Dinsdag 15/10/2019

Kwakken verf op een muur

Wie het onstuimige volle vrije leven in een bandeloos boek wil, kan bij Henry Miller terecht

Het moet in het najaar van 1969 zijn geweest dat ik voor het eerst met de trein van Groningen naar Arnhem reisde om mijn ouders te bezoeken. Ik was net aan de universiteit gaan studeren, dus ook op kamers gaan wonen, en ik sleepte almaar die dreinerige zielstoestand met me mee die dicht in de buurt van de melancholie komt. Jeugd voorbij, toekomst nog niet aangebroken, over alles onzeker.

In de kiosk in het station in Groningen kocht ik Op weg naar het einde van Gerard Kornelis van het Reve, zoals hij toen nog heette. Op dat boek voorbereid was ik niet: ik sloeg het argeloos open toen de trein het station eenmaal verlaten had en uitzicht bood op een van de droevigste landschappen die ik ken: het zwartgeaarde platteland van Noordoost-Nederland.

Uit de bladzijden sloeg me onmiddellijk een melancholie tegemoet die tegelijkertijd haar eigen krachtige remedie meeleverde: een vitaliteit die vooral ook in de stijl was doorgebroken. Ik was nog niet eens in Assen of ik was mezelf en de wereld om me heen al kwijt.

Het eerste verhaal in Reves bundel gaat over een bezoek aan een schrijverscongres in het Schotse Edinburgh, een bijeenkomst waarbij vooral de aanwezigheid van de Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980) de woede van Reve wekt.

De passage die Reve aan zijn collega wijdt, heeft vele jaren lang mijn visie op Miller bepaald. Het leven is kort en je kunt niet alles lezen, dus je laat het weleens bij een welgemeend advies deze of gene schrijver links te laten liggen.

De bewoordingen van Reve waren buitengewoon krachtig: "Hoe ooit iemand de geschriften van deze zwetsende zelfverheerlijker ernstig heeft kunnen nemen is mij een raadsel, gezien de vervelende opendeurintrapperij en het losgeslagen kleinburgerdom, die er de grondslagen van vormen, alles vermengd met theosofie uit Westfriesland van 1910, en dan nog onverteerbaar slecht geschreven; zo zou ik het overjarige vitalisme van deze oude bosneuker willen omschrijven, die, in zijn kruistocht tegen de bekrompenheid, zelve de vleesgeworden geborneerdheid is." Een eindje verderop spreekt Reve nog van "deze oude phallus".

Op hetzelfde congres was ook de Engelse schrijver Lawrence Durrell aanwezig. Zijn boeken las ik wel, en met genoegen, vooral de romans die het 'Alexandria Quartett' vormen. Ik begon Durrell te lezen door datzelfde verhaal van Reve: hij krijgt van zijn Nederlandse collega een bescheiden heldenrol op het schrijverscongres toebedeeld. Het leven is kort, je kunt niet alles lezen... mutatis mutandis.

En zo stuitte ik aan het eind van de jaren tachtig onvermijdelijk op de correspondentie tussen Lawrence Durrell en Henry Miller. De eerste had bewondering voor Miller en is in zijn vroege werk sterk door hem beïnvloed, maar hij ergerde zich ook wel aan diens schrifturen. Hij bracht dat naar aanleiding van de roman Sexus, die Miller had gepubliceerd, tot uiting: "Ik moet toegeven dat ik bitter teleurgesteld ben door Sexus, ondanks het feit dat het dingen bevat die het beste zijn wat je ooit hebt geschreven. Maar, beste Henry, de morele vulgariteit van veel dingen is artistiek pijnlijk. Die idiote betekenisloze scènes, die geen raison d'être hebben, niet humoristisch zijn, alleen maar kinderachtige uitbarstingen van obsceniteit - wat jammer, wat verschrikkelijk jammer voor een groot schrijver dat hij niet voldoende kritisch is om zuinig om te springen met zijn krachten en om zijn talent op zijn doel gericht te houden. Wat heeft je er in godsnaam toe bewogen zoveel geleuter ongemoeid te laten?"

Dat liegt er allemaal niet om, en met die hele voorgeschiedenis kan ik dus onmogelijk zeggen dat ik met grote onvooringenomenheid aan de lezing van De kreeftskeerkring ben begonnen.

Wat heeft Henry Miller met die roman beoogd?

We schrijven het interbellum in Parijs. Een zekere Henry Miller, een Amerikaan uit New York, leeft er een bestaan aan de onderkant van de samenleving. Hij is arm, heeft geen vaste verblijfplaats, logeert nu eens hier en dan weer daar, leeft van de hand in de tand, neukt om de haverklap een dame of een hoer, en vindt het allemaal best - zolang hij zich maar vrij kan voelen. En hij wil er recht voor de raap over kunnen vertellen. Hij is schrijver van beroep en gaat er prat op dat hij de dingen direct weergeeft, zonder kunstige constructies als een gedegen plot en uitgebalanceerde zinnen. Hij wil het levenssap van de bladzijden zien druipen.

Hij wil geen keurig gegraven kanaal zijn met rustig kabbelend water, maar een onstuimige bergrivier die zich de diepte in stort. Ergens heet het: "Ik houd van al wat stroomt, al waar tijd in zit en dat in wording is, dat ons terugvoert naar het begin dat geen eind kent: de heftigheid der profeten, de obsceniteit die extase is, de wijsheid van de fanaticus, de priester met zijn gummi litanie, de smerige woorden van de hoer, het speeksel dat in de goot verder drijft, de melk van de borst en de bittere honing die uit de baarmoeder stroomt."

Het is niet voor niets dat Henry Miller in het midden van de vorige eeuw zo geliefd geworden is dat er zelfs Miller-genootschappen in het leven werden geroepen die zich wijdden aan het lezen en bestuderen van diens werk, bijvoorbeeld in Nederland. De beatgeneration is zonder hem zelfs moeilijk denkbaar. De hele opstand tegen de gevestigde orde, tegen vastgeroeste waarden, tegen een gezapige manier van leven, en vóór het leven als ongewis en roekeloos avontuur, is mede door Miller geïnspireerd - waarbij het extra goed uitkwam dat zijn boeken in Amerika tot in de jaren zestig verboden zijn geweest en daardoor juist extra de aandacht vestigden op wat volgens de conventies niet kon en mocht.

Millers werk is de uiting van een mentaliteit, niet van een geest. Dat verklaart mede de weerzin van Reve en Durrell. Nergens laat Henry Miller zijn hoofdpersoon in een ernstig conflict geraken met zichzelf, met alle samenhangende complicaties en gevolgen van dien - de hoofdpersoon is veeleer ingenomen met zichzelf. En een diepgravend conflict tussen hoofdpersoon en wereld om hem heen is er ook niet. De kreeftskeerkring wil een wijze van leven laten zien die voortkomt uit een bepaalde levensfilosofie, zonder dat die alomvattend botst met een andere. Het boek is geen vlechtwerk, maar kwakken verse verf op een muur. Het is geen roman, maar een deel uit de autobiografie die Henry Miller heet.

De literatuurliefhebber die op zoek is naar kunstzinnige ordening in de chaos van het leven heeft in De Kreeftskeerkring niet veel te zoeken. Maar wie het onstuimige volle vrije leven in een bandeloos boek wil, kan bij Henry Miller terecht.

Als ik toentertijd, in die trein van Groningen naar Arnhem, toevallig De kreeftskeerkring had gelezen, was ik misschien wel meegesleept en voor even op geheel andere, Milleriaanse wijze van mijn melancholie verlost geweest, zij het wellicht voor een hele tijd ten faveure van de slonzigheid. Ik heb vrede met hoe het gelopen is.

Wil Hansen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234