerk is zo goed en zo kwaad als mogelijk uitgevoerd”, maakt hij een jaar later de balans. “Voor een deel van de dakloze inwoners van L’Aquila zijn voorlopige, ecologisch verantwoorde en aardbevingsbestendige woningen opgetrokken, de zogenaamde ‘CASE’. In Onna heeft een organisatie als het Rode Kruis dan weer voor behuizing gezorgd.”

“Het laatste tentenkamp is in november dichtgegaan”, belicht Giustino de regionale situatie. “Helaas, het neemt niet weg dat 5.000 mensen nog altijd in hotels zitten, hier of aan de kust, en dat 20.000 anderen los van de staat naar oplossingen zochten, onderdak kregen bij vrienden of familieleden, hun eigen centen aanspraken om een duur tuinhuis te bouwen, noem maar op. Zeventienduizend mensen verloren hun baan. Voor de duizenden studenten die in L’Aquila op kamers waren, is helaas geen plaats meer. Een derde van het studentenbestand is weg. Voor wie van kamerverhuur leefde, is dat uiteraard een fikse streep door de rekening. De universiteit was de eerste werkgever van de stad.”

En dan staart Giustino voor zich uit. “We weten niet waar het geld vandaan moet blijven komen. We kennen de technische modaliteiten niet, de instellingen geven geen antwoord op onze vragen, er is geen kalender, heel L’Aquila is uit elkaar gevallen. Geen flauw idee hoe deze stad op termijn zichzelf zal terugvinden.”

Een vijftal kilometers scheiden Onna en L’Aquila. Ter hoogte van het plaatsje Bazzano, halverwege, staan ze okergeel te glimmen in de zon: de CASE-huizen waar Giustino het over had. Bloksgewijs opgetrokken paalwoningen boven op parkeergarages, door tegenstanders ook wel Berlusconihuizen genoemd omdat ze zo opzichtig zijn en door Rome werden opgehoest. Aan vele ramen wappert dan wel de Italiaanse driekleur, winkels of diensten zijn er (nog) niet, openbaar vervoer al evenmin, laat staan een bar waar bij een espresso, lungo of macchiato het sociale weefsel kan worden gerepareerd. En toch, op het grasveld voetballen vrolijke kinderen: Giulio (11), Andrea (13), Marco (9) en de anderen. Eentje wil weten wat een voetballer in een land als België verdient alvorens over vorig jaar te vertellen. “Orribile. Gelukkig waren papa, mama en ikzelf na de voorschok van elf uur ’s avonds al naar buiten gegaan. Daardoor leven we. In onze nieuwe scholen hebben we er lang over gepraat, en allemaal zijn we bij de psycholoog geweest.” Een voorzet hier, een dribbel daar, het leven gaat door.

Wie sinds 24 oktober ook in een CASE huist, is professor biochemie Giusi Pitari. “Daarvóór woonde ik in een camper, na de beving met mijn eigen centen gekocht. Aangezien mijn nieuwe optrek minuscuul is, half zo groot als mijn vandaag ontoegankelijke flat, heb ik hem als opslagplaats gehouden. Ik ga hem trouwens niet verkopen, misschien kan hij naar Haïti. Ik kan me niet voorstellen wat het dáár moet zijn geweest.”

Officieel zijn de volgens complexe criteria toegewezen CASE een noodoplossing, maar dat verhaal vindt Giusi praat voor de vaak. Een jaar na 6 april is het ooit zo levendige L’Aquila herschapen in een losse verzameling afgelegen slaapsteden waartussen zich eindeloos fileleed ontspint. Burgers die elkaar vroeger ontmoetten op de piazza’s en piazetta’s lopen elkaar vandaag in het beste geval in de hypermarkt tegen het lijf. Niets wijst erop dat het spoedig anders wordt.

“En dus hebben we in de aanloop naar oudjaar een boodschap op het internet gezet, voorgesteld dat we met zoveel mogelijk mensen een feest zouden houden. Er liepen ruim 3.000 antwoorden binnen. De enen brachten wijn mee, anderen een panettone of een muziekinstrument. Een sober feest, dat we om middernacht besloten met een fakkeltocht voor onze doden.”

Van het een kwam het ander, vertelt Giusi. Ze bleven dingen doen, in februari trokken ze naar de hekken waarachter hun verboden stad ligt. In zesduizendvoud eisten ze dat het puin geruimd zou worden, vroegen ze om zelf te mogen helpen, betrokken te worden en uiteindelijk hun huizen weer in te kunnen. Zo is vervolgens het Popolo delle Cariole geboren, het Kruiwagenvolk, dat elke zondag weer het centrum inneemt, er tonnen steengruis opruimt en sorteert, de sceptici overtuigt die het allemaal maar sisyfusarbeid vinden. Intussen rammelt het Popolo ook met huissleutels of hangt het ze aan de wegversperringen op, om zo de erg ondoorzichtige gang van zaken aan de kaak te stellen.

“Tijdens de voorbije kiescampagne hebben ze gepoogd ons te instrumentaliseren, maar wij zijn links noch rechts”, gaat Giusi verder. “We zijn hooguit cittadini die het abnormaal vinden dat, pakweg in het geval van de CASE, alle huizen compleet uitgerust aangeleverd werden. Meubelen, eetservies, tot de shampoo in de badkamer toe. Natuurlijk, een gegeven paard kijk je niet in de bek, alleen weet niemand hoe en via welke procedures al die spullen daar zijn aanbeland.”

Het is een kwestie die voortdurend over de lippen gaat, daar in L’Aquila: nood breekt wet. Maar wat als de wet inderdaad gebroken is? In Italië duikt in dat geval de maffia op. Volgens de bekende journalist Roberto Saviano is deze stad een vogel voor de kat. Konden de arme Abruzzen de georganiseerde misdaad jaren lang buitenhouden omdat er geen geld te rapen viel, dan ziet het plaatje er vandaag flink anders uit. Er ging een nieuwe schokgolf door de plaatselijke bevolking toen een afgeluisterd telefoongesprek uitlekte dat dateerde van de avond na de beving: een malafide ondernemer schertste met een familielid over de vele centen die er in L’Aquila te graaien waren. Terwijl half L’Aquila geen baan meer heeft, komen anderen er schaamteloos hun zakken vullen. Tussen waardeloos geworden huizen en oprukkende speculatie zoekt het Kruiwagenvolk naar antwoorden.

Het ziet er slecht uit voor de stad, meent ook Antonietta Centofanti. De Berlusconiaanse mooipraterij doet haar gruwelen en nooit zal zij, de tante van de omgekomen student Davide Centofanti, vrede nemen met de gang van zaken.

Aan de Via XX Settembre hangt Davides foto. Links en rechts van hem figureren Marta, Luca, Husein, Luciana, Alessio, Francisco, Angela en een tweede Davide, allen levend begraven toen de plaatselijke Casa dello Studente, het studentenhuis, tegen de grond ging.

“De advocaten van de aannemers die verantwoordelijk waren voor de bouw willen het proces ver van L’Aquila houden omdat de sfeer hier niet sereen zou zijn”, legt Antonietta uit, nippend aan een koffie. “Ze proberen hun dossiers op te schonen, er met name het element aan te onttrekken dat de Casa dello Studente een zandkasteel was. Als we niet opletten, wordt deze zaak een tragedie binnen de tragedie, zeker nu Berlusconi de rechtsgang zo wil hervormen dat affaires veel sneller verjaren, zijn felomstreden wet op het processo breve.”

En neen, het gaat niet enkel om Davides zaak: 200 soortgelijke processen zijn lopende. Over het feit bijvoorbeeld dat de westelijke woonwijk Pettino pal op een breuklijn lag. Toen de buurt enkele tientallen jaren geleden aangelegd werd, waarschuwden oudere inwoners dat het je reinste spelen met vuur was. “Maar de bouwondernemingen zeiden dat we ons geen zorgen hoefden te maken.”

Ook over het preventiebeleid en het falen ervan is het laatste woord nog niet gezegd. “Er waren al weken schokken aan de gang, en velen waren ongerust”, zegt Antonietta verbitterd. “De Protezione Civile (de inmiddels door een gigantisch corruptiedossier bezwaarde ‘Burgerbescherming’, LD) hield op 31 maart vorig jaar een informatiesessie die alles welbeschouwd 28 minuten duurde. De moraal van het verhaal was dat we beter een fles Montepulciano soldaat konden maken.” Het is de eeuwige discussie over de dunne grens tussen proactief optreden en nodeloze paniekzaaierij, over de voorspelbaarheid van aardbevingen op basis van radonmetingen en de wetenschappelijke onvolmaaktheid die de meeste seismologen aan die theorie toeschrijven.

Toegegeven: in het trotse hart van L’Aquila, met zicht op het imposante Gran Sasso-massief, zijn de eerste winkels, banken en cafés weer open. Op de centrale Corso’s Vittorio Emanuele en Federico II kan opnieuw worden geflaneerd - nou ja - en de prille toerist maakt er kennis met het indrukwekkendste bouwterrein van het Europese continent, goed voor 25.000 aanbestedingen. Kerken, palazzi en theaters staan in ijzeren korsetten, het geloof in de nieuwe toekomst wordt bezongen met metalen gehamer en drillend geboor. Het leger patrouilleert, bewaakt in- en uitgangen, kijkt toe op pasjes en vergunningen. “We staan ervan versteld hoe goed ze de zaak in handen genomen hebben”, jubelt een uit Charleroi afkomstige Italo-Belg die samen met zijn echtgenote een kijkje is komen nemen.

Helaas, de bezoekers hebben hooguit het decor gezien. Wie de verplichte helm opzet en onder begeleiding van de brandweer in de coulissen kijkt, ziet een apocalyps. Alweer die bizarre blik op badkamers, bibliotheken, traphallen en kelders; huizen ook die de letters A tot E meekregen, waarbij de eerste - een rariteit - als onbeschadigd gelden, de laatste als onherroepelijk verloren. Gebouwen vervolgens die er van buiten best oké uitzien, maar binnenin muren noch plafonds bezitten. Afgekraakte kerktorens waarvan de klokken verweesd op het voorplein staan. Alles wat niet ingestort is, werd gestut, maar van wederopbouw is nog lang geen sprake. Het enige teken van progressie is een Christusbeeld, dat met het oog op Goede Vrijdag de San-Bernardinobasiliek binnen wordt getorst. Zoveel is zeker: voor deze prachtstad zichzelf terugvindt, wordt het nog ettelijke keren Pasen.

“Onze wanhoop is totaal, de noden absoluut.” Duidelijker taal kan burgemeester Massimo Cialente, een postcommunist, niet spreken. Zoals 53.000 van de 70.000 inwoners van L’Aquila moet ook hij kamperen. Althans: zijn kabinet is niet langer een statige zaal intra muros, wel een sober kantoor in een opgetuigd achterafcomplex. Daar is het dat hij de ene haveloze burger na de andere ontvangt. “Mensen met zero inkomsten. Zero! L’Aquila was al getroffen door de economische crisis, de aardbeving heeft de toestand exponentieel verergerd. Wanneer zullen de Europese Unie en de regering hier eindelijk een belastingvrije zone mogelijk maken? Hoelang moet het nog duren voor onze economie weer kansen krijgt?”

De oververmoeide Cialente zucht, kettingrokend en tijdens het gesprek onophoudelijk gsm-oproepen beantwoordend. Luttele weken na de beving had Rome de schade op 12 miljard euro geraamd, vandaag is duidelijk dat dat een onderschatting van jewelste was en dat het nodige geld er gewoon niet is. Zal L’Aquila - de Arend - zijn vleugels ooit weer spreiden?

“Als Italië de kans mist om de hoofdstad van de Abruzzen weer op te bouwen, er een ecologisch en technologisch kenniscentrum van te maken met hoge levenskwaliteit voor zijn bewoners, dan verliezen niet enkel wij, maar ook ons land. En als Europa toelaat dat zich hier een zwart gat ontwikkelt, dan staat de hele Unie te schande. Neen echt, jullie mogen ons niet aan ons lot overlaten. Ons drama móét jullie beroeren!”

Alweer wordt op Cialentes deur geklopt. Een jonge vrouw steekt haar hoofd naar binnen. Een zoveelste aardbevingsslachtoffer dat hem om hulp komt smeken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234